Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:9214

ECLI:NL:RBAMS:2026:9214 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2026 / 13-012666-21
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de hernieuwde Ketchikan-zaken (Ketchikan II) tegen [verdachte] (geboren 1982), bijgestaan door mr. G.N. Weski; de officieren van justitie waren mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg. De zaak werd gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met meerdere medeverdachten (onder meer [medeverdachte 1], [medeverdachte 9], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5]).

Procesverloop en vordering

  • Zittingen vonden plaats op 19, 20, 23, 27, 30 maart, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijk) en 15 september 2026 (sluiting).
  • Ten laste gelegd werden primair medeplegen van vervaardigen/bewerken/aanwezig hebben van circa 3,4 kg methamfetamine (30 nov–6 dec 2020) en subsidiair medeplichtigheid; feit 2 betrof medeplegen van voorbereidingshandelingen voor productie/handel (26 aug 2020–11 jan 2021) op andere locaties.

Vormverzuimen

  • De verdediging verwees naar onherstelbare vormverzuimen vastgesteld in het eerdere Matanuska-onderzoek (in de zaak tegen [medeverdachte 1]) en verzocht OM niet-ontvankelijk te verklaren.
  • De rechtbank oordeelde dat die vormverzuimen betrekking hadden op onderzoeken tegen [medeverdachte 1] en niet rechtstreeks tegen [verdachte]; er waren geen aanwijzingen dat de gebreken zijn doorgewerkt in het onderzoek tegen [verdachte] of zijn verdediging concreet hebben geschaad. Het verweer werd verworpen; het leidde niet tot bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid in zijn zaak.

Feiten en bewijswaardering

  • Op 6 dec 2020 werd op het perceel [adres 2] te [plaatsnaam 1] een professioneel ingericht drugslaboratorium aangetroffen: drie ruimtes, ventilatie met koolstoffilters en gaswassers, jerrycans en chemische grondstoffen (aceton, tolueen, caustic soda, wijnsteenzuur), klemdekselvaten, maatbekers e.d. NFI-onderzoek wees methamfetamine aan; in totaal circa 3,4 kg netto materiaal bevattende methamfetamine. LFO-constatering sprak van daadwerkelijke bewerking.

  • OM baseerde de zaak op onder meer OVC-opnames (afluisteringen), observaties, SkyECC-berichten en overige dossierbevindingen. Verdediging stelde dat die aanwijzingen niet concreet genoeg waren om [verdachte] als medepleger aan te merken en dat betalingen niet zijn aangetoond.

Identificatie en concrete koppeling

  • De rechtbank bevestigde identificatie: [verdachte] erkende gebruiker te zijn van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (NN03) die in observaties voorkwam; hij verklaarde contact te hebben gehad met [naam] (bestuurder van een VW Transporter).
  • Cruciale samenhang: OVC-gesprekken (3 dec 2020) waarin door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] over “[bijnaam]” en betaling van €5.000 werd gesproken, gekoppeld aan observaties op 4 dec 2020. Op die ochtend verscheen [verdachte] rond 10.20 u bij de woning van [medeverdachte 9] met een gevulde witte tas, nam contact met de Transporter-bestuurder [naam], waarna [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] instapten en via Zutphen werden doorgevoerd naar het perceel waar later het lab werd aangetroffen. Latere gesprekken (6 dec) bevestigden afspraken met “[bijnaam]” over inzet en duur van werkzaamheden.

Beoordeling van medeplichtigheid/medeplegen

  • De rechtbank concludeerde dat [verdachte] niet als totale financier van het lab is aangetoond, maar wél dat hij de noodzakelijke betaling verrichtte voor het inzetten van de koks, contact regelde met het vervoer en daarmee de start en voortzetting van de werkzaamheden mogelijk maakte. Die bijdrage was van voldoende gewicht voor medeplegen. Hij werkte onder meer samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 9], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5].

Vrijspraak betreffende feit 2

  • Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen voor andere, niet aangetroffen locaties (feit 2) vond de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen die buiten redelijke twijfel wijzen op handelingen voor andere locaties dan de drie bekende laboratoria. SkyECC/cryptotelefoongebruik en algemene gesprekken waren niet voldoende specifiek. Feit 2 werd vrijgesproken.

