Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:9223

ECLI:NL:RBAMS:2026:9223 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2026 / 13-017117-26
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Afdeling Publiekrecht, Teams Strafrecht) heeft op 15 september 2026 vonnis gewezen in de Ketchikan‑zaak tegen [verdachte] (geb. 1972), bijgestaan door mr. M. van Loon; de officieren van justitie waren mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg. De zaak werd inhoudelijk behandeld in maart/april 2026 en de sluiting vond plaats op 15 september 2026. De tenlastelegging, in hoofdlijnen: medeplegen van het opzettelijk vervaardigen/bewerken/aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode 7–18 december 2020, primair tenlastegelegd voor een drugslaboratorium in [plaatsnaam 1] (België).

Achtergrond: Ketchikan is een groot opsporingsonderzoek naar georganiseerde productie van methamfetamine. In het onderzoek werden op diverse locaties laboratoria ontmanteld; bij [plaatsnaam 1] troffen Belgische opsporingsdiensten in een loods productietenten, kookgerei, centrifuges, tonnen, diepvriezers en chemicaliën (o.a. aceton, natriumhydroxide, zoutzuur, wijnsteenzuur). Deskundigen rapporteerden dat circa 170 liter d/l‑methamfetamineolie deels was gescheiden tot ongeveer 85 liter d‑methamfetamineolie. Ook waren slaapplaatsen aangetroffen; [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] verbleven daar en verklaarden te zijn gebracht om te werken.

Bewijswaardering en identificatie: de rechtbank hanteerde het vereiste bewijsniveau “wettig en overtuigend”. Zij was terughoudend bij loutere stem- of bijnaamkoppelingen in afgeluisterde OVC‑gesprekken en gaf aan dat dergelijke koppelingen steun behoefden in andere bewijsmiddelen. Concreet achtte de rechtbank de observaties betrouwbaar waarin [verdachte] werd herkend: onder meer observaties van 8 oktober 2020 (Jeep met kenteken [kentekennummer 1] op zijn naam) en op 15 en 30 december 2020 rond een Audi A5 cabriolet (kenteken [kentekennummer 2]) die later bij zijn Rotterdamse GBA‑adres ([adres 1]) werd aangetroffen en in beslag genomen.

Betrokkenheid en strafrechtelijke kwalificatie: uit OVC‑gesprekken en ontmoetingen op 15 december 2020 bleek volgens de rechtbank dat [medeverdachte 5] na zijn vertrek uit [plaatsnaam 1] uitleg aan [verdachte] moest geven. Tijdens die bijeenkomst trad [verdachte] sturend op: hij sprak over geïnvesteerd geld, maande tot geduld en beval terugkeer om de werkzaamheden te voltooien. De rechtbank oordeelde dat dit sturende optreden meer is dan achteraf informeren of louter chauffeurswerk: het leverde een wezenlijke, van voldoende gewicht zijnde bijdrage aan de voortzetting van het laboratoriumproces. Daarmee werd [verdachte] als medepleger aangemerkt, samenwerkend met onder anderen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. De rechtbank verwierp echter de uitgebreidere stellingen van het OM dat [verdachte] de eigenaar, hoofdfinancier of uitvoerder van alle genoemde handelingen was.

Strafoplegging: bewezenverklaard is medeplegen van productie/bewerking van methamfetamine in [plaatsnaam 1] (7–18 december 2020). De rechtbank kwalificeerde het feit als ernstig (gevaar voor volksgezondheid, milieu en veiligheid). Zij hield rekening met het eerdere strafblad van [verdachte] (onder meer Opiumwetveroordelingen), met artikel 63 Sr (voorkoming dubbele bestraffing wegens andere reeds berechte feiten) en met aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn (aanleiding tot strafvermindering). Het OM had 44 maanden geëist; de rechtbank vond dat te hoog en, vóór termijnvermindering, een straf van 24 maanden passend. Vanwege de termijnoverschrijding werd de straf met vijf maanden verminderd. De opgelegde straf: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 19 maanden, met aftrek van reeds doorgebrachte tijd in verzekering en voorlopige hechtenis. Toepasselijke wettelijke grondslagen: art. 47 en 63 Sr en art. 2 en 10 Opiumwet.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:9213
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 96% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de Ketchikan‑zaak tegen [verdachte] (geb. 1984, zonder vaste woon- of verblijfplaats). Het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9216
Strafrecht
15-09-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1986, zonder vaste woonplaats). Het onderzoek maakte deel uit van het grootschalige onderzoek “Ketchikan”...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9214
Strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de hernieuwde Ketchikan-zaken (Ketchikan II) tegen [verdachte] (geboren 1982), bijgestaan door mr. G.N. Weski; de officieren...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9236
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer), Parketnummer 13-090094-25, vonnis uitgesproken 15 september 2026 in zaak tegen [verdachte] (geboren [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats], wonende [adres 1]). De zaak maakte deel uit van het onderzoeksproject “Ketchikan”;...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9215
Strafrecht
15-09-2026 93% soortgelijk
Verdachte [verdachte] (geb. 1990, zonder vaste verblijfplaats) stond terecht bij de rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) voor deel II van het onderzoek Ketchikan. Het onderzoek betrof een criminele samenwerkingsstructuur...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij een methamfetaminelaboratorium. Gevangenisstraf van 19 maanden.

Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-017117-26

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1972, wonende op het adres [woonadres] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Loon, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-011674-21), [medeverdachte 3] (13-012666-21), [medeverdachte 4] (13-059747-21), [medeverdachte 5] (13-222962-21), [medeverdachte 6] (13-222976-21), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:

primair: medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020 te Amsterdam en/of Amstelveen, en/of elders in Nederland en/of te [plaatsnaam 1] en/of elders in België,

subsidiair: het tezamen en in vereniging medeplichtig zijn aan het medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020, te Amsterdam en/of Amstelveen en/of elders in Nederland en/of te [plaatsnaam 1] en/of elders in België.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 1] (België) drugslaboratoria ontmanteld.

Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht een belangrijke rol als financier, coördinator en organisator bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] te hebben gehad.

Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).

4 Waardering van het bewijs

4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] had een belangrijke rol als financier, coördinator en organisator bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Hij beschikte, al dan niet met de groep waarmee hij samenwerkte, over het laboratorium en maakte gebruik van de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geregelde koks [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Uit de OVC-gesprekken, observaties en overige bevindingen volgt dat zij aan [verdachte] zijn overgedragen en dat [verdachte] de koks op verschillende momenten in december 2020 heeft vervoerd.

Zijn betrokkenheid blijkt daarnaast uit de ontmoetingen en gesprekken rondom de problemen die ontstonden bij het werken in het laboratorium. Daarbij gaat het onder meer om de overdracht en het vervoer van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , de gesprekken waarin [verdachte] als “ [bijnaam verdachte] ” naar voren komt, de ontmoetingen op 15 december 2020 en de bevindingen rond de geldoverdracht aan [medeverdachte 1] op 18 december 2020. In samenhang bezien volgt hieruit dat [verdachte] niet slechts een chauffeur was, maar een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het werken in het laboratorium in [plaatsnaam 1] om te kunnen spreken van medeplegen.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] is niet in het laboratorium in [plaatsnaam 1] aanwezig geweest en is niet betrokken geweest bij de daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Enkele ontmoetingen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en anderen zijn onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking bij het laboratorium aan te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat hij over het laboratorium beschikte, het laboratorium heeft laten inrichten of de financiering daarvoor heeft geregeld.

De koppeling met de aanduiding “ [bijnaam verdachte] ” is onvoldoende betrouwbaar. “ [bijnaam verdachte] ” is een algemene term en kan niet zonder meer aan [verdachte] worden gekoppeld. Dat geldt ook voor het gesprek van 13 december 2020, waarin zou zijn gezegd dat “ [bijnaam verdachte] ” de koks kwam ophalen. Er zijn geen aanknopingspunten dat [verdachte] op die datum contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] of [medeverdachte 6] , laat staan dat hij hen heeft opgehaald om hen naar België te brengen.

Ook de observaties en gesprekken van 15 december 2020 leveren onvoldoende bewijs op. [verdachte] is die dag wel gezien bij ontmoetingen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , maar onbekend is wat met hem is besproken. Uit die ontmoetingen kan niet worden afgeleid dat hij wist van het laboratorium in [plaatsnaam 1] of daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.

Ook de waarneming van een mogelijke geldoverdracht op 18 december 2020 kan niet als bewijs tegen [verdachte] dienen. De herkenning van [verdachte] is onvoldoende betrouwbaar en niet kan worden vastgesteld dat hij de persoon is die geld aan [medeverdachte 1] zou hebben overhandigd. Ook als van enig contact op die datum wordt uitgegaan, blijkt onvoldoende dat dit verband hield met het laboratorium in [plaatsnaam 1] of dat [verdachte] daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.

4.3. Oordeel van de rechtbank

Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.3.1. Algemene overweging

Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.

In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.

Uit de inhoud van de gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring van het aan [verdachte] tenlastegelegde feit te komen. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger of medeplichtige betrokken is bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] .

4.3.2. Identificatie [verdachte]

Voor zover [verdachte] in OVC-gesprekken als spreker wordt aangeduid of herkend, zal de rechtbank die koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Hetzelfde geldt voor zover het Openbaar Ministerie [verdachte] koppelt aan een bijnaam of aanduiding in de gesprekken. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de onderliggende bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt. De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.

