ECLI:NL:RBAMS:2026:9216 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2026 / 13/222976-21
Samenvatting
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1986, zonder vaste woonplaats). Het onderzoek maakte deel uit van het grootschalige onderzoek “Ketchikan” naar georganiseerde productie en handel in methamfetamine; in totaal zijn elf verdachten gedagvaard. De zaak werd behandeld op zittingen in maart/april 2026 (inhoudelijk) en op 15 september 2026 (sluiting). De officier van justitie werd vertegenwoordigd door mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg; de raadsman van verdachte was mr. G.R. Stolk.
Ten laste lag in hoofdzaak:
- medeplegen van het vervaardigen/bewerken/verwerken en/of aanwezig hebben van circa 3,4 kg methamfetamine (periode 30 nov–6 dec 2020) – betrekking hebbend op een laboratorium op het perceel aan [adres 1] te [plaats] (ZD02); en
- medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van (meth)amfetamine in de periode 1 okt–29 nov 2020, zowel in Nederland als in Duitsland (ZD05/ZD06) — de tenlastelegging zag expliciet niet op de reeds aangetroffen laboratoria in [plaats], [plaats] en [plaats], maar op andere, niet-aangetroffen locaties.
Bevoegdheid/ontvankelijkheid: de verdediging voerde aan dat de rechtbank niet bevoegd zou zijn voor zover het verwijst naar handelingen in Duitsland. De rechtbank oordeelde dat dit geen bevoegdheidsprobleem (art. 348 Sv) oplevert maar een vraag van toepasselijkheid van Nederlandse strafwet; de officier van justitie werd ontvankelijk verklaard. De rechtbank verwierp de verweren dat Nederland geen rechtsmacht zou hebben omdat in de tenlastelegging Nederland als pleegplaats is genoemd en (mede)handelingen in Nederland bewezen konden worden.
Belangrijkste bewijs en waardering:
- Het dossier bevat observaties, afluisteringen (OVC-gesprekken) en technisch bewijs (NFI/LFO). In de schuur op [adres 1] werden professionele luchtbehandeling, klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen, gezichtsmaskers, jerrycans en zakken met chemicaliën (o.a. aceton, tolueen, caustic soda, wijnsteenzuur) aangetroffen. NFI bevestigde methamfetamine in het materiaal; ongeveer 3,4 kg netto was aanwezig. LFO-onderzoek van klemdekselvat, restanten base, aangebroken ethanol- en wijnsteenzuurverpakkingen wees op daadwerkelijke bewerking.
- Identificatie van [verdachte] berustte niet op alleen stemherkenning; de rechtbank eiste steun in andere bewijsmiddelen. De identiteit werd voldoende vastgesteld door herhaalde observaties en door het gebruik van zijn eigen bekende bijnaam (‘[bijnaam 1]’), die in de communicatie consistent op hem doelde en die hij zelf bevestigde.
- Feit 1 (laboratorium [plaats]): observaties op 3–4 december 2020 tonen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 5] door derden naar het perceel werd vervoerd; OVC-gesprekken op 3 en 4 dec bevestigen dat die verplaatsing en werkzaamheden waren afgesproken en dat er instructies werden gegeven tijdens vervoer. In samenhang met de vondst op 6 dec en de technische aanwijzingen concludeert de rechtbank dat [verdachte] als ‘kok’ werkzaamheden verrichtte die van voldoende gewicht waren voor medeplegen.
- Feit 2 (voorbereidingshandelingen, locatie in Duitsland): enkel voor een locatie in Duitsland vond de rechtbank voldoende onderscheidbare bewijzen buiten de aantoonbare Nederlandse laboratoria. Observatie op 27 nov 2020 liet zien dat [verdachte] met [medeverdachte 5] naar Duitsland reisde; gesprekken uit die periode betroffen vervoer, duur van werkzaamheden en een opsomming van benodigde chemicaliën en beschermingsmiddelen (bijv. kwik, maskers, pH-meters, methanol, caustische soda, wijnsteenzuur). Die feiten wezen volgens de rechtbank op concrete voorbereidingshandelingen en inhoudelijke betrokkenheid van [verdachte].
Verwerping verdediging: de rechtbank verwierp dat gebrek aan DNA, het feit dat verdachte niet bij ontmanteling werd aangetroffen, of het ontbreken van stemherkenning op zichzelf bewijsproblemen creëerden. Ook oordeelde de rechtbank dat het aangetroffen materiaal wel degelijk wijst op bewerking van methamfetamine (niet louter halffabricaat) en dat de OVC-gesprekken in samenhang met observaties voldoende waren.