Uitspraak en strafmotivering

  • De rechtbank verklaarde bewezen dat [verdachte] als medepleger betrokken was bij het vervaardigen/bewerken/aanwezig hebben van circa 3,4 kg methamfetamine in [plaatsnaam 1] (feit 1 primair). Feit 2 werd niet bewezen.
  • Aard en ernst van het feit: productie van methamfetamine is zeer gevaarlijk (milieu-, gezondheids- en veiligheidsrisico’s); [verdachte] had een wezenlijke, zij het niet volledige financierende/organiserende, rol.
  • Strafverzwarend: eerdere veroordelingen (waaronder Opiumwetfeiten). Strafverminderend: toepassing artikel 63 Sr (gelijktijdige berechting), persoonlijke omstandigheden (gezin, werk) en aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn (inverzekeringstelling 14 jan 2021; vonnis 15 sept 2026).
  • OM had 6 jaar geëist; rechtbank vond dat te hoog (OM ging uit van beide bewezen feiten en zwaardere rol). De rechtbank achtte een gevangenisstraf van 24 maanden passend, maar verlaagde die met 5 maanden wegens redelijke termijnoverschrijding.

Beslissing

  • OM is ontvankelijk verklaard.
  • Vrijspraak voor feit 2; bewezenverklaring van feit 1 (medeplegen van handelen in strijd met artikel 2 onder B en D Opiumwet).
  • Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 19 maanden, met vermindering voor tijd in verzekering en voorlopige hechtenis. Toepasselijke wettelijke grondslagen: artikelen 47 en 63 Sr en artikelen 2 en 10 Opiumwet.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:9236
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer), Parketnummer 13-090094-25, vonnis uitgesproken 15 september 2026 in zaak tegen [verdachte] (geboren [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats], wonende [adres 1]). De zaak maakte deel uit van het onderzoeksproject “Ketchikan”;...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9216
Strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1986, zonder vaste woonplaats). Het onderzoek maakte deel uit van het grootschalige onderzoek “Ketchikan”...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9223
Strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Afdeling Publiekrecht, Teams Strafrecht) heeft op 15 september 2026 vonnis gewezen in de Ketchikan‑zaak tegen [verdachte] (geb. 1972), bijgestaan door mr. M. van Loon; de officieren van...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9211
Strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
Verdict-samenvatting (Rechtbank Amsterdam, 15 sept. 2026) Partijen en procedure Verdachte, geboren 1960 en woonachtig op [adres 1], werd vervolgd binnen het mega-onderzoek "Ketchikan" (parallel behandeld met tien medeverdachten). De zaak vloeide voort...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9213
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de Ketchikan‑zaak tegen [verdachte] (geb. 1984, zonder vaste woon- of verblijfplaats). Het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij een methamfetaminelaboratorium. Vrijspraak van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Gevangenisstraf van 19 maanden.

Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-012666-21

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, wonende op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-011674-21), [medeverdachte 3] (13-059747-21), [medeverdachte 4] (13-222962-21), [medeverdachte 5] (13-222976-21), [medeverdachte 6] (13-017117-26), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:

1. primair: medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaatsnaam 1] en/of elders in Nederland,

subsidiair: het tezamen en in vereniging medeplichtig zijn aan het medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaatsnaam 1] en/of elders in Nederland; 2. medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van (meth)amfetamine in de periode van 26 augustus 2020 tot en met 11 januari 2021 te Amsterdam en/of Leiden en/of [plaatsnaam 2] en/of Zeeland en/of elders in Nederland.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] (België) drugslaboratoria ontmanteld.

Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht als organisator en financier betrokken te zijn bij het loboratorium in [plaatsnaam 1] en bij voorbereidingshandelingen voor laboratoria op andere locaties.

Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).