[verdachte] komt volgens het dossier op 10 augustus 2020 in beeld bij een observatie in het onderzoek Matanuska. In het verdere verloop van het onderzoek komt hij opnieuw in beeld, onder meer bij een observatie op 8 oktober 2020 bij de [plaatsnaam 4] te Amsterdam.

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van [verdachte] voldoende betrouwbaar is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de observatie van 8 oktober 2020 een persoon is waargenomen die is herkend als [verdachte] en dat daarbij een Jeep met kenteken [kentekennummer 1] , die op zijn naam stond, is gezien. Daarnaast is [verdachte] op 15 december 2020 gezien bij een Audi A5 cabriolet met kenteken [kentekennummer 2] . Hij liep rond deze Audi en stapte vervolgens als bestuurder in. Bij een observatie op 30 december 2020 is opnieuw een ontmoeting waargenomen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een persoon die is herkend als [verdachte] . Dezelfde Audi stond daar geparkeerd en [verdachte] liep na de ontmoeting in de richting van deze Audi. De Audi is later aangetroffen en in beslag genomen bij de doorzoeking van het GBA-adres van [verdachte] aan de [adres 1] in Rotterdam.

De rechtbank stelt op grond van deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat [verdachte] de persoon is die in de genoemde observaties naar voren komt. Voor zover [verdachte] daarnaast wordt gekoppeld aan de inhoud van OVC-gesprekken, aan de aanduiding “ [bijnaam verdachte] ” of aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] , zal de rechtbank dat hierna bij de beoordeling van het tenlastegelegde feit bespreken.

4.3.3. Bewijsoverweging primair (ZD04)

4.3.3.1.Drugslab in [plaatsnaam 1]

Het laboratorium in [plaatsnaam 1] is aan het licht gekomen nadat [medeverdachte 5] op 17 december 2020 en [medeverdachte 6] op 18 december 2020 in de omgeving van dat laboratorium zijn aangetroffen. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij naar een plaats was gebracht waar hij moest werken, dat hij daar met anderen verbleef en dat hij uiteindelijk heeft kunnen ontsnappen. Hij heeft vervolgens de Belgische politie de locatie aangewezen. Op het terrein aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] , is daarna in een loods een synthetisch drugslaboratorium aangetroffen.

Uit het Belgische procesdossier volgt dat in de loods een productietent aanwezig was. Daarnaast zijn onder meer kookpotten, waskommen, maatbekers, maskers, filters, een centrifuge, koolstoffilters, tonnen, diepvriezers en chemicaliën aangetroffen, waaronder aceton, natriumhydroxide, zoutzuur en wijnsteenzuur. In een tweede tent zijn matrassen en slaapspullen aangetroffen.

Uit het proces-verbaal van de Clan Lab Response Unit volgt dat het aanwezige materiaal en de stoffen wezen op de scheiding van d- en l-methamfetamine en het (her)kristallisatieproces van methamfetamine-olie. Op het moment van de huiszoeking had het scheidingsproces al gedeeltelijk plaatsgevonden, maar het kristallisatieproces nog niet. Uit het deskundigenrapport van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie volgt dat grondstoffen, materialen, resten en afval van de scheiding van d- en l-methamfetamine zijn aangetroffen, waaronder d/l-methamfetamineolie, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, reactietonnen, centrifuges, l-methamfetaminetartraat en d-methamfetamineolie. Volgens de deskundige was ongeveer 170 liter d/l-methamfetamineolie gescheiden tot ongeveer 85 liter d-methamfetamineolie, die nog op de locatie aanwezig was.

De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] , een drugslaboratorium aanwezig was dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in dit laboratorium aanwezig zijn geweest. Uit de OVC-gesprekken van 13 december 2020 volgt dat [medeverdachte 1] hen naar de [adres 3] in Amstelveen heeft gebracht, waar zij zijn overgedragen aan de persoon die hen verder zou vervoeren. Op 14 december 2020 zegt [medeverdachte 1] dat de jongens al aan het “schilderen” zijn. In de OVC-gesprekken van 15 december 2020 vertelt [medeverdachte 5] vervolgens over hun verblijf in België, het laboratorium en de omstandigheden waaronder zij daar moesten verblijven. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de vaststelling dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] naar de locatie in [plaatsnaam 1] zijn gebracht om daar werkzaamheden in het laboratorium te verrichten.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarbij geldt dat de rechtbank niet zonder meer alle door de officier van justitie getrokken conclusies volgt. De officier van justitie heeft ten aanzien van dit feit in haar requisitoir op onderdelen grote stappen gezet en ook gesprekken aangehaald waarvan onvoldoende kan worden vastgesteld dat zij op het laboratorium in [plaatsnaam 1] betrekking hebben. De rechtbank zal bij haar beoordeling daarom uitgaan van de bewijsmiddelen die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks steun bieden voor betrokkenheid bij dit laboratorium.