Bewezenverklaring en wettigheid: de rechtbank verklaarde feiten ZD02 en ZD05/ZD06 bewezen zoals geformuleerd; strafbaarheid volgde uit Opiumwet-artikelen (met name art. 2 en art. 10/10a) en Wetboek van Strafrecht (art. 47, 57, 63 Sr).
Strafmotivering en oplegging:
- OM eiste 54 maanden; verdediging vroeg veel lager (bijv. gelijk aan voorarrest).
- De rechtbank kwalificeerde de feiten als ernstig (gevaarlijke productiemethode, risico’s voor omgeving, rol van verdachte als uitvoerende ‘kok’) en hield rekening met eerder strafblad van verdachte. Tegelijk werd rekening gehouden met artikel 63 Sr omdat verdachte in België reeds is veroordeeld voor betrokkenheid bij hetzelfde Belgische dossier en met substantiële overschrijding van de redelijke termijn (in verzekering gesteld 19 aug 2021; uitspraak 15 sep 2026).
- Zonder termijnoverschrijding zou 30 maanden passend zijn geweest; wegens overschrijding werd dit met 6 maanden verminderd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van tijd in voorlopige hechtenis.
Besluit: OM ontvankelijk; bewezenverklaring van de twee genoemde feiten voor zover hierboven omschreven; verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf; tijd in verzekering/voorlopige hechtenis in mindering.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij een methamfetaminelaboratorium en voor voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Gevangenisstraf van 24 maanden.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-222976-21
Datum uitspraak: 15 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat de raadsman van verdachte, mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-011674-21), [medeverdachte 3] (13-012666-21), [medeverdachte 4] (13-059747-21), [medeverdachte 5] (13-222962-21), [medeverdachte 6] (13-017117-26), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.
2 Tenlastelegging
Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:
- medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaats] en/of elders in Nederland;
- medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van (meth)amfetamine in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 29 november 2020 te Amsterdam en/of [plaats] en/of elders in Nederland, en/of in Duitsland.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Inleiding
Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel
Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht dat hij als ‘kok’ werkzaamheden heeft verricht in het laboratorium in [plaats] en betrokken is bij voorbereidingshandelingen voor laboratoria op andere locaties.
Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).
Voor zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaats] is [verdachte] in België vervolgd en veroordeeld.
4 Bevoegdheid rechtbank
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van feit 2, voor zover dat feit ziet op voorbereidingshandelingen met betrekking tot een mogelijke locatie in Duitsland.
De rechtbank stelt voorop dat dit verweer geen bevoegdheidsvraag opwerpt, maar een vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. Deze vraag moet worden beantwoord bij de vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bevoegdheidsvraag in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering beperkt zich tot de absolute of relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter binnen de Nederlandse rechterlijke organisatie en gaat niet over internationale jurisdictieverdeling.
De rechtbank is bevoegd om van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen, zowel absoluut als relatief.
5 Ontvankelijkheid officier van justitie
De vraag of de Nederlandse strafwet toepasselijk is, wordt beoordeeld op basis van de tenlastelegging. Als daarin Nederland als pleegplaats is opgenomen, dan is de Nederlandse strafwet toepasselijk.
Als, zoals hier het geval is, naast in Nederland ook buiten Nederland gelegen plaatsen als pleegplaats kunnen gelden, is op grond van artikel 2 Wetboek van Strafrecht vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Zie HR 30 september 1998, NJ 1998, 117.
Dat zou anders zijn indien blijkt dat niet bewezen kan worden dat het feit, zoals ten laste gelegd, (mede) in Nederland is begaan. In dat geval zou de grondslag van de tenlastelegging moeten worden verlaten en komt Nederland geen rechtsmacht toe. Uit de bewijsoverweging hierna zal blijken dat die omstandigheid zich hier niet voordoet.
De verweren van de verdediging worden verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
6 Waardering van het bewijs
6.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
[verdachte] was één van de koks die door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden ingezet voor de productie van methamfetamine. Zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaats] volgt uit de observaties van 4 december 2020 en de OVC-gesprekken waarin wordt gesproken over het werken in het laboratorium, de locatie, het doorgaan met het project en het gebruik van wijnsteenzuur.
