ECLI:NL:RBDHA:2026:21690 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.41851
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam), enkelvoudige kamer, zaaknummer NL26.41851. Partijen: eiser [eiser], V-nummer [V nummer], bijgestaan door mr. J.S. Jordan (waarnemer mr. T. Yilmaz trad op tijdens zitting); verweerder: de minister van Asiel en Migratie, bijgestaan door mr. P.A.L.A. van Ittersum. Tolk: S. Zambyb. Zitting en uitspraakbehandeling: 31 juli 2026.
Feiten en procesverloop
- De minister legde op 19 juni 2026 aan eiser vreemdelingenbewaring op op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De maatregel duurde voort; eiser voerde beroep aan tegen het voortduren en verzocht om schadevergoeding.
- De rechtbank had reeds op 3 juli 2026 in zaak NL26.34263 geoordeeld dat de bewaring tot het sluiten van dat onderzoek rechtmatig was. Bij beoordeling van het voortduren wordt daarom alleen de periode sinds het sluiten van dat onderzoek betrokken.
- De minister overlegde een voortgangsrapportage; eiser reageerde. Zitting vond plaats op 31 juli 2026.
Geschilpunten en overwegingen
- Zicht op uitzetting
- Eiser betoogde dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt.
- De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting wél bestaat. De minister heeft op 24 juni 2026 een laissez‑passer‑aanvraag bij Marokkaanse autoriteiten ingediend en op 26 juni en 16 juli 2026 gerappelleerd; de aanvraag was nog in behandeling. Dat de aanvraag langer dan een maand in onderzoek is, maakt het zicht op uitzetting niet afwezig.
- Daarnaast geldt voor eiser de verplichting tot actieve en volledige medewerking aan identificatieonderzoek; uit het dossier blijkt niet dat eiser inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen die afgifte van een laissez‑passer zouden bevorderen.
- De minister heeft volgens de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld; er vond op 20 juli 2026 een vertrekgesprek plaats. De beroepsgrond faalt.
- Evenredigheid en Spaanse regularisatieprocedure
- Eiser stelde dat voortzetting van de bewaring onredelijk is omdat hij op 18 mei 2026 in Spanje een verblijfsaanvraag indiende en op 25 juni 2026 een oproep ontving voor vingerafdrukken op 17 augustus 2026; door bewaring kan hij die afspraak niet bijwonen en zou zijn positie in de Spaanse procedure rechtstreeks worden geschaad.
- De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 3 juli 2026 (r.o. 3.3) waarin is overwogen dat de minister heeft meegewogen dat eiser zelf geen rechtmatig verblijf in Spanje heeft en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn kans op toelating in Spanje zodanig groot is dat bewaring onevenredig zou worden.
- Nieuwe stukken en argumenten van eiser onderbouwen volgens de rechtbank niet dat de kans op toekenning van verblijf in Spanje zodanig groot is dat voortzetting van bewaring onaanvaardbaar is. De beroepsgrond faalt.
- Ambtshalve toetsing
- De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden om te oordelen dat de voorwaarden voor de bewaring niet zijn vervuld (zij verwijst naar relevante jurisprudentie en EU‑rechtspraak).
Beslissing en rechtsgevolgen
- Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard (art. 96 lid 3 Vw geeft de rechtbank bevoegdheid tot opheffing/wijziging indien toepassing/tenuitvoerlegging onrechtmatig of onredelijk is; hier is dat niet aangenomen).
- Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
- Uitspraak door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter; mr. B.S. Beens, griffier. Uitgesproken en bekendgemaakt op de datum van de beschikking; tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. Zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring niet langer evenredig is. Eiser heeft met de overgelegde nieuwe stukken en aangevoerde argumenten niet onderbouwd dat de kans dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje zodanig groot is dat het niet anders kan dan dat zijn aanvraag zal worden ingewilligd. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41851
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
De minister heeft op 19 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. T. Yilmaz als waarnemer van de gemachtigde van eiser, S. Zambyb als tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 juli 2026 (NL26.34263) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
4.1. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen ontbreekt.
5. Eiser voert verder aan dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring niet langer evenredig is. Eiser heeft op 18 mei 2026 in Spanje een verblijfsaanvraag ingediend in het kader van regularisatie. Op 25 juni 2026 heeft eiser een oproep ontvangen van de Spaanse autoriteiten waarin staat dat hij op 17 augustus 2026 om 9:30 uur een afspraak heeft in [plaats] om zijn vingerafdrukken af te nemen in het kader van de aanvraagprocedure. Zolang eiser in vreemdelingenbewaring zit kan hij niet naar deze afspraak gaan. De voortzetting van de vreemdelingenbewaring schaadt eiser rechtsreeks in zijn rechtspositie in de Spaanse verblijfsprocedure, aldus eiser.
5.1. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring niet langer evenredig is. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen in de uitspraak van 3 juli 2026 onder r.o. 3.3 is opgenomen:
5.2. De door eiser overgelegde nieuwe stukken en aangevoerde argumenten doen daar niet aan af, met name omdat eiser daarmee niet heeft onderbouwd dat de kans dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje zodanig groot is dat het niet anders kan dan dat zijn aanvraag zal worden ingewilligd. De beroepsgrond slaagt niet.
6.Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.