ECLI:NL:RBDHA:2026:25729 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / C/09/697689 / FA RK 26-356
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) behandelde het verzoek van [de man] (bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze) om vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] (geboren 2016, in rechte vertegenwoordigd door bijzondere curator mr. J.C. Herweijer, advocaat te Rijswijk). Als belanghebbende is tevens [de moeder] aangeduid; zij heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Bij beschikking van 11 maart 2026 was mr. Herweijer benoemd als bijzondere curator ingevolge art. 1:212 BW.
Procedurele stukken omvatten onder meer meerdere F9‑formulieren (2 maart 2025; 6 mei, 15 juni en 3 juli 2026), een F5‑formulier van 15 juni 2026, het bericht en verslag van de bijzondere curator (8 april en 4 mei 2026) en het oorspronkelijke verzoekschrift met bijlagen. Het verzoek richtte zich op het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning omdat de minderjarige nog niet was erkend en de moeder alleen het gezag uitoefende.
Op 15 juni 2026 trok de man het verzoek tot vervangende toestemming in (F9 en F5), met de mededeling dat hij en de moeder de erkenning gezamenlijk hadden geregeld. Bij F9 van 3 juli 2026 overlegde de man de geboorteakte met latere vermelding van erkenning waaruit blijkt dat hij de minderjarige op 11 mei 2026 heeft erkend. De rechtbank overweegt dat, nu het verzoek is ingetrokken en erkenning is geschied, er voor de rechtbank geen beslissing meer resteert te nemen.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek is ingetrokken en verklaart dat er niet meer te beslissen valt. Voorts acht zij de vertegenwoordiging door de bijzondere curator voor deze procedure beëindigd en beschouwt de werkzaamheden van mr. J.C. Herweijer als afgerond. De beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland (rechter, tevens kinderrechter), bijgestaan door griffier mr. M. Meijer, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verzoek vervangende toestemming erkenning ingetrokken
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-356 Zaaknummer: C/09/697689 Datum beschikking: 06 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning
Beschikking op het op 6 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,
de minderjarige, in rechte vertegenwoordigd door mr. J.C. Herweijer, advocaat te Rijswijk, in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van: het verzoekschrift, met bijlagen; het F9 formulier van 2 maart 2025, met bijlage, van de man; het bericht van 8 april 2026 van de bijzondere curator; het verslag van 4 mei 2026 van de bijzondere curator; de F9 formulieren van 6 mei en 15 juni 2026 van de man; het F5 formulier van 15 juni 2026 van de man; het F9 formulier van 3 juli 2026, met bijlage, van de man.
Feiten
De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De minderjarige is niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 maart 2026 is mr. J.C. Herweijer voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot het verlenen van vervangende toestemming om de minderjarige te mogen erkennen.
Beoordeling
Bij F9 en F5 formulier van 15 juni 2026 heeft de man het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning ingetrokken, nu de man en de moeder de erkenning gezamenlijk geregeld hebben. Bij F9 formulier van 3 juli 2026 heeft de man de geboorteakte met latere vermelding erkenning overgelegd, waaruit blijkt dat hij de minderjarige heeft erkend op 11 mei 2026.
Nu het verzoek is ingetrokken, valt er voor de rechtbank niets meer te beslissen.
Uit het voorgaande volgt dat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige is ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2026.