In [plaats] is een drugslaboratorium aangetroffen met 3,4 kilogram methamfetamine. De bevindingen in het laboratorium, waaronder het klemdekselvat met restanten methamfetaminebase, de maatbeker, ethanol en wijnsteenzuur, wijzen op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat [verdachte] niet bij de ontmanteling in het laboratorium is aangetroffen, staat niet aan bewezenverklaring in de weg. De observaties en OVC-gesprekken tonen aan dat hij eerder bij het laboratorium is geweest en dat daar werkzaamheden zijn verricht.
Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte 5] deelgenomen aan besprekingen en werkzaamheden die in het bijzonder zagen op een locatie in Duitsland. Uit de OVC-gesprekken volgt dat werd gesproken over het werk, vervoer naar Duitsland, materialen, chemicaliën, beschermingsmiddelen en werkzaamheden die nodig waren voor de productie van methamfetamine.
6.2. Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2 en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van [plaats] kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] in het laboratorium aan de [adres 1] is geweest. Hij is daar niet aangehouden en er is geen DNA- of ander spoor van hem aangetroffen. Ook is niet controleerbaar vastgesteld dat de persoon die in de observaties wordt gezien [verdachte] is. Van stemherkenning in de relevante OVC-gesprekken is evenmin sprake.
Daarnaast blijkt uit de toestand waarin het laboratorium is aangetroffen dat nog geen sprake was van een werkend laboratorium waarin methamfetamine werd geproduceerd. De aangetroffen 3,4 kilogram lijkt eerder een elders gemaakt halffabricaat dat nog moest worden omgezet in crystal meth. Dat levert onvoldoende bewijs op voor het medeplegen van het vervaardigen, bereiden, bewerken of verwerken van methamfetamine in [plaats] .
Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen kan evenmin tot een bewezenverklaring worden gekomen. Voor zover het verwijt ziet op een mogelijke locatie in Duitsland, is onduidelijk of die locatie daadwerkelijk heeft bestaan en wat daar zou zijn gebeurd. De OVC-gesprekken kunnen niet betrouwbaar aan [verdachte] worden gekoppeld en bieden daarvoor onvoldoende steun.
6.3. Oordeel van de rechtbank
Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
6.3.1.
Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.
In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.
Uit de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten te komen. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger betrokken is bij het laboratorium in [plaats] en bij de betreffende voorbereidingshandelingen.
6.3.2.
Voor zover [verdachte] in OVC-gesprekken als spreker wordt aangeduid of herkend, zal de rechtbank die koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de onderliggende bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt. De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.
[verdachte] komt volgens het dossier op 6 september 2020 in beeld. Op die datum is bij een observatie een persoon waargenomen die instapt in een voertuig van [medeverdachte 1] . In het verdere verloop van het onderzoek komt [verdachte] terug in observaties en in de context van gesprekken en ontmoetingen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .
De rechtbank is van oordeel dat de identiteit van [verdachte] voldoende kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verdachte] in de communicatie wordt aangeduid als ‘ [bijnaam 1] ’ en dat hij zelf heeft verklaard dat hij ‘de [bijnaam 1] ’ wordt genoemd. De rechtbank stelt daarom vast dat wanneer er wordt gesproken over of met ‘ [bijnaam 1] ’, [verdachte] wordt bedoeld.
6.3.3.
Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [adres 1] te [plaats] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [adres 1] te [plaats] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.
Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.
In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [adres 1] te [plaats] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.
Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaats] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] (mogelijk) voorkomt in gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaats] .
Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaats] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.
Op 3 december 2020 heeft [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] gesproken. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] dat hij [medeverdachte 5] de volgende dag om 11.00 uur zal ophalen. Ook wordt gesproken over de “ [bijnaam 1] ”, over “morgen werken” en over werken met “de [bijnaam 2] ”. Deze inhoud past bij het gereedmaken van [medeverdachte 5] en [verdachte] om de volgende dag werkzaamheden te verrichten.
Op 4 december 2020 zijn vervolgens observaties verricht bij de woning van [medeverdachte 9] aan de [adres 2] . Die ochtend is gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] uit de Mazda van [medeverdachte 1] stapten en richting de achterzijde van de woning van [medeverdachte 9] liepen. [medeverdachte 1] is daarna weer weggereden. Omstreeks 11.00 uur is gezien dat [medeverdachte 1] in [plaats] aankwam en dat [medeverdachte 5] bij hem instapte. Daarna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] naar de woning van [medeverdachte 9] gereden. In een OVC-gesprek op diezelfde dag zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 5] dat zij daarheen gaan, naar binnen gaan, iets doen en weer gaan, en dat dit ongeveer drie of vier uur zal duren.
