Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:9212

ECLI:NL:RBAMS:2026:9212 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2026 / 13/011674-21
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Ketchikan naar grootschalige productie en handel in methamfetamine. Tegen [verdachte] (geboren 1980) is door het Openbaar Ministerie vier feiten ten laste gelegd (medeplegen van vervaardiging/bewerking/aanwezigheid van (meth)amfetamine in diverse periodes/locaties en voorbereidingshandelingen). De rechtbank behandelde de zaak samen met zaken tegen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9].

Bevoegdheid/ontvankelijkheid De verdediging betwistte de rechtsmacht voor gedragingen buiten Nederland (onder meer België en Duitsland). De rechtbank oordeelde dat dit een materiële rechtsmachtvraag betreft die bij de ontvankelijkheid van het OM hoort en verklaarde de officier van justitie ontvankelijk: Nederland kan vervolgen omdat Nederland als (mede)pleegplaats in de tenlastelegging is opgenomen en uit het dossier zal blijken dat delen van de gedragingen in Nederland plaatsvonden.

Bewijsoverweging en identificatie De rechtbank formuleerde strenge eisen voor toeschrijving van stemmen in OVC-opnamen: stemherkenning moet steun vinden in andere bewijsstukken en is op zichzelf niet doorslaggevend, zeker niet indien uitgevoerd door een tolk zonder deskundigheid. Bij uitlegging volgt de rechtbank alleen conclusies die rechtstreeks door onderliggende bewijsmiddelen worden gedragen.

Feiten 1 en 2 (vrijspraak) Feit 1 (drugslab in sportschool te [plaats 1], 1 november 2020) en feit 2 (laboratorium op perceel [adres 3] te [plaats 1], 6 december 2020) zijn vrijgesproken. Redenen: weliswaar waren die locaties onomstotelijk laboratoria (LFO/NFI-rapporten tonen methamfetamine en productiematerialen), maar er ontbrak wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] een bijdrage van voldoende gewicht aan die specifieke laboratoria had geleverd. Geen forensische sporen, geen aantoonbare fysieke aanwezigheid en onvoldoende betrouwbare koppeling van hem aan relevante gesprekken (o.a. twijfel aan stemherkenning door tolk) maakten bewezenverklaring niet mogelijk.

Feit 3 (bewezen) Het onder 3 tenlastegelegde (periode 7–18 december 2020, drugslab te [plaats 1]) werd wel bewezen verklaard. Concretiserende bewijsmiddelen die de rechtbank doorslaggevend vond:

  • Observaties en een open OVC-opname van 14 december 2020 in een Mazda waarin [medeverdachte 1] en [verdachte] samen waren; op die opname zegt [medeverdachte 1] dat “de jongens al aan het ‘schilderen’ zijn” en [verdachte] reageert “godzijdank” — dit duidt volgens de rechtbank op bespreking van inzet van koks voor het lab.
  • Observatie van 15 december 2020: [verdachte] ontmoette [medeverdachte 6]; uit de gelijktijdig opgenomen OVC blijkt dat zij onder meer spraken over het naar binnen sturen van jongens, werkzaamheden, betalingen en [medeverdachte 5].
  • Verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (zowel hun detentie/ontsnappingsverklaringen als inhoud van gesprekken) en overige communicatie op een aan [verdachte] toegeschreven telefoon (o.a. navraag naar en regelen van een advocaat voor [medeverdachte 5]) tonen nauwe betrokkenheid bij de inzet van arbeiders, organisatorische en financiële zaken rond het laboratorium.
  • Contextuele factoren: verwijzingen in gesprekken dat iets niet tegen “[verdachte]” mocht worden gezegd omdat hij anders zou vermoorden, en uitspraken van [medeverdachte 1] over “wij als leiders” in relatie tot [verdachte].

Op grond van deze samenhangende feiten oordeelde de rechtbank dat [verdachte] een organiserende en sturende bijdrage had geleverd en daarmee als medepleger kon worden aangemerkt, samenwerkend met onder meer [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6].

Feit 4 (vrijspraak) De tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor andere, niet aangetroffen productielocaties werden niet bewezen verklaard. De rechtbank vond slechts aanwijzingen voor mogelijke handelingen met betrekking tot een locatie in Duitsland, maar onvoldoende concrete koppeling van die gesprekken en handelingen aan [verdachte] en onvoldoende concrete handelingen van zijn kant.