4 Onherstelbare vormverzuimen

4.1. Vormverzuimen in de zaak [medeverdachte 1]

De rechtbank heeft in de zaak tegen [medeverdachte 1] vastgesteld dat in het onderzoek Matanuska sprake is geweest van meerdere onherstelbare vormverzuimen. Deze vormverzuimen hadden betrekking op de opsporing ten aanzien van [medeverdachte 1] . Het ging daarbij om stelselmatige observatie zonder bevel, actuele bevraging van parkeergegevens zonder machtiging van de rechter-commissaris, historische bevraging van parkeergegevens zonder aanvraag en tekortkomingen in de verslaglegging en controleerbaarheid van het onderzoek.

De rechtbank heeft in de zaak tegen [medeverdachte 1] geoordeeld dat deze vormverzuimen hebben doorgewerkt in de start van het onderzoek Ketchikan, omdat informatie uit Matanuska mede is gebruikt bij de onderbouwing van de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen in Ketchikan. In de zaak tegen [medeverdachte 1] heeft de rechtbank aan die vormverzuimen echter niet het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting verbonden. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat de vormverzuimen in die zaak tot strafvermindering moeten leiden.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gebreken in de start van het onderzoek Ketchikan ook gevolgen moeten hebben voor de zaak tegen [verdachte] . Volgens de verdediging hebben de in Ketchikan ingezette bijzondere opsporingsmiddelen, waaronder de OVC, grotendeels de basis gevormd voor de verdenking tegen [verdachte] . De verdediging heeft daarom verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat eventuele vormverzuimen in de zaak tegen [medeverdachte 1] geen gevolgen dienen te hebben in de zaak tegen [verdachte] omdat het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering alleen betrekking heeft op het eigen voorbereidend onderzoek. Voorts zijn eventuele vormverzuimen in de zaak tegen [medeverdachte 1] niet van bepalende invloed geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek tegen [verdachte] .

4.2. Geen rechtsgevolg in de zaak [verdachte]

De vastgestelde vormverzuimen hadden betrekking op onder meer de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen jegens [medeverdachte 1] in het onderzoek Matanuska. [verdachte] was op dat moment nog niet als verdachte in beeld en de opsporingshandelingen waren niet tegen hem gericht.

In de zaak tegen [verdachte] is niet gebleken van bijkomende omstandigheden die maken dat aan dezelfde vormverzuimen in zijn zaak wel het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting moet worden verbonden. Evenmin is gesteld noch gebleken dat [verdachte] door de vastgestelde vormverzuimen concreet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad of dat het gebruik van de bewijsmiddelen in zijn zaak onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces.

De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

5 Waardering van het bewijs

5.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] had een organiserende en financierende rol bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Hij zocht koks voor productielocaties en huurde die via [medeverdachte 9] in bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zijn betrokkenheid volgt uit de OVC-gesprekken, observaties, SkyECC-berichten en overige bevindingen over de samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Voor het laboratorium in [plaatsnaam 1] blijkt die betrokkenheid in het bijzonder uit de gesprekken van 2 en 3 december 2020 over “ [bijnaam] ” en de observatie van 4 december 2020. [verdachte] is toen gezien terwijl hij contact maakte met de bestuurder van de VW Transporter waarin [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] vervolgens stapten. Zij zijn daarna via Zutphen verder naar het laboratorium in [plaatsnaam 1] gebracht. [verdachte] betaalde voor de werkers, het hierheen halen van de koks en leefgeld. Zijn bijdrage was daarmee van voldoende gewicht voor medeplegen.

Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] onderhield contacten over het inzetten van koks, betalingen, locaties en materialen. Uit de SkyECC-berichten en de bevindingen over het gebruik van cryptotelefoons volgt dat hij zich bezighield met meerdere drugslocaties en sprak over aanzienlijke bedragen, investeringen en opbrengsten.

5.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair en subsidiair en van feit 2 en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

De betrokkenheid van [verdachte] bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] wordt te veel gebaseerd op OVC-gesprekken waarin anderen spreken over “ [bijnaam] ”, observaties bij de woning van [medeverdachte 9] en SkyECC-berichten. Daaruit volgt geen concrete betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] een concrete rol had bij het opzetten, financieren of uitvoeren van de werkzaamheden in dat laboratorium.

