ECLI:NL:RBDHA:2026:23796 Rechtbank Den Haag , 24-07-2026 / C/09/697369 / HA RK 26-15
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (Enkelvoudige Kamer), rekestnr. HA RK 26-15, zaaknr. C/09/697369, beschikking 24 juli 2026. Verzoeker, geboren in 2006 in [plaats], Syrië, vertegenwoordigd door mr. F. Engelbertink (Amsterdam), verzocht bij schriftelijk verzoek d.d. 8 januari 2026 om vaststelling van staatloosheid. Als belanghebbende trad op de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst), vertegenwoordigd door mr. S. Deniz. De rechtbank (mr. A.P. de Klerk, griffier mr. S. Sluijmer) besloot schriftelijk nadat de Staat op 10 april 2026 had geadviseerd het verzoek toe te wijzen; partijen gingen akkoord met het achterwege laten van een mondelinge behandeling.
Feiten: verzoeker is Palestijnse afkomst en heeft zijn gehele leven in Syrië gewoond. Zijn moeder ([naam], geb. 1985), Syrisch staatsgenote, vroeg op 21 sept. 2021 asiel aan in Nederland; dit verzoek werd op 18 aug. 2022 ingewilligd. Op 1 sept. 2022 diende de moeder een nareis-aanvraag in voor onder meer verzoeker; op 10 nov. 2023 werd een machtiging voorlopig verblijf (mvv) verleend. Ouders reisden naar de Nederlandse ambassade in Teheran met Syrische reisdocumenten; die documenten werden daar ingenomen en mvv-stickers in de reisdocumenten geplakt. Met Syrische reisdocumenten reisde verzoeker naar Nederland. Op 4 jan. 2024 ontving verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning asiel (artikel 29 lid 2 Vreemdelingenwet 2000) als gezinslid van zijn moeder. Bureau Documenten van de IND heeft de volgende door verzoeker overgelegde documenten als echt beoordeeld: individueel uittreksel bevolkingsregister voor Palestijnen, geboorteakte, uittreksel familieregister voor Palestijnen en een UNRWA familieregistratiekaart.
Rechtsgrond en beoordeling: het verzoek is gebaseerd op artikel 2 Wvs (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, 7 juni 2023). De rechtbank verklaarde het verzoek ontvankelijk (verzoeker woont in Nederland en heeft onmiddellijk belang). Relevant voor de beoordeling waren de Palestijnse Gebieden en Syrië. De rechtbank achtte aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is op grond van de geauthenticeerde documenten.
Betrekking Palestijnse nationaliteit: Nederland erkent de staat Palestina niet (Ambtsbericht Palestijnse Gebieden april 2022; IND Werkinstructie WI 2020/19). Daardoor gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden voor Nederland als staatloos.
Betrekking Syrische nationaliteit: volgens de Syrische nationaliteitswet (decreet 276/1969) wordt nationaliteit vooral via een Syrische vader verkregen; doorgegeven via de moeder is slechts in specifieke omstandigheden mogelijk (geboorte in Syrië en vader heeft het kind niet erkend). Die situaties zijn hier niet aannemelijk. Tevens geldt op grond van de Werkinstructie dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Conclusie en besluit: de rechtbank acht niet komen vast te staan dat enige staat verzoeker als onderdaan beschouwt en stelt daarom zijn staatloosheid vast. Beslissing: verzoeker is staatloos. Dispositie uitgesproken op 24 juli 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vaststelling staatloosheid. Relevante landen: Palestijnse Gebieden en Syrië
Uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 26-15 Zaaknummer: C/09/697369 Datum beschikking: 24 juli 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 8 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. S. Deniz.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het bericht van 10 april 2026 van de Staat, met bijlage;
- het bericht van 13 april 2026 van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
-
Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats], Syrië.
-
[de moeder], de moeder van verzoeker, geboren op [geboortedatum 2] 1985 en van Syrische nationaliteit, heeft op 21 september 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 18 augustus 2022 is haar asielaanvraag ingewilligd.
-
De moeder van verzoeker heeft op 1 september 2022 een nareis-aanvraag ingediend voor (onder meer) verzoeker. Op 10 november 2023 is de machtiging voorlopig verblijf (mvv) ingewilligd.
-
De ouders zijn vervolgens naar de ambassade in Teheran, Iran afgereisd voor de afgifte van de mvv. Hiervoor is gebruik gemaakt van Syrische reisdocumenten. Bij de ambassade in Teheran zijn de Syrische reisdocumenten ingenomen en zijn vervolgens de mvv stickers (visumsticker, type D) in de reisdocumenten geplakt. Met Syrische reisdocumenten is verzoeker naar Nederland gereisd.
-
Op 4 januari 2024 is op grond van artikel 29 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 aan verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als gezinsleden van de moeder van verzoeker.
-
Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, door Bureau Documenten van de IND onderzocht en echt bevonden:
-
een individueel uittreksel bevolkingsregister voor Palestijnen van verzoeker, afgegeven door de Syrische autoriteiten;
-
een uittreksel uit het geboorteregister (geboorteakte) van verzoeker, afgegeven door de Syrische autoriteiten;
-
een uittreksel familieregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten;
-
een UNRWA familieregistratiekaart.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Verzoeker stelt dat hij van Palestijnse afkomst is en dat hij tot aan zijn vertrek naar Nederland zijn hele leven in Syrië heeft gewoond. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – waarvan de echtheid positief is beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover hij de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende. Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ van mei 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van beide situaties is in dit geval geen sprake, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen. Uit de Werkinstructie volgt verder dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de Syrische nationaliteit.
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.