ECLI:NL:RBDHA:2026:26875 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22321
Samenvatting
Eiseres [naam] (V‑nr. [nummer], gemachtigde mr. U.H. Hansma) heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat niet tijdig is beslist op haar asielaanvraag van 6 juni 2025. Na het verstrijken van de beslistermijn verzocht eiseres de minister nog schriftelijk om binnen twee weken te beslissen (artikel 6:12 Awb). De minister bleef in gebreke, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. Partijen wensten geen mondelinge behandeling; de rechtbank besloot zonder zitting.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond. Zij constateerde dat de beslistermijn (artikel 42 Vreemdelingenwet 2000) was verstreken en dat de minister niet alsnog binnen de door eiseres gestelde termijn had besloten. De rechtbank legt de kern van haar motivering uit aan de hand van recente wets- en EU‑regelgeving: met inwerkingtreding van het Europese Asiel‑ en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) per 12 juni 2026 vervalt de zogenoemde voornemenprocedure omdat die stap niet in de Procedureverordening is opgenomen. Dit maakt snellere besluitvorming na het gehoor over asielmotieven mogelijk.
De rechtbank herroept bovendien het eerdere 8+8‑wekenmodel (acht weken voor het gehoor en acht weken voor het besluit daarna) dat zij tot dusver hanteerde en dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als passend was beschouwd. Voortaan hanteert zij een 8+4‑wekenmodel: acht weken voor het horen en vier weken voor het nemen van het besluit na het gehoor, zodat de totale beslistermijn twaalf weken bedraagt. De termijn vangt aan de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op conform de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, 21 mei 2026). Zij volgt die aanbeveling onverkort en bepaalt een dwangsom van €50 per dag bij overschrijding van de door haar gestelde beslistermijn, met een maximum van €15.000 (artikel 8:55d Awb en relevante jurisprudentie). De rechtbank veroordeelt de minister bovendien in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €467 (Berekening conform het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt à €934 met wegingsfactor 0,5).
De uitspraak (door mr. H. Hanssen‑Telman, griffier A.W. Landman) verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken alsnog te beslissen; bij overschrijding volgt de genoemde dwangsom. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken; bij spoed kan voorlopige voorziening worden gevraagd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22321
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 6 juni 2025.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
6. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
7. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
9. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.