Voor zover in gesprekken over geldbedragen wordt gesproken, ontbreekt steunbewijs dat [verdachte] daadwerkelijk geld heeft betaald aan de in de tenlastelegging genoemde personen. Er zijn geen contante geldbedragen aangetroffen, er is geen overdracht waargenomen en de betreffende medeverdachten hebben niet verklaard dat [verdachte] geld heeft betaald. Bovendien blijkt niet wat de bestemming van eventuele geldbedragen was.

Ook het contact met [naam] levert geen bewijs op voor betrokkenheid bij [plaatsnaam 1] . [naam] heeft verklaard dat hij door een [nationaliteit] man is aangesproken en twee personen naar Zutphen heeft gebracht, niet naar het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Hij wist niets van die locatie. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [verdachte] vervoer naar het laboratorium heeft geregeld.

Voor medeplegen ontbreekt een bijdrage van voldoende gewicht. Ook als zou worden aangenomen dat [verdachte] enig geld beschikbaar heeft gesteld, blijkt niet met welk doel dat is gebeurd en kan een enkele financiële bijdrage niet zonder meer als medeplegen worden aangemerkt. Voor medeplichtigheid ontbreekt eveneens bewijs, omdat niet blijkt dat [verdachte] opzet had op het strafbare feit of dat hij de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen heeft verricht.

Ten aanzien van feit 2 zijn de verweten voorbereidingshandelingen onvoldoende concreet onderbouwd. De OVC-gesprekken, observaties en SkyECC-berichten kunnen niet specifiek worden gekoppeld aan de in de tenlastelegging genoemde locaties en bevorderingsmiddelen.

5.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt als volgt.

5.3.1. Algemene overweging

Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.

In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.

Uit de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten te komen. De rechtbank moet in deze zaak per feit beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger of medeplichtige betrokken is bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] en als medepleger bij de betreffende voorbereidings-handelingen.

5.3.2. Identificatie [verdachte]

Voor zover in het dossier gesprekken worden toegeschreven aan [verdachte] , zal de rechtbank die koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de onderliggende bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt. De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.

[verdachte] komt volgens het dossier op 26 augustus 2020 in beeld. Op die datum is bij een observatie een persoon waargenomen die gebruikmaakte van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] . Ook op latere momenten is deze Volkswagen Golf in het onderzoek gezien. De identificatie van [verdachte] als gebruiker van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] is door [verdachte] erkend. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de gebruiker van deze Volkswagen Golf was en dat hij op 4 december 2020 contact heeft gehad met [naam] . De rechtbank stelt daarom vast dat [verdachte] de persoon is die in de observaties als NN03 wordt aangeduid. Verder betrekt de rechtbank de bevindingen over het contact met [naam] , die in het dossier naar voren komt als de bestuurder van de Volkswagen Transporter waarmee [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op 4 december 2020 zijn vervoerd. De rechtbank zal hierna ingaan op de betekenis van deze bevindingen.

5.3.3. Bewijsoverweging feit 1 (ZD02)

5.3.3.1.Drugslab in [plaatsnaam 1]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [adres 2] dan wel [adres 3] te [plaatsnaam 1] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.

In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.

Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaatsnaam 1] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] (mogelijk) voorkomt in gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] .

5.3.3.2.Beoordeling betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaatsnaam 1]

Die concrete bewijsmiddelen zijn er ten aanzien van [verdachte] . Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

De rechtbank stelt vast dat in de OVC-gesprekken van 3 december 2020 door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] wordt gesproken over “ [bijnaam] ”. Uit de inhoud van die gesprekken volgt dat de volgende dag met de werkzaamheden kon worden begonnen, maar dat daarvoor eerst geld aanwezig moest zijn. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 9] dat de jongens niet in de auto zullen stappen als het geld er niet is. Ook wordt gesproken over het feit dat “hij” zijn zin heeft gekregen, dat hij het geld moet komen brengen en dat dit de volgende ochtend om tien uur moet gebeuren. Later die avond zegt [medeverdachte 1] dat “ [bijnaam] ” de volgende dag wil beginnen, dat de jongens naar binnen moeten gaan om te werken en dat [bijnaam] daarvoor € 5.000,- zal geven.

