ECLI:NL:RBDHA:2026:20554 Rechtbank Den Haag , 22-07-2026 / NL26.40212
Samenvatting
Zaak en partijen Zaaknummer NL26.40212 (V-nummer vermeld). Eiser: [eiser] (gemachtigde mr. J. van Bennekom). Verweerder: de minister van Asiel en Migratie. Geschil: het voortduren van vreemdelingenbewaring welke op 19 juni 2026 aan eiser is opgelegd op grond van art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000. Eiser vordert beëindiging van de bewaring en vergoeding van schade.
Procesverloop
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring en tevens een schadeverzoek ingediend.
- Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd; eiser heeft hierop gereageerd.
- De rechtbank bepaalde dat een zitting achterwege blijft.
Relevante vorige toetsing De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 3 juli 2026 (zaak NL26.34569) waarin is geoordeeld dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag rechtmatig was. Bij de huidige beoordeling is daarom alleen van belang wat zich heeft voorgedaan sinds het sluiten van dat eerdere onderzoek.
Inhoudelijke beoordeling
- Eiser beroept zich onder meer op art. 15 lid 1 van Richtlijn 2008/115/EG: bewaring moet zo kort mogelijk duren en in overeenstemming zijn met een voortvarende voorbereiding van verwijdering. Eiser betoogt dat uit het M120-formulier en uit het dossier niet blijkt dat verweerder voortvarend heeft gehandeld; de voortgangsrapportage zou slechts een niet-onderbouwd partijstandpunt bevatten.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder in de relevante periode op 16 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op de korte termijn sinds de eerdere toetsing acht de rechtbank dat voldoende voortvarend handelen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die van verweerder vereisen dat hij op dat moment aanvullende handelingen verricht.
- Het ontbreken van aan het dossier toegevoegde bewijsstukken van een LP-aanvraag (of andere documenten) leidt de rechtbank niet tot twijfel over de juistheid van de voortgangsrapportage van verweerder.
- Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn bestaat; eiser heeft daartoe geen concrete stellingen of bewijs geleverd.
Ambtshalve toetsing De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of de voortzetting van de bewaring onrechtmatig is geweest en komt tot het oordeel dat daarvan geen sprake is.
Conclusie en rechtsgevolgen
- Het beroep van eiser tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.
- Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
- De uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer (rechter) in aanwezigheid van M.A. van Garder (griffier). Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bewaring vervolgberoep, artikel 59 lid 1 onder a, voortvarendheid, ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.40212
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2.Met het besluit van 19 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
2.1 Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
2.2 Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.3 De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 juli 2026 (in de zaak NL26.34569) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de vreemdelingenbewaring volgens artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG zo kort mogelijk moet duren en niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering. Volgens eiser blijkt uit het M120-formulier niet dat er voortvarend is gehandeld door verweerder. Volgens eiser maakt het gestelde in het voortgangsrapport dit niet anders, omdat het gaat om een niet met bewijs onderbouwd partijstandpunt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat verweerder in de te beoordelen periode op 16 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gezien de korte termijn sinds de eerdere toetsing van de maatregel, acht de rechtbank dat voldoende voortvarend. Het is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die op dit moment maken dat van verweerder gevergd kan worden ook andere handelingen te verrichten. De rechtbank ziet verder in de omstandigheid dat door verweerder geen bewijsstukken zijn overgelegd van de LP-aanvraag, geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen is opgenomen in de voortgangsrapportage.
6. Overigens is ook niet gebleken dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn, nu de zicht op uitzetting naar Marokko in algemene zin niet ontbreekt. Eiser heeft hierover verder niets aangevoerd.
7. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
8.Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.