Strafoplegging De rechtbank beoordeelde ernst, rol en persoon van verdachte: methamfetamineproductie is ernstig, verdachte had een sturende rol maar geen centrale leiderstatus en had een eerdere onherroepelijke drugsveroordeling. De officier eiste 10 jaar (op basis van alle feiten); de rechtbank vond dat excessief nu slechts één feit bewezen is. Zonder redengevende overschrijding zou 24 maanden passend zijn geweest; wegens aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn werd dit verminderd tot 19 maanden gevangenisstraf. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht; de uitvoering van de straf is volledig onvoorwaardelijk totdat voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk wordt.

Beslissing OM ontvankelijk; vrijspraak voor feiten 1, 2 en 4; bewezenverklaring van feit 3 (medeplegen methamfetamineproductie te [plaats 1] in samenhang met genoemde medeverdachten); veroordeling tot 19 maanden gevangenisstraf.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:9236
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer), Parketnummer 13-090094-25, vonnis uitgesproken 15 september 2026 in zaak tegen [verdachte] (geboren [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats], wonende [adres 1]). De zaak maakte deel uit van het onderzoeksproject “Ketchikan”;...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9216
Strafrecht
15-09-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, Teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de zaak tegen [verdachte] (geb. 1986, zonder vaste woonplaats). Het onderzoek maakte deel uit van het grootschalige onderzoek “Ketchikan”...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9214
Strafrecht
15-09-2026 94% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de hernieuwde Ketchikan-zaken (Ketchikan II) tegen [verdachte] (geboren 1982), bijgestaan door mr. G.N. Weski; de officieren...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9213
Strafrecht > Europees strafrecht
15-09-2026 93% soortgelijk
De rechtbank Amsterdam (meervoudige kamer, afdeling Publiekrecht, teams Strafrecht) deed op 15 september 2026 vonnis in de Ketchikan‑zaak tegen [verdachte] (geb. 1984, zonder vaste woon- of verblijfplaats). Het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door...
ECLI:NL:RBAMS:2026:9211
Strafrecht
15-09-2026 93% soortgelijk
Verdict-samenvatting (Rechtbank Amsterdam, 15 sept. 2026) Partijen en procedure Verdachte, geboren 1960 en woonachtig op [adres 1], werd vervolgd binnen het mega-onderzoek "Ketchikan" (parallel behandeld met tien medeverdachten). De zaak vloeide voort...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij een methamfetaminelaboratorium. Vrijspraak van betrokkenheid bij andere methamfetaminelaboratoria en van voorbereidingshandelingen. Gevangenisstraf van 19 maanden.

Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-011674-21

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, gedetineerd in de [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-012666-21), [medeverdachte 3] (13-059747-21), [medeverdachte 4] (13-222962-21), [medeverdachte 5] (13-222976-21), [medeverdachte 6] (13-017117-26), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:

  • medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 1 november 2020 te [plaats 1] en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland;
  • medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of Spanje;
  • medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020 te [plaats 1] en/of elders in België en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of Spanje;
  • medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van (meth)amfetamine in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 11 januari 2021 te Amsterdam en/of Spaarnwoude en/of Terneuzen en/of elders in Nederland en/of in Duitsland en/of Spanje.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] (België) drugslaboratoria ontmanteld.

Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht dat hij als ‘hoofdkok’ een aansturende en bepalende rol in dit netwerk heeft gehad.

Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).

4 Bevoegdheid rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van feit 3, omdat het tenlastegelegde drugslaboratorium zich in [plaats 1] , België, bevond. Ook ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging, voor zover het zou gaan om gedragingen in Duitsland, de bevoegdheid van de rechtbank betwist.

De rechtbank stelt voorop dat dit verweer geen bevoegdheidsvraag opwerpt, maar een vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet. Deze vraag moet worden beantwoord bij de vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bevoegdheidsvraag in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering beperkt zich tot de absolute of relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter binnen de Nederlandse rechterlijke organisatie en gaat niet over internationale jurisdictieverdeling.

De rechtbank is bevoegd om van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen, zowel absoluut als relatief.