De observaties van 4 december 2020 sluiten daarop aan. [verdachte] is die ochtend omstreeks 10.20 uur bij de woning van [medeverdachte 9] gezien, rond het tijdstip waarop volgens de voorafgaande gesprekken “ [bijnaam] ” zou komen. Hij had een gevulde witte tas bij zich en liep daarmee richting de achterzijde van de woning. Later kwam hij vanaf de achterzijde van de woning aanlopen, terwijl hij aan het bellen was en zoekend om zich heen keek. Toen een Volkswagen Transporter kwam aanrijden, maakte [verdachte] contact met de bestuurder. Vervolgens kwamen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] vanaf de achterzijde van de woning aanlopen en stapten zij in de Transporter.

De bestuurder van de Transporter, [naam] , heeft verklaard dat hij door de man met wie hij daar contact had, was gevraagd twee personen tegen betaling weg te brengen. Hij heeft de twee mannen naar Zutphen gebracht, waar zij door een ander voertuig werden opgehaald. Uit de observaties volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in Zutphen overstapten in een Mercedes-Benz Sprinter. Deze Sprinter reed vervolgens de oprit op van het perceel aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] , waar twee dagen later het drugslaboratorium is aangetroffen.

De rechtbank stelt op grond van deze samenhang vast dat [verdachte] degene is die in de gesprekken met “ [bijnaam] ” wordt bedoeld. Daarbij is van belang dat hij op het afgesproken tijdstip met een gevulde tas bij de woning van [medeverdachte 9] verscheen, contact maakte met de bestuurder van het voor de koks geregelde vervoer en dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] vervolgens daadwerkelijk instapten en via Zutphen naar [plaatsnaam 1] werden gebracht.

De rechtbank leidt hieruit eveneens af dat [verdachte] de betaling heeft verricht die volgens de voorafgaande gesprekken noodzakelijk was voordat de koks die daar zouden gaan werken, zouden instappen en naar de locatie zouden gaan. Zonder die betaling zouden “de jongens” volgens de OVC-gesprekken niet meegaan. Dat zij kort na de komst van [verdachte] en zijn contact met [naam] daadwerkelijk zijn ingestapt, toont aan dat aan die betalingsvoorwaarde was voldaan.

Daarbij komt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op 6 december 2020 spreken over de locatie, het voortzetten van het project en een met “ [bijnaam] ” gesloten afspraak. [medeverdachte 4] zegt dat met [bijnaam] was afgesproken dat zij tot januari zouden blijven werken. Ook wordt gesproken over een uitgevoerde test en over het voortzetten van de werkzaamheden. Dit gesprek ondersteunt dat [verdachte] niet slechts toevallig bij het vervoer aanwezig was, maar dat met hem afspraken waren gemaakt over de inzet en de duur van de werkzaamheden van de koks.

De rechtbank merkt [verdachte] niet aan als financier van het gehele laboratorium. Daarvoor is onvoldoende bewijs. Wel heeft hij de voor de inzet van de koks noodzakelijke betaling verricht, contact gemaakt met de bestuurder die hen vanaf de verzamelplaats vervoerde en daarmee mogelijk gemaakt dat zij naar het laboratorium in [plaatsnaam 1] gingen om daar te werken. Zijn bijdrage hield aldus rechtstreeks verband met het tewerkstellen van de personen die in het laboratorium zouden werken en was essentieel voor het aanvangen en voortzetten van de werkzaamheden.

Gelet op de betaling, zijn rol bij het vervoer en de met hem gemaakte afspraken over de inzet van de koks, heeft [verdachte] een wezenlijke bijdrage geleverd aan het drugslaboratorium in [plaatsnaam 1] . Die bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij het vervaardigen, bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine in het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Daarbij heeft hij samengewerkt met anderen, onder wie [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

5.3.3.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

5.3.4. Vrijspraak feit 2 (ZD05/ZD06)

5.3.4.1.Voorbereidingshandelingen voor andere productielocaties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen laboratoria ten laste te leggen.

De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan die in [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] en vervolgens of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 4] .

