ECLI:NL:RBDHA:2025:26743 Rechtbank Den Haag , 19-12-2025 / C/09/683415 / HA RK 25-176
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnr. HA RK 25-176, zaaknr. C/09/683415, beschikking 19 december 2025. Verzoeker (geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], Syrië) verzoekt om vaststelling van staatloosheid. Verzoeker woont in Nederland en wordt bijgestaan door mr. W. de Vilder te Beek. Belanghebbende: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, IND), vertegenwoordigd door mr. C. Wesenbeek. Beslissing gegeven door mr. A. Emmens; griffier mr. N.C. Gantenbein.
Procedure: verzoekschrift binnen op 8 april 2025; rechtbank nam kennis van het dossier en meerdere schriftelijke stukken van partijen (brieven van de Staat en verzoeker). De Staat adviseerde toewijzing van het verzoek; omdat dat overeenkwam met het verzoek heeft de rechtbank zonder mondelinge behandeling beslist (partijen stemden hiermee in).
Feiten vastgesteld door de rechtbank: verzoeker is van Palestijnse afkomst en in januari 2022 uit Syrië via Turkije naar Griekenland gevlucht; hij is op 5 september 2022 Nederland binnengekomen. Aan hem is een verblijfsvergunning asiel verleend voor de periode 14 september 2022–14 september 2027. Hij overlegt door de IND als echt beoordeelde documenten: UNRWA-familieregistratiekaart, individueel uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen (GAPAR) uit Syrië en een origineel Syrisch reisdocument voor Palestijnen. Verzoeker trouwde in 2023 met een vrouw met de Syrische nationaliteit.
Juridisch kader en ontvankelijkheid: het verzoek is gebaseerd op art. 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (7 juni 2023). De rechtbank oordeelt dat verzoeker woonplaats/gewone verblijfplaats in Nederland heeft en onmiddellijk belang heeft, zodat hij ontvankelijk is. Volgens art. 2 lid 2 stelt de rechtbank staatloosheid vast indien niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd.
Beoordeling ten aanzien van relevante staten: de rechtbank betrekt de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling (Turkije en Griekenland niet relevant wegens kort verblijf; de Staat evenmin als relevant land).
Palestijnse nationaliteit: op grond van de door verzoeker overgelegde en door de IND geverifieerde documenten kan redelijk worden aangenomen dat hij van Palestijnse afkomst is. Nederland erkent de staat Palestina niet (vermeld: Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden april 2022 en de IND Werkinstructie SUA WI 2020/19). Daarom worden personen met (veronderstelde) Palestijnse nationaliteit vanuit Nederlands recht als staatloos aangemerkt.
Syrische nationaliteit: volgens Syrisch recht (decreet 276/1969; zie Algemeen Ambtsbericht Syrië, mei 2022) wordt nationaliteit onder meer doorgegeven via een Syrische vader; overdracht via de moeder is beperkt tot specifieke gevallen (o.a. geboorte in Syrië en gebrek aan erkenning door de vader). In dit dossier is onvoldoende gebleken van omstandigheden waaruit Syriës nationaliteitsrechtsgrondslag voor verzoeker volgt. Het feit dat verzoeker een Syrisch reisdocument voor Palestijnen bezit wijst erop dat de Syrische autoriteiten hem als Palestijn zonder Syrische nationaliteit beschouwen. De Werkinstructie van de IND vermeldt bovendien dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker de Syrische nationaliteit bezit.
Conclusie en beslissing: de rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat enige staat verzoeker, krachtens diens wetgeving, als onderdaan beschouwt. Gezien de bewijslast, de geverifieerde documenten en de relevante ambtsberichten/werkinstructies, wordt de staatloosheid van verzoeker vastgesteld. Beslissing: verzoeker is staatloos.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
vaststelling staatloosheid
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-176 Zaaknummer: C/09/683415 Datum beschikking: 19 december 2025
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W. de Vilder te Beek.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. C. Wesenbeek.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 18 juli 2025 van de staat;
- de brief van 5 september 2025 van verzoeker;
- de brief van 16 oktober 2025 van de staat;
- de brief van 17 oktober 2025 van verzoeker.
Verzoek en het advies van de Staat
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
-
Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , Syrië.
-
Verzoeker is in januari 2022 vanuit Syrië via Turkije naar Griekenland gevlucht.
-
Verzoeker is op 5 september 2022 Nederland ingereisd.
-
Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 14 september 2022 tot 14 september 2027.
-
Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
-
Familieregistratiekaart van UNWRA;
-
individueel uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen (GAPAR) uit Syrië;
-
origineel Syrisch reisdocument voor Palestijnen.
-
Verzoeker is op [datum] 2023 gehuwd met een vrouw met de Syrische nationaliteit.
Beoordeling
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn en in Syrië geboren is. Gelet op het korte verblijf van verzoeker in Turkije en Griekenland, zal de rechtbank deze landen, evenals de Staat, niet als relevante landen aanmerken.
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – kan redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen.
Verzoeker beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnen. Daaruit is af te leiden dat de Syrische overheid verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.