ECLI:NL:RBDHA:2026:22908 Rechtbank Den Haag , 16-07-2026 / C/09/696748 / HA RK 25-752
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking van 16 juli 2026 (rekestnr. HA RK 25-752, zaaknr. C/09/696748). Verzoekster (geboren 1953 te [geboorteplaats], [geboorteland]), woonachtig in Nederland, bijgestaan door mr. E. Bezem (advocaat, Amsterdam), verzocht vast te stellen dat zij sinds geboorte staatloos is. De Staat der Nederlanden — Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst — werd vertegenwoordigd door mr. K.A. van Iwaarden en heeft bij brief van 19 mei 2026 geadviseerd het verzoek toe te wijzen. Partijen gingen akkoord dat de rechtbank zonder mondelinge behandeling zou beslissen; de rechtbank nam daarnaast het e-mailbericht van verzoekster van 12 juni 2026 in het dossier op.
Feiten: verzoekster diende asielaanvragen in op 20 oktober 2017 en 30 juni 2020 (beide afgewezen). Zij verkreeg een verblijfsvergunning “tijdelijk humanitair verblijf” (16 nov. 2022) en later een verblijfsvergunning “voortgezet verblijf” (13 nov. 2025). Overgelegde identiteits- en statusdocumenten omvatten onder meer: geboorteakte van de Palestijnse Missie; verklaring van de Palestijnse Missie; twee verklaringen van Irak (Ministerie van Ontheemden en Migranten, Dienst voor Humanitaire zaken); documenten en identiteitskaarten voor Palestijnen; twee Palestijnse paspoorten (waarvan het paspoort van 10 maart 2013 door de Koninklijke Marechaussee als “goed” is aangemerkt); UNHCR Refugee Certificates en overige verklaringen en registers.
Juridisch kader: het verzoek is beoordeeld naar artikel 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (Wvs, 7 juni 2023). Ontvankelijkheid is gegeven nu verzoekster in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft. De rechtbank betrok de Palestijnse Gebieden, Irak en Turkije bij de beoordeling.
Beoordeling en motivering:
- Palestijnse nationaliteit: de Palestijnse Missie bevestigde dat verzoekster Palestijns is en de overgelegde Palestijnse documenten maken Palestijnse afkomst aannemelijk. Nederland erkent de staat Palestina niet; beleids- en werkinstructies (o.a. Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden en IND Werkinstructie WI 2020/19) leiden ertoe dat personen uit de Palestijnse gebieden voor Nederland doorgaans als staatloos worden beschouwd, tenzij een andere nationaliteit vaststaat.
- Iraakse nationaliteit: verzoekster verklaarde in Irak geboren te zijn, maar de Iraakse autoriteiten gaven aan dat zij niet de Iraakse nationaliteit bezit. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat verzoekster Iraaks onderdaan is.
- Turkse nationaliteit: verzoekster verbleef van 6 aug. 2014 tot okt. 2017 in Turkije. De Turkse wetgeving kent verkrijging door afstamming of bij geboorte op Turks grondgebied (laatste alleen indien anders staathloos). Voor naturalisatie is onder meer vijf jaar verblijf vereist; verzoekster voldoet hier niet aan. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat verzoekster Turks staatsburger is.
Conclusie: nu niet is gebleken dat verzoekster door enige staat als onderdaan wordt beschouwd, stelt de rechtbank haar staatloosheid vast op grond van art. 2 Wvs. De rechtbank zal na onherroepelijkheid een afschrift van de beschikking naar de woongemeente sturen. Verzoek tot veroordeling van de Staat in proceskosten wordt afgewezen.
Beslissing (kort): verzoek tot vaststelling staatloosheid toegewezen; overige verzoeken afgewezen. Beschikking gegeven door mr. A.P. de Klerk (rechter), bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein (griffier).
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vaststelling staatloosheid - relevante landen: Palestijnse gebieden, Irak en Turkije
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-752 Zaaknummer: C/09/696748 Datum beschikking: 16 juli 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 23 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster],
verzoekster, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E. Bezem in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 19 mei 2026 van de Staat;
- het e-mailbericht van 12 juni 2026 van de zijde van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoekster is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
-
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats], [geboorteland].
-
Verzoekster heeft op 20 oktober 2017 en op 30 juni 2020 asielaanvragen ingediend. Beide aanvragen zijn afgewezen.
-
Bij beschikking van 16 november 2022 is aan verzoekster een verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitaire verblijf’ verleend.
-
Bij beschikking van 13 november 2025 is aan verzoekster een verblijfsvergunning ‘voortgezet verblijf’ verleend.
-
Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten:
-
geboorteakte van de Palestijnse Missie;
-
verklaring van de Palestijnse Missie;
-
twee verklaringen Republiek Irak, Ministerie van Ontheemden en Migranten, Dienst voor Humanitaire zaken;
-
document voor Palestijnen;
-
identiteitskaart voor Palestijnen;
-
twee Palestijnse paspoorten;
-
gezinsboekje;
-
twee UNHCR Refugee Certificates;
-
UNHCR verklaring over asielaanvraag Turkije;
-
verklaring van woonplaats;
-
distributiekaart;
-
formulier voor de ontvangst van de identiteitskaart van de permanente commissie voor vluchtelingenzaken bij vertrek of terugkeer;
-
Palestijnse geboorteakte van [naam 1];
-
overlijdensakte van [naam 1];
-
document voor Palestijnen van [naam 2];
-
identiteitskaart voor Palestijnen van [naam 3].
-
Het Palestijns paspoort van 10 maart 2013 is ‘goed’ bevonden door de Koninklijke Marechaussee.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij sinds haar geboorte staatloos is, een dag en uur te bepalen waarop de behandeling van dit verzoek zal aanvangen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster toe te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank de Palestijnse Gebieden, Irak en Turkije bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Verzoekster geeft aan in Irak te zijn geboren en van Palestijnse afkomst te zijn. De Palestijnse Missie in Nederland heeft ook bevestigd dat verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft. Ook de Staat acht het aannemelijk dat verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft.
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten in onderlinge samenhang bezien is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Verzoekster voert aan in Irak te zijn geboren, maar dat zij niet de Iraakse nationaliteit bezit. De Iraakse autoriteiten hebben aangegeven dat verzoekster niet de Iraakse nationaliteit bezit.
Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster de Iraakse nationaliteit heeft.
Verzoekster geeft aan van 6 augustus 2014 tot oktober 2017 in Turkije te hebben verbleven.
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw). Eén van de voorwaarde is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Hier voldoet verzoekster niet aan.
De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat verzoekster de Turkse nationaliteit heeft.
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is;
wijst af het meer of anders verzochte.