De rechtbank beoordeelt hierna of verdachte betrokken was bij de aan hem tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor een andere, niet aangetroffen productielocatie.

5.3.4.2.Beoordeling betrokkenheid verdachte bij voorbereidingshandelingen

Het dossier bevat sterke aanwijzingen dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode contacten had met personen die in het onderzoek Ketchikan naar voren komen en dat hij deelnam aan gesprekken of berichten over samenwerkingen, betalingen of locaties. Die aanwijzingen zijn echter onvoldoende concreet voor een bewezenverklaring. Voor zover [verdachte] in verband wordt gebracht met betalingen aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] , kan de rechtbank slechts betalingen vaststellen die verband houden met het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Die locatie valt volgens de toelichting van het Openbaar Ministerie echter buiten de grondslag van de tenlastelegging.

Het dossier bevat verder onvoldoende bewijs voor de vaststelling dat [verdachte] een locatie in [plaatsnaam 2] , Zeeland of elders heeft geregeld of ingericht ten behoeve van de productie van methamfetamine. Voor zover in het dossier wordt gesproken over een samenwerking met een groep uit [plaatsnaam 5] of over mogelijke locaties, blijft onvoldoende duidelijk waar die samenwerking precies op zag, welke concrete handelingen [verdachte] heeft verricht en of die handelingen betrekking hadden op een andere, niet aangetroffen productielocatie.

Het enkele voorhanden hebben of gebruikmaken van cryptotelefoons of cryptocommunicatie maakt dat niet anders. Daaruit volgt op zichzelf nog niet dat [verdachte] de in de tenlastelegging bedoelde voorbereidingshandelingen heeft verricht.

5.3.4.3. Conclusie

Feit 2 is niet bewezen. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. ZD02 in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad,

  • ( ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine, althans hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten en heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte een organiserende en financierende rol had en dat hij eerdere veroordelingen heeft voor Opiumwetfeiten. De officier van justitie heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit bij een eventuele bewezenverklaring rekening te houden met artikel 63 Sr, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn gezinssituatie en werk. Volgens de raadsman is de rol van verdachte door het Openbaar Ministerie te zwaar aangezet.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

9.3.1. Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaatsnaam 1] .

Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij een wezenlijke rol heeft gehad bij de productie van crystal meth in het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Zijn bijdrage bestond niet uit uitvoerende werkzaamheden in het laboratorium zelf, maar uit het mogelijk maken van de inzet van de koks en de werkzaamheden in het laboratorium.

Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, volgt uit het dossier niet dat verdachte de organiserende en financierende rol had die het Openbaar Ministerie hem heeft toegedicht. Hoewel in het dossier aanwijzingen zijn te vinden die verdachte in verband brengen met laboratoria op andere locaties, ziet de bewezenverklaring slechts op betrokkenheid van verdachte bij één laboratorium en op een relatief korte periode. Dit vormt dan ook de basis voor het bepalen van de straf.

9.3.2. Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder Opiumwetfeiten. De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met artikel 63 Sr. Verdachte is na de onderhavige feiten al veroordeeld voor andere feiten. De rechtbank moet daarom voorkomen dat verdachte zwaarder wordt gestraft dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht.

Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft een gezin en heeft aangevoerd dat hij werkt en bijdraagt aan het onderhoud van zijn gezin. Die omstandigheden wegen mee, maar maken niet dat kan worden volstaan met een straf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest.

Ook houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 14 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen en rechtvaardigt strafvermindering.

9.3.3. Strafoplegging

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf vindt de rechtbank te hoog. Die eis gaat uit van bewezenverklaring van beide feiten en van een zwaardere, bredere rol van verdachte dan de rechtbank bewezen acht. De rechtbank acht alleen zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] bewezen. Voor de voorbereidingshandelingen wordt verdachte vrijgesproken.

Rekening houdend met artikel 63 Sr zou vóór toepassing van strafvermindering wegens de redelijke termijn, een gevangenisstraf van 24 maanden passend zijn. De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding deze straf met vijf maanden te verminderen.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

[…] […]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

10.00 […]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het hier daadwerkelijk medeverdachte [medeverdachte 2] betreft.