Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:23697

ECLI:NL:RBDHA:2026:23697 Rechtbank Den Haag , 23-07-2026 / C/09/685365 / FA RK 25-3676
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking d.d. 23 juli 2026 (zaak C/09/685365; rekest FA RK 25-3676). Verzoeker: [de man], bijgestaan door mr. T.Y. Tsang (voorheen mr. M.S. Odink). Belanghebbenden: [de moeder] (hoofdverzorgende ouder) en [de minderjarige] (geboren [geboortedatum] 2020), in rechte vertegenwoordigd door bijzondere curator mr. H. Dreesmann-Bruijntjes. De Raad voor de Kinderbescherming was aanwezig; de moeder verscheen niet ter zitting.

Feiten en procedure

  • [de minderjarige] is niet erkend; de moeder heeft eenhoofdig gezag. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Mr. Dreesmann-Bruijntjes is bij beschikking van 28 mei 2025 als bijzondere curator benoemd.
  • Het verzoekschrift en meerdere berichten van partijen en de bijzondere curator zijn ingediend; zitting vond plaats op 25 juni 2026. De moeder heeft geen verweer gevoerd en reageerde niet op uitnodigingen van de curator.

Verzoeken van [de man]

  1. Vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] (al dan niet uitvoerbaar bij voorraad).
  2. Na erkenning: gezamenlijk gezag met de moeder.
  3. Omgangsregeling (eerste maand: twee keer per week twee uur; daarna: twee dagen per week — woensdagmiddag en zondag).
  4. Informatieregeling: moeder informeert maandelijk schriftelijk over gewichtige aangelegenheden.

Beoordeling en juridische motivering Vervangende toestemming erkenning (art. 1:204 lid 3 BW)

  • Rechtsvraag: vervangende toestemming kan slechts worden gegeven als de man de verwekker is of, indien niet verwekker, de biologische vader die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, en behoud van belangen moeder of ontwikkeling kind daar niet door wordt geschaad.
  • De man stelt verwekker te zijn; hij had een relationele band met de moeder van circa 2016/2017 tot 2022 en had onregelmatig contact, geen contact sinds juli 2024.
  • De bijzondere curator adviseerde alleen toewijzing indien de man het verwekkerschap concreet en met bewijs aannemelijk maakt (bijv. foto’s, geboortekaartje, verklaringen, of DNA). De moeder is niet gehoord, doordat zij niet reageerde.
  • De rechtbank stelt dat de bewijslast voor de man ligt en dat het redelijk was van hem bewijs te overleggen gezien de langdurige relatie en eerdere contactmomenten. Hoewel de curator concrete suggesties deed en de man ruim zes maanden de tijd kreeg, heeft hij geen aanvullende stukken geleverd. De door hem overgelegde vijf foto’s tonen hoogstens enkele ontmoetingen en zijn onvoldoende. De rechtbank ziet geen reden een DNA-onderzoek te gelasten.
  • Conclusie: verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd verwekkerschap.

Gezag (art. 1:253c lid 1 BW)

  • Voor gezamenlijk gezag is erkenning vereist; juridische ouder betekent erkende ouder. Omdat erkenning is geweigerd is de man geen juridisch ouder en wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om gezamenlijk gezag.

Omgangsregeling (art. 1:377a lid 2 BW)

  • Een omgangsregeling voor een niet-erkende verwekker vereist een nauwe persoonlijke betrekking. De man heeft dit niet aannemelijk gemaakt; de enkele foto’s volstaan niet. Zijn verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Informatieregeling (art. 1:377b lid 1 BW)

  • Het recht op informatie geldt voor juridische ouders of de biologische vader die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Aangezien de man noch juridische ouder is, noch een nauwe betrekking aannemelijk heeft gemaakt, wordt zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Overige

  • De rechtbank acht de vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator voor deze procedure beëindigd.

Beslissing

  • Verzoek tot vervangende toestemming erkenning: afgewezen.
  • Verzoeken tot gezamenlijk gezag, omgangsregeling en informatieregeling: niet-ontvankelijk verklaard.
  • Werkzaamheden bijzondere curator voor deze procedure: beëindigd.

