Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:23364

ECLI:NL:RBDHA:2026:23364 Rechtbank Den Haag , 21-08-2026 / NL26.44924
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (bestuursrecht), zaaknummer NL26.44924. Partijen: [eiser] (V-nummer: [v-nummer], gemachtigde: mr. A.D. Kupelian; bij zitting vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan), tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. L. Ludwig). Tolk bij de zitting: mevr. M. Heijerman-Oublal. Zitting en onmiddellijke mondelinge uitspraak: 14 augustus 2026; uitspraak door mr. E.M.A. Vinken, griffier mr. J.L. Maats.

Beslissing: het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen; geen proceskostenveroordeling.

Feiten en bestreden besluit: op 6 augustus 2026 legde de minister aan eiser vreemdelingenbewaring op op grond van art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw wegens concreet risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. De kennisgeving van dat besluit werd gelijkgesteld met door eiser ingesteld beroep (en tevens als verzoek om schadevergoeding).

Door de minister genoemde motieven in het bewaringbesluit waren onder meer dat eiser (a) Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen of zich aan toezicht heeft onttrokken; (b) eerder een besluit/kennisgeving had ontvangen waarin de vertrekplicht bleek en daar niet aan heeft voldaan; (c) niet voldoende meewerkt aan vaststelling identiteit/nationaliteit; (h) heeft verklaard geen gehoor te geven aan terugkeerplicht; (r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; (s) niet over voldoende middelen van bestaan beschikt; (u) arbeid verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Tijdens de zitting trok de minister de gronden genoemd onder a en c terug.

Verweerschrift en betwisting: de gemachtigde van eiser bestreed de onderliggende gronden van de bewaring en stelde dat de minister niet voortvarend handelde ten aanzien van uitzettingshandelingen; voorts had de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel was gekozen.

Overwegingen van de rechtbank (kern):

  • Ten aanzien van grond b (vertrekplicht): eiser voerde aan dat een besluit van 28 maart 2024 hem niet was uitgereikt en dat hij niet op de hoogte was van de vertrekplicht of de verplichting om verhuizing door te geven. De rechtbank oordeelde dat het gebrek aan kennis aan eiser zelf te wijten is: het is diens verantwoordelijkheid post/mededelingen te ontvangen, verhuizingen door te geven, beschikbaar te blijven en contact met zijn gemachtigde te onderhouden. Daarom mocht de minister deze grond aan eiser tegenwerpen.
  • Eiser heeft zelf verklaard niet naar Marokko te willen terugkeren (grond h) en heeft geen vaste verblijfplaats (grond r). Dat hij nog staat ingeschreven op het vroegere adres met zijn echtgenote is onvoldoende om van een vaste woonplaats te spreken; eiser is voor de autoriteiten ontraceerbaar omdat hij niet op het ingeschreven adres woont en geen nieuw adres heeft doorgegeven.
  • De minister mocht wegen dat eiser middelen van bestaan heeft uit illegale arbeid (grond s en u); dit versterkt volgens de rechtbank het risico dat eiser regels niet naleeft en zich zal onttrekken aan toezicht.
  • Ten aanzien van voortvarendheid: de minister heeft op 10 augustus een laissez‑passer aangevraagd en een vertrekgesprek gevoerd; de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende inspanningen levert en de maatregel niet langer dan nodig oplegt.
  • Gezien deze feiten en motivering en zonder dat eiser tegenstrijdige, zwaarwegende omstandigheden aanvoerde, ziet de rechtbank geen grond om de bewaring onrechtmatig te achten. Vermelding van relevante jurisprudentie (HvJ EU 8 nov. 2022 en 4 sept. 2025; Afdeling 12 feb. 2026) ondersteunt de toetsing.

