Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25407

ECLI:NL:RBDHA:2026:25407 Rechtbank Den Haag , 02-09-2026 / NL26.50211
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam), bestuursrecht, zaaknummer NL26.50211. Partijen: [eiser] (V-nummer: [v-nummer], gemachtigde mr. R.M. Seth Paul) versus de minister van Asiel en Migratie (verweerder). Betreft: beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en een verzoek om schadevergoeding.

Feiten en procesverloop

  • Met besluit van 19 juni 2026 legde de minister aan eiser vreemdelingenbewaring op. De rechtbank had eerder bij uitspraak van 22 juli 2026 (NL26.40212) al geoordeeld dat die maatregel tot het sluiten van dat onderzoek rechtmatig was. Tegen het voortduren van de bewaring is door eiser beroep ingesteld; tevens verzocht hij om schadevergoeding.
  • De minister overlegde een voortgangsrapportage; eiser reageerde hierop. De rechtbank liet het onderzoek ter zitting achterwege en deed uitspraak op schriftelijk onderzoek.
  • De uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter; griffier B.S. Beens.

Juridische toetsingskader

  • De rechtbank wijst op de wettelijke norm dat indien toepassing of tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij belangenafweging onredelijk is, het beroep gegrond kan worden verklaard en de maatregel moet worden opgeheven of aangepast (art. 96 Vw, zie ook art. 96 lid 3).
  • Van belang is dat de eerdere uitspraak van 22 juli 2026 de rechtmatigheid tot het sluiten van dat onderzoek bevestigde; bij toetsing van het voortduren is daarom alleen de periode ná dat sluitingsmoment relevant.

Ingediende stellingnamen van eiser

  • Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend is in de verwijderingsinspanningen. Hij wijst erop dat er al meer dan een maand geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en betoogt dat de minister, uit zorgvuldigheid en voortvarendheid, minimaal eenmaal per vier weken een vertrekgesprek moet voeren. Het laatste vertrekgesprek vond plaats op 30 juli 2026.

Beoordeling en motivering rechtbank

  • De rechtbank verwerpt het door eiser aangevoerde vereiste van een vertrekgesprek elke vier weken. Uit wet en jurisprudentie volgt geen zodanige minimumeis. Het enkele feit dat meer dan vier weken verstreken zijn sinds het laatste vertrekgesprek leidt niet automatisch tot het oordeel dat de minister niet voortvarend handelt.
  • De voortgangsrapportage toont aan dat de regievoerder heeft aangegeven dat per 2 september 2026 een nieuw vertrekgesprek ingepland stond en dat de minister op 20 augustus 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op deze feiten acht de rechtbank de verwijderingsinspanningen toereikend en voldoende voortvarend.
  • Ambtshalve ziet de rechtbank geen andere redenen om te concluderen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel niet is voldaan. De rechtbank verwijst daarbij ter vergelijking naar relevante uitspraken van het Hof van Justitie van de EU (8 november 2022 en 4 september 2025).

Conclusie en beslissing

  • De rechtbank verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond.
  • Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt ook geen proceskostenvergoeding.
  • Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:20554
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
23-07-2026 94% soortgelijk
Zaak en partijen Zaaknummer NL26.40212 (V-nummer vermeld). Eiser: [eiser] (gemachtigde mr. J. van Bennekom). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie. Geschil: het voortduren van vreemdelingenbewaring welke op 19 juni 2026 aan...
ECLI:NL:RBDHA:2026:8050
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
07-04-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), enkelvoudige kamer, zaaknr. NL26.16243, uitspraak 3 april 2026. Partijen: [eiser] (v‑nummer: [nummer], gemachtigde mr. R.T. Laigsingh) versus de minister van Asiel en Migratie. Betreft: voortduren van de...
ECLI:NL:RBDHA:2026:23364
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
20-08-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (bestuursrecht), zaaknummer NL26.44924. Partijen: [eiser] (V-nummer: [v-nummer], gemachtigde: mr. A.D. Kupelian; bij zitting vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan), tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. L. Ludwig)....
ECLI:NL:RBDHA:2026:23952
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
24-08-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam), bestuursrecht, zaaknummer NL26.43829. Partijen: [eiser] (V-nummer: [V nummer], gemachtigde mr. J. van Bennekom) versus de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. R.L.F. Zandbelt). Raadslieden aanwezig bij...
ECLI:NL:RBDHA:2026:19390
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
13-07-2026 93% soortgelijk
Zaak (Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg) nummer NL26.37345 tussen [eiser] (V-nummer: [V-nummer]; gemachtigde mr. R.W. Koevoets) als eiser en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. G. Cambier) als verweerder. Eiser,...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50211

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 22 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

2.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

2.3. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 juli 2026 (NL26.40212) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering. De minister heeft nu al meer dan een maand geen vertrekgesprek gevoerd. In het kader van de zorgvuldigheid en voortvarendheid dient de minister minimaal één keer per vier weken een vertrekgesprek te voeren, aldus eiser.

5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser. Uit de wet en de jurisprudentie volgt niet dat de minister minimaal één keer per vier weken een vertrekgesprek met eiser moeten voeren. Dat sinds het laatste vertrekgesprek op 30 juli 2026 meer dan vier weken zijn verstreken, betekent daarmee op zichzelf niet dat de minister onvoldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser werkt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de regievoerder onder punt 13 heeft vermeld dat voor 2 september 2026 een nieuw vertrekgesprek met eiser staat ingepland. Daarnaast heeft de minister op 20 augustus 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser.

6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.