Beschikking gegeven door mr. R.S. Matthijssen (kinderrechter), bijgestaan door griffier mr. M. Verkerk; uitspraak openbaar op 23 juli 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3147
Civiel recht > Personen- en familierecht
09-06-2026 93% soortgelijk
Rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft bij beschikking van 11 mei 2026 de verzoeken van [de man] (advocaat mr. J.G. van Ek) tegen [de moeder] (advocaat mr. M. Erkens) afgewezen. Belanghebbende in de...
ECLI:NL:RBDHA:2026:4418
Civiel recht > Personen- en familierecht
06-03-2026 92% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer, beschikking 3 februari 2026) behandelde het verzoek van [de man] (adv. mr. M.D. Ande) tot (1) vervangende toestemming ex art. 1:204 lid 3 BW voor erkenning...
ECLI:NL:RBDHA:2025:25772
Civiel recht > Personen- en familierecht
03-01-2026 92% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) deed op 3 december 2025 beschikking naar aanleiding van het verzoek van [de man] (bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam) van 23...
ECLI:NL:RBROT:2025:15313
Civiel recht > Personen- en familierecht
12-01-2026 92% soortgelijk
De rechtbank Rotterdam (Team familie, zaaknr. C/10/673148 / FA RK 24-875) heeft op 1 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [naam man] (verzoeker, geboren [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats 1],...
ECLI:NL:RBZWB:2026:5003
Civiel recht > Personen- en familierecht
08-06-2026 92% soortgelijk
Zaak (C/02/442772 FA RK 25-6318) bij de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, Team Familie‑ en Jeugdrecht (zittingsplaats Breda), uitspraak 8 mei 2026 (mr. Phillips, kinderrechter; mr. van Noort, griffier). Partijen: [de man] (advocaat mr. C.J....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzen vervangende toestemming erkenning. Vermoeden verwekkerschap onvoldoende aannemelijk gemaakt. N-o t.a.v. verzoeken gezag, omgang en informatieregeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-3676 Zaaknummer: C/09/685365 Datum beschikking: 23 juli 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en informatieregeling

Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: nu mr. T.Y. Tsang te Den Haag, voorheen mr. M.S. Odink te Den Haag.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,

de minderjarige, in rechte vertegenwoordigd door mr. H. Dreesmann-Bruijntjes, advocaat te Den Haag, in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 19 mei 2025, met bijlage, van de man;
  • het bericht van 19 augustus 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 16 september 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 16 september 2025 van de man;
  • het verslag van 7 oktober 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 24 november 2025 van de man;
  • het bericht van 15 januari 2026 van de man.

Op 25 juni 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de bijzondere curator, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

Feiten

  • [de minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • De man, de moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 28 mei 2025 is mr. H. Dreesmann-Bruijntjes benoemd tot bijzondere curator om [de minderjarige] op grond van artikel 1:212 Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

aan de man vervangende toestemming wordt verleend tot erkenning van [de minderjarige] ;

nadat de man [de minderjarige] heeft erkend, de man met de moeder wordt belast met het gezag over [de minderjarige] ;

[de minderjarige] bij de man verblijft:  gedurende de eerste maand twee keer per week twee uur;  daarna twee dagen per week (woensdagmiddag en zondag); althans een regeling tussen de man en [de minderjarige] in goede justitie te bepalen;

de moeder de man een maal per maand schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent de persoon en het vermogen van [de minderjarige] .

De bijzondere curator adviseert de verzoeken van de man enkel toe te wijzen indien de man meer concreet en met bewijsstukken het verwekkerschap aannemelijk maakt.

De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar –door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind daardoor in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man de verwekker van het kind is, of de biologische vader van het kind die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

De man stelt dat hij de verwekker is van [de minderjarige] . De man en de moeder hebben vanaf 2016 of 2017 een affectieve relatie gehad, die in 2022 is geëindigd. Tijdens deze relatie is [de minderjarige] geboren. Na de geboorte heeft de man onregelmatig contact gehad met [de minderjarige] . Inmiddels heeft hij [de minderjarige] sinds juli 2024 niet meer gezien. De man heeft [de minderjarige] niet mogen erkennen en het is niet gelukt om in onderling overleg met de moeder de omgang te hervatten. Volgens de man schaadt de erkenning de belangen van de moeder niet en de ontwikkeling van [de minderjarige] zal ook niet in het gedrang komen. [de minderjarige] (en de vader) hebben het recht en belang dat de biologische werkelijkheid aansluit bij de juridische werkelijkheid, aldus de man.