Later die dag is gezien dat [medeverdachte 5] en [verdachte] vanaf de achterzijde van de woning van [medeverdachte 9] kwamen aanlopen en in een Volkswagen Transporter stapten. Die Transporter was gehuurd door [persoon] . [persoon] heeft verklaard dat hij op 4 december 2020 twee mannen heeft weggebracht. De Volkswagen Transporter is vervolgens in Zutphen gezien. Daar liepen de twee inzittenden naar een Mercedes-Benz Sprinter. Daarna is gezien dat die Sprinter de oprit van een boerderij aan de [adres 1] te [plaats] opreed.
De rechtbank stelt vast dat niet is gezien dat [medeverdachte 5] en [verdachte] uit de Sprinter zijn gestapt en het laboratorium zijn binnengegaan. Dat staat echter niet aan bewezenverklaring in de weg. De observaties moeten worden bezien in samenhang met de OVC-gesprekken. Daaruit volgt dat op 3 december 2020 werd gesproken over het ophalen van [medeverdachte 5] , het gaan werken en het beginnen met werken met ‘de [bijnaam 2] ’. Op 4 december 2020 zijn [medeverdachte 5] en [verdachte] vervolgens op het afgesproken tijdstip vanuit de woning van [medeverdachte 9] in [plaats] bij iemand in een voertuig gestapt en via Zutphen naar het perceel aan de [adres 1] gebracht. In het OVC-gesprek tijdens dat vervoer kreeg [medeverdachte 5] instructies over het bezoek aan de locatie, en over het doorgeven van de locatie en de duur van de werkzaamheden. Twee dagen later is juist op dat perceel een drugslaboratorium aangetroffen.
Daarbij komt dat [medeverdachte 1] op 6 december 2020 in de auto met [medeverdachte 5] en [verdachte] sprak over de locatie, het voortzetten van het project, een daar uitgevoerde test, een deal met “de [bijnaam 2] ” en de mogelijkheid om daar tot januari te blijven. Ook dat gesprek bevestigt dat [medeverdachte 5] en [verdachte] niet toevallig naar [plaats] zijn gebracht, maar dat zij naar die locatie zijn gebracht om daar werkzaamheden in verband met het laboratorium te verrichten.
De bijdrage van [verdachte] bestond dus uit het verrichten van werkzaamheden in het laboratorium, en daarmee op het laten draaien daarvan. Deze was dus van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken. Daarbij heeft hij samengewerkt met anderen, onder wie [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] .
Bewezen is dat [verdachte] het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.
6.3.4.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen laboratoria ten laste te leggen.
De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan de aangetroffen laboratoria en of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaats] , [plaats] en [plaats] . De rechtbank kan op basis van dit dossier alleen vaststellen dat er voorbereidings-handelingen zijn verricht met betrekking tot een locatie in Duitsland. De rechtbank beoordeelt hierna of [verdachte] daarbij betrokken was.
Voor zover in het dossier ook wordt gesproken over andere mogelijke locaties of samenwerkingen, kan uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet worden afgeleid welke handelingen door welke verdachte zijn verricht en of die handelingen betrekking hadden op een andere productielocatie dan de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] . Ook het enkele voorhanden hebben of gebruikmaken van cryptotelefoons is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte daarmee concrete voorbereidingshandelingen voor een specifiek ander laboratorium heeft verricht.
De betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen voor een locatie in Duitsland volgt uit de observatie van 27 november 2020 en de OVC-gesprekken waarin hij samen met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] spreekt over het werk en de benodigde materialen.
Op 26 november 2020 spreekt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 5] dat, als de man hem iets vraagt over het werk, hij moet zeggen dat hij alles weet behalve de laatste stap. Wanneer [medeverdachte 5] vraagt met wie zij gaan praten, zegt [medeverdachte 1] dat het gaat om “ [naam] ” en dat dit degene is die hen de volgende dag naar Duitsland gaat brengen. Later zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 5] dat hij hem om 03.30 uur zal ophalen en dat de betreffende persoon niet slechts chauffeur is, maar “het hoofd van de andere kant”. Hieruit volgt dat [medeverdachte 5] vooraf werd geïnformeerd over zijn inzet en over de persoon die betrokken was bij de locatie in Duitsland.