5 Ontvankelijkheid officier van justitie

De vraag of de Nederlandse strafwet toepasselijk is, wordt beoordeeld op basis van de tenlastelegging. Als daarin Nederland als pleegplaats is opgenomen, dan is de Nederlandse strafwet toepasselijk.

Als, zoals hier het geval is, naast in Nederland ook buiten Nederland gelegen plaatsen als pleegplaats kunnen gelden, is op grond van artikel 2 Wetboek van Strafrecht vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Zie HR 30 september 1998, NJ 1998, 117.

Dat zou anders zijn indien blijkt dat niet bewezen kan worden dat het feit, zoals ten laste gelegd, (mede) in Nederland is begaan. In dat geval zou de grondslag van de tenlastelegging moeten worden verlaten en komt Nederland geen rechtsmacht toe. Uit de bewijsoverweging hierna zal blijken dat die omstandigheid zich hier niet voordoet.

De verweren van de verdediging worden verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

6 Waardering van het bewijs

6.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] heeft zich gedurende de gehele onderzochte periode bezig gehouden met het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine. Hij had daarbij samen met [medeverdachte 1] een centrale en organiserende rol. Hij beschikte over kennis van het chemische productieproces, bracht die kennis als hoofdkok over op de koks die naar Nederland werden gehaald en had zeggenschap over de inzet van de koks. Uit de OVC-gesprekken, observaties, tapgesprekken, telefoonberichten en overige bevindingen volgt dat hij betrokken was bij het regelen van koks, vervoer en onderdak, het beoordelen van locaties, het bespreken van betalingen en het aansturen of begeleiden van werkzaamheden.

Zijn betrokkenheid bij de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] volgt uit de samenhang tussen de opgenomen gesprekken en de overige onderzoeksbevindingen. Daarbij gaat het onder meer om de gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , de rol van [verdachte] bij de inzet van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , de verklaring van [persoon 1] en de berichten en spraakberichten op de aan [verdachte] toegeschreven telefoon.

Voor [plaats 1] volgt de betrokkenheid van [verdachte] in het bijzonder uit de OVC-gesprekken en observaties rondom 14 en 15 december 2020, de communicatie over de jongens die aan het “schilderen” waren, de gesprekken waarin [medeverdachte 4] contact met “ [verdachte] ” en “ [naam 2] ” benoemt en de spraakberichten op de aan [verdachte] toegeschreven telefoon. Daarmee heeft [verdachte] niet slechts op afstand een rol gehad, maar een wezenlijke en sturende bijdrage geleverd.

Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] regelde samen met [medeverdachte 1] personen die als koks konden worden ingezet en besprak daarnaast locaties, vervoer, onderdak, instructies, betalingen, materialen en grondstoffen.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2, 3 en 4 en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

Het dossier wekt ten onrechte de indruk dat [verdachte] door zijn Mexicaanse afkomst, zijn contact met [medeverdachte 1] en de wijze waarop [medeverdachte 1] over hem sprak, een leidende rol had. Praten met, kennen van of genoemd worden door [medeverdachte 1] is onvoldoende voor medeplegen. [verdachte] is bovendien niet fysiek aan één van de laboratoria te koppelen. Er is nergens een DNA- of dactyloscopisch spoor van hem aangetroffen.

Voor [plaats 1] en [plaats 1] ontbreekt concreet bewijs voor betrokkenheid bij het opzetten, financieren, gebruiken of aansturen van die laboratoria. [verdachte] had geen contact met de Nederlandse personen die daarbij een rol zouden hebben gehad. Voor [plaats 1] geldt bovendien dat hij in de tenlastegelegde periode niet in Nederland was. De verklaring van [persoon 1] draagt onvoldoende bij aan het bewijs, omdat zij vooral verklaart op basis van wat zij van [medeverdachte 1] heeft gehoord.

Ook voor [plaats 1] ontbreekt een bijdrage van voldoende gewicht. Uit de uitlating van [medeverdachte 1] op 14 december 2020 dat de jongens al aan het “schilderen” waren, volgt nog geen nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en [verdachte] . Uit de gesprekken daarna kan evenmin worden afgeleid welke concrete rol [verdachte] heeft gehad. De identificatie, stemherkenning en koppeling van telefoons en bijnamen zijn onvoldoende betrouwbaar om dat anders te maken.

Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen ontbreekt eveneens