De bijzondere curator vindt dat het verzoekschrift te weinig aanknopingspunten bevat om tot toewijzing van het verzoek van de man over te gaan. De man heeft in gesprek met de bijzondere curator gesteld dat hij zeker weet dat hij de vader van [de minderjarige] is, maar de man heeft ook verteld dat partijen een knipperlicht relatie hebben gehad en dat de moeder tijdens hun relatie ook een relatie met een andere man onderhield. De bijzondere curator heeft niet met de moeder gesproken, omdat de moeder op de uitnodigingen voor een gesprek niet heeft gereageerd. De visie van de moeder is hierdoor niet bekend. De bijzondere curator merkt verder op dat er geen nadere bewijsstukken of resultaten van een DNA-onderzoek voorhanden zijn die de stelling van de man dat hij de verwekker is van [de minderjarige] aannemelijk maken. De bijzondere curator stelt dat van de man verwacht mag worden dat hij zijn stellingen nader onderbouwt met concrete bewijsstukken. Daarvoor kunnen bijvoorbeeld foto's van de man en de moeder, van de man en [de minderjarige] , maar ook andere bewijsstukken zoals een kopie van het geboortekaartje of verklaringen van derden dienen. Indien de man erin slaagt om het verwekkerschap aannemelijk te maken, dan adviseert de bijzondere curator om het algemene uitgangspunt te volgen dat de erkenning in het belang van het kind is en dus het verzoek van de man toe te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij de verwekker van [de minderjarige] is onvoldoende heeft onderbouwd. Dit had wel van hem mogen worden verwacht. De bewijslast rust op de man en in redelijkheid mag worden verwacht dat als de man inderdaad jarenlang een relatie met de moeder heeft gehad, hij de verwekker is van [de minderjarige] en in de eerste jaren van [de minderjarige] ’s leven veel contact met hem heeft gehad, hij dat met bewijsstukken nader kan onderbouwen. De man is daarop door de bijzondere curator ook uitdrukkelijk gewezen – onder vermelding van concrete suggesties voor het soort stukken waarmee de man het verwekkerschap aannemelijk zou kunnen maken – en heeft vervolgens meer dan een half jaar de tijd gehad om nadere stukken te verzamelen en in te dienen, maar heeft dat nagelaten. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken ook geen aanleiding om een DNA-onderzoek te gelasten. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] af.

Gezag

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Gelet op deze wetsbepaling moet de man [de minderjarige] eerst hebben erkend, voordat hij samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] kan worden belast. Met ‘ouder’ wordt namelijk de juridisch ouder bedoeld en niet de verwekker. Omdat de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] afwijst, wordt hij niet de juridische vader van [de minderjarige] . Daarom kan hij niet verzoeken om het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Omgangsregeling

Op grond van artikel 1:377a lid 2 BW kan een omgangsregeling tussen een kind en de verwekker die het kind niet heeft erkend worden vastgesteld, als sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de man de verwekker van [de minderjarige] is. De rechtbank is verder van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [de minderjarige] . Hij heeft ter zitting weliswaar vijf foto’s laten zien waarop hij samen met [de minderjarige] staat, maar daaruit blijkt niet meer dan dat hij [de minderjarige] enkele keren heeft gezien. Dat is niet genoeg om te kunnen concluderen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [de minderjarige] . Daarom verklaart de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen.

Informatieregeling

Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Hierbij wordt met ‘ouder’ bedoeld diegene die de juridische vader of moeder van het kind is. Het recht op informatie komt ook toe aan de biologische vader die het kind niet heeft erkend, maar die wel in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

De rechtbank overweegt dat de man niet de juridisch ouder is van [de minderjarige] en dat – zoals hiervoor is overwogen – ook niet aannemelijk is geworden dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de minderjarige] . Daarom verklaart de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een informatieregeling vast te stellen.

Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning af;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag, het vaststellen van een omgangsregeling en het vaststellen van een informatieregeling;

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 juli 2026.