ECLI:NL:RBDHA:2026:26476 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.50221
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), enkelvoudige kamer, zaaknummer NL26.50221, 9 september 2026 — tussen [eiser] (v‑nr. [x], gemachtigde mr. E. Schoneveld) als eiser en de minister van Asiel en Migratie als gedaagde.
Feiten en procesgang
- De minister legde op 22 juli 2026 aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000. De bewaring duurt voort.
- De rechtbank had eerder op 5 augustus 2026 geoordeeld dat de bewaring tot het sluiten van het daarbij behorende onderzoek rechtmatig was; de huidige toets betreft enkel het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van dat onderzoek (31 juli 2026).
- Eiser voerde beroep aan tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister overlegde een voortgangsrapportage; eiser reageerde daarop. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 4 september 2026 en bepaalde dat geen zitting plaatsvond.
Toetsingskader
- Op grond van art. 96 lid 3 Vw2000 verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt opheffing of wijziging van de tenuitvoerlegging indien toepassing/tenuitvoerlegging strijdt met de Vw2000 of niet redelijkerwijs gerechtvaardigd is.
- Aangezien eerdere uitspraak de rechtmatigheid tot 31 juli 2026 bevestigde, toetst de rechtbank alleen de rechtmatigheid van het voortduren vanaf die datum.
Beoordeling van de beroepsgronden
- Voortvarendheid minister
- Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt.
- De voortgangsrapportage vermeldde een toezegging voor een laissez‑passer (lp) op 20 augustus 2026; verder werden op 26 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd, op 27 augustus 2026 een vluchtaanvraag gedaan en op 28 augustus 2026 een escortopdracht naar de reisagent verzonden. De minister wachtte op vluchtgegevens.
- De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend handelt; deze grond faalt.
- Belangenafweging ten gunste van eiser
- Eiser voerde aan dat zijn persoonlijke belangen zwaarder moeten wegen (schadelijke gevolgen van voortgezette bewaring en bereidheid tot vrijwillig vertrek).
- De rechtbank past vaste rechtspraak toe dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring in beginsel meer gewicht toekomt aan het belang van de minister bij voortduring dan aan het belang van de vreemdeling bij invrijheidsstelling; alleen bijzondere omstandigheden kunnen dit veranderen.
- De enkele stelling dat eiser bereid is vrijwillig te vertrekken vormt geen bijzondere omstandigheid. Het vertrekgesprek van 26 augustus 2026 toont juist beperkte medewerking: eiser zou zich niet hebben gepresenteerd op 19 augustus en zijn opgave van inschrijving bij IOM op 25 augustus was door de regievoerder niet bevestigd. Gelet op de aangevraagde vlucht en de overige stappen, weegt het belang van de minister zwaarder dan het belang van eiser.
- Deze grond faalt eveneens.
- Ambtshalve toetsing
- De rechtbank voerde ambtshalve toetsing uit en vond in de verstrekte gegevens geen aanwijzingen dat de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel sindsdien niet (meer) zijn vervuld. Daarbij wordt verwezen naar relevante jurisprudentie van het HvJ‑EU (ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647) als vergelijkingspunten.
Conclusie en beslissing
- Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.
- Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
- Uitspraak gedaan door mr. G.A. van der Straaten; griffier mr. N. ter Horst. De maatregel van bewaring bleef van kracht; tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
vervolgberoep. Voldoende voortvarend. Belangenafweging. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50221
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1.De minister heeft op 22 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 5 augustus 2026.
1.2. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 4 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
2.Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1. Uit de uitspraak van 5 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 31 juli 2026) rechtmatig is.
3.Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister al op 20 augustus 2026 een toezegging voor een laissez-passer (lp) heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt niet dat er inmiddels een vlucht voor eiser is geboekt terwijl er bijna twee weken zijn verstreken.
3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is juist dat op 20 augustus 2026 een toezegging voor een lp is ontvangen. Uit het voortgangsrapport volgt verder dat op 26 augustus 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser, dat op 27 augustus 2026 een vluchtaanvraag is gedaan, op 28 augustus 2026 een escortopdracht is ontvangen en verzonden naar de reisagent en dat de minister in afwachting is van de vluchtgegevens. Daarmee werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
4.Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. De minister heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de (steeds zwaarder wegende) belangen van eiser bij opheffing van de maatregel van bewaring. De maatregel trekt een steeds zwaardere wissel op eiser. Dit klemt te meer nu uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt dat eiser ook bereid is om vrijwillig te vertrekken.
4.1. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. De enkele stelling dat eiser bereid is om vrijwillig te vertrekken is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dat eiser daadwerkelijk daartoe bereid is, blijkt bovendien niet uit het verslag van het vertrekgesprek van 26 augustus 2026. Daarin staat dat eiser niet heeft meegewerkt aan de presentatie op 19 augustus 2026 en dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij zich op 25 augustus 2026 heeft ingeschreven bij het IOM, maar de regievoerder daar nog niets van heeft vernomen. Gelet hierop en op de aangevraagde vlucht, komt aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toe dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
5.Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6.Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.