4.3.3.2.Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaatsnaam 1]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 5] aan [plaatsnaam 1] kan worden gekoppeld en dat hij op 15 december 2020 bij [medeverdachte 1] kwam nadat hij de locatie had verlaten. In het gesprek met [medeverdachte 1] vertelt [medeverdachte 5] over de omstandigheden op de locatie, waaronder het verblijf in een caravan, de slechte omstandigheden, het ontbreken van materialen en het feit dat [medeverdachte 6] daar was achtergebleven. Uit de inhoud van dat gesprek volgt dat het gaat over het laboratorium in [plaatsnaam 1] .

Vervolgens bespreekt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] wat hij aan [verdachte] moet uitleggen. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 5] rustig moet blijven en alles rustig aan [verdachte] moet uitleggen. Daarna vindt een ontmoeting plaats met onder meer [verdachte] . [naam] is de voornaam van [verdachte] en [verdachte] wordt bij die ontmoeting ook gezien. De rechtbank leidt daaruit af dat [verdachte] de [verdachte] is waaraan [medeverdachte 5] uitleg moest geven.

Tijdens die ontmoeting wordt gesproken over de situatie die was ontstaan nadat [medeverdachte 5] was weggegaan. Uit de afgeluisterde inhoud blijkt dat [verdachte] niet slechts werd geïnformeerd, maar dat hij zich sturend opstelde ten aanzien van het voortzetten van de werkzaamheden. [verdachte] sprak over het door hen geïnvesteerde geld, over het niet erger maken en het elkaar moeten helpen, droeg [medeverdachte 5] op geduld te hebben en terug te gaan om de werkzaamheden af te maken. De strekking van het gesprek is dat [medeverdachte 5] verantwoording moest afleggen over zijn vertrek uit het laboratorium in [plaatsnaam 1] en dat hij de opdracht kreeg om terug te gaan omdat de werkzaamheden moesten worden voortgezet.

Daaruit volgt dat [verdachte] invloed had op de verdere gang van zaken. Daarmee beperkte zijn bijdrage zich niet tot het achteraf bespreken van de situatie, maar was deze concreet gericht op het voortzetten van de werkzaamheden in het laboratorium in [plaatsnaam 1] . De rechtbank hoeft daarbij niet vast te stellen dat het laboratorium van [verdachte] was of dat hij alle door het Openbaar Ministerie genoemde handelingen heeft verricht. Doorslaggevend is dat hij met zijn sturende optreden een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voortzetting van de werkzaamheden.

Deze bijdrage is van voldoende gewicht om [verdachte] als medepleger aan te merken. Hij heeft daarbij samengewerkt met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

4.3.3.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ZD04 in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte een belangrijke rol had als financier, coördinator en organisator en dat hij eerder is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder Opiumwetfeiten. De officier van justitie heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft geen afzonderlijk strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.1. Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaatsnaam 1] .

Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.

De bewezenverklaarde betrokkenheid van verdachte ziet op één laboratorium en op een relatief korte periode. Verdachte was niet zelf in het laboratorium aanwezig en heeft niet zelf de bewerkingshandelingen verricht. Dat neemt niet weg dat hij een wezenlijke rol had bij de gang van zaken rond het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Uit de bewezenverklaring volgt dat hij niet slechts toevallig aanwezig was bij ontmoetingen, maar dat hij een positie had waarin hij invloed had op het voortzetten van de werkzaamheden.

8.3.2. Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder Opiumwetfeiten. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met artikel 63 Sr. Verdachte is na de onderhavige feiten al veroordeeld voor andere feiten. De rechtbank moet daarom voorkomen dat verdachte zwaarder wordt gestraft dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht.

Verder houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 12 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.

8.3.3. Strafoplegging

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf vindt de rechtbank te hoog. Die eis gaat uit van een zwaardere rol van verdachte dan de rechtbank bewezen acht. De rechtbank acht bewezen dat verdachte als medepleger betrokken was bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] , maar volgt niet dat hij de eigenaar of financier van het laboratorium was of dat hij alle door het Openbaar Ministerie genoemde handelingen heeft verricht.

Rekening houdend met artikel 63 Sr en vóór toepassing van strafvermindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn, zou een gevangenisstraf van 24 maanden passend zijn. De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding deze straf te verminderen met vijf maanden.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, **[verdachte] **, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

[...]

[...]

[...]

[...]

7.1 [...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

14.20

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]