Slotconclusie: het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Informatie over hoger beroep: belanghebbende kan binnen één week na verzending/plaatsing hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:3642
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
24-02-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), enkelvoudige kamer, uitspraak 24 februari 2026, zaaknummer NL26.7098. Partijen: [eiser] (v-nummer: [nummer], gemachtigde mr. J.L. Crutzen) versus de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. A.N. Sap)....
ECLI:NL:RBDHA:2026:21593
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
03-08-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam), enkelvoudige kamer, zaaknummer NL26.40415. Partijen: [eiser] (V-nummer [v-nummer], gemachtigde mr. H. Loth), tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. M. Weerman). Uitspraak door mr. M.B....
ECLI:NL:RBDHA:2026:466
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
13-01-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), enkelvoudige kamer, zaaknummer NL25.62732, uitspraak van 5 januari 2026. Partijen: [eiser] (v-nummer: [nummer], gemachtigde mr. J. van Appia) versus de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr....
ECLI:NL:RBDHA:2026:9811
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
23-04-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), enkelvoudige kamer, 23 april 2026, zaaknr. NL26.21107. Partijen: [eiser] (v-nummer [nummer], gemachtigde mr. R.T. Laigsingh) tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. M.P. Gaal -...
ECLI:NL:RBDHA:2026:24912
Bestuursrecht > Vreemdelingenrecht
31-08-2026 94% soortgelijk
Zaaknummer NL26.47830 (Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam). Eiser: [eiser], V‑nummer: [V nummer], geboren [geboortedatum] 1995, stelt Marokkaanse nationaliteit te hebben (gemachtigde: mr. M. Taheri). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde:...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht. Bewaring. Mondelinge uitspraak rechtmatigheid maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44924

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. H. Palanciyan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, mevr. M. Heijerman-Oublal als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, omdat er een concreet risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

1.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

1.2. Ter zitting heeft verweerder laten weten de gronden vermeld onder a en c niet langer tegen te werpen.

2. De gemachtigde van eiser heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring bestreden. Ook vindt eiser dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de handelingen voor eisers uitzetting. Ook had verweerder beter moeten motiveren waarom aan hem geen lichter middel had moeten worden opgelegd.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ten aanzien van de grond onder b heeft eiser aangevoerd dat het besluit van 28 maart 2024 niet aan hem is uitgereikt en dat hij dus ook niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht. Ook van het feit dat hij verplicht was zijn verhuizing door te geven, was eiser niet op de hoogte. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser tegen zijn terugkeerverplichting bezwaar heeft ingediend, waar uit kan worden afgeleid dat eiser wel op de hoogte was van zijn vertrekplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde omstandigheid dat eiser niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht aan eiser zelf te wijten. Het is de verantwoordelijkheid van eiser zelf om verhuizingen door te geven, zich beschikbaar te houden, post te ontvangen en om contact te houden met zijn gemachtigde. Dat hij dit niet heeft gedaan, komst voor zijn rekening en risico en verweerder mocht deze grond dus ook tegenwerpen.

5. Verder is niet betwist dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Marokko. Ook is niet betwist dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Het enkele feit dat eiser nog ingeschreven staat op het adres waar hij voorheen met zijn vrouw woonde, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Eiser dient traceerbaar te zijn en dat is hij momenteel niet, omdat hij niet woont op het adres waar hij ingeschreven staat en ook niet heeft doorgegeven waar hij wel woont. Ook mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geld verdient maar dit is geld wat eiser verdient met illegale arbeid en daaruit volgt al dat eiser de regels niet in acht neemt, wat het risico onderstreept dat hij dat opnieuw zal doen als hij in vrijheid wordt gesteld.

6. Ten aanzien van de voortvarendheid van de handelingen tot uitzetting heeft verweerder ter zitting laten weten dat er op 10 augustus een laissez-passer is aangevraagd voor eiser en een vertrekgesprek is gevoerd. Hieruit maakt de rechtbank op dat verweerder wel degelijk voldoende zijn best doet om ervoor te zorgen dat eiser niet onnodig lang vastzit voordat hij wordt uitgezet. Hoewel het voor iedereen onprettig is om van vrijheid ontnomen te worden, heeft verweerder wel voldoende gemotiveerd waarom voor eiser deze maatregel nodig was. Er is namelijk een te groot risico dat eiser besluit om zich weer aan het toezicht te onttrekken, nu eiser ook zelf heeft verklaard dat hij niet terug wil naar Marokko. Ook heeft eiser verder geen omstandigheden aangevoerd waar verweerder rekening mee zou moeten houden. De omstandigheden dat eiser verblijft bij een vriend en illegaal werkt, waardoor hij wel voldoende middelen van bestaan heeft, mocht verweerder in elk geval ondergeschikt vinden aan het belang van het naleven van de regels en het kunnen werken aan eisers uitzetting.

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank in de door eiser en verweerder verstrekte informatie geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026 door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329 .