ECLI:NL:RBDHA:2026:26095 Rechtbank Den Haag , 09-09-2026 / NL26.9248
Samenvatting
[naam] (eiseres; V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. N.D. Schraa) heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 30 juli 2024. Eiseres had na het verstrijken van de beslistermijn de minister verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen; dat verzoek bleef onbeantwoord. De rechtbank Groningen heeft het onderzoek schriftelijk afgedaan omdat partijen geen zitting wilden.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Juridische context en motivering:
- De rechtbank verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 42) en de algemene bepalingen van de Awb inzake beslistermijnen en beroep.
- Met ingang van 12 juni 2026 is het EU-Asiel- en migratiepact (onder meer Verordening (EU) 2024/1348, de Procedureverordening) in werking getreden; daardoor is de Nederlandse “voornemenprocedure” vervallen en kan na het gehoor sneller worden beslist.
- Tot voor kort hanteerde de rechtbank het zogeheten 8+8‑wekenmodel (8 weken voor gehoor + 8 weken voor besluit). Gelet op de nieuwe EU-regelgeving en eerdere rechtspraak (onder meer uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) wijzigt de rechtbank dit beleid naar een 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het horen en vier weken voor het nemen van een besluit na het gehoor.
- Omdat in deze zaak de wettelijke bovengrens van 21 maanden voor de hele procedure was overschreden, acht de rechtbank een verkorte beslistermijn passend. De rechtbank past haar beleid toe en halveert de termijn die zij oplegt, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen; die bijzondere omstandigheden zijn hier niet aanwezig.
Beslissing en gevolgen:
- De minister wordt bevolen binnen zes weken (berekend als 4+2) na de dag na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
- Voor het niet nakomen van die termijn legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op: €50 per dag met een maximum van €15.000. Deze regeling volgt onverkort de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 21 mei 2026.
- De rechtbank verklaart het niet-tijdig nemen van een besluit vernietigd (mits met een besluit gelijk te stellen) en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €467,-.
- De uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen (rechter) in aanwezigheid van A.W. Landman (griffier). Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9248
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. N.D. Schraa
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 30 juli 2024.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
8. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.