Op 27 november 2020 is geobserveerd dat [verdachte] samen met [medeverdachte 5] in de Mazda van [medeverdachte 1] zat. De Mazda is naar een tankstation aan de A73 gereden. Daar zijn [medeverdachte 5] en [verdachte] overgestapt in een Audi. Die Audi met daarin [verdachte] en [medeverdachte 5] is vervolgens richting Duitsland gereden. Deze observatie sluit aan bij de gesprekken waarin [medeverdachte 1] de dag daarvoor had gezegd dat zij naar Duitsland zouden worden gebracht.
In de Mazda is op 27 november 2020 gesproken over het gaan werken. [verdachte] vraagt of zij voor twee dagen gaan. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] zeggen dat het om vier of vijf uur gaat en dat zij daar niet blijven. [medeverdachte 1] zegt dat dezelfde chauffeur hen brengt en terugbrengt en dat zij met “100” gaan beginnen. Uit dit gesprek volgt dat [verdachte] wist dat hij naar een locatie werd gebracht om daar werkzaamheden te verrichten.
Later die dag bespreekt [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] welke stoffen en materialen ontbraken en wat nog nodig was om goed aan het werk te kunnen gaan. Daarbij worden onder meer kwik, industriële maskers, brillen, handschoenen, aluminium, digitale pH-meters, thermometers, methanol en caustische soda genoemd. Ook wordt gesproken over de olie, caustische soda, wijnsteenzuur, het reageren van de olie en het nodig hebben van goede maskers vanwege de scherpe lucht op de locatie.
Uit deze gesprekken volgt dat [verdachte] niet alleen naar Duitsland is gebracht, maar ook inhoudelijk betrokken was bij de uit te voeren werkzaamheden.
Dit alles is redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] samen met anderen betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de productie van methamfetamine op een andere locatie dan de laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] , namelijk een locatie in Duitsland. Zijn bijdrage bestond uit het deelnemen aan besprekingen over het werk, het zich laten vervoeren naar Duitsland om daar werkzaamheden te verrichten en het bespreken van de benodigde stoffen en materialen.
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] ook ten aanzien van andere locaties of andere onderdelen van de tenlastelegging voorbereidingshandelingen heeft verricht. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende en van de laboratoria in [plaats] , [plaats] en [plaats] te onderscheiden bewijsmiddelen.
Bewezen is dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan met betrekking tot een locatie in Duitsland.
7 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. ZD02 in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
- ( ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. ZD05, ZD06 in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 29 november 2020 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van methamfetamine en/of amfetamine zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,
- zich en een of meer anderen middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk daartoe
- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met [medeverdachte 1] ten behoeve van (het opstarten van) de productie van methamfetamine en/of amfetamine en
- op een locatie in Duitsland aanwezig geweest ten behoeve van de bereiding en/of vervaardiging van methamfetamine en/of amfetamine, vermeld op lijst I van de Opiumwet en
- hoeveelheden chemicaliën, waaronder aceton en monomytil en caustische soda en kookplaten en wijnsteenzuur voorhanden gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
8 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
9 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
10 Motivering van de straf
10.1. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte als belangrijke kok betrokken is geweest bij het laboratorium in [plaats] en bij voorbereidingshandelingen voor andere laboratoria, dat hij veel kennis had en die kennis aan anderen kon overdragen. Verder heeft de officier van justitie rekening gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte en in strafmatigende zin met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr.
10.2. Het strafmaatverweer van de verdediging
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is en daarbij gewezen op artikel 63 Sr en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman vindt een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijk strafdeel, passend.
10.3. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
10.3.1.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaats] . Daarnaast heeft hij voorbereidings-handelingen verricht voor de productie van methamfetamine op een andere locatie, namelijk in Duitsland.
Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.
Verdachte had een uitvoerende rol. Hij was een van de personen die als kok werden ingezet. Daarmee stond hij niet aan de organisatorische of financiële kant van de samenwerking, maar zijn bijdrage was wel essentieel voor de daadwerkelijke productie.
10.3.2.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met artikel 63 Sr. Verdachte is na de onderhavige feiten in België veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaats] . De rechtbank moet daarom voorkomen dat verdachte zwaarder wordt gestraft dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht.
Ook houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is in het kader van deze zaak op 19 augustus 2021 in Nederland in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.
10.3.3.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 54 maanden vindt de rechtbank te hoog. Die eis gaat uit van een ruimere bewezenverklaring van de voorbereidingshandelingen en doet onvoldoende recht aan de uitvoerende rol van verdachte. Rekening houdend met artikel 63 Sr en vóór toepassing van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn, zou een gevangenisstraf van 30 maanden passend zijn. De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding deze straf met 6 maanden te verminderen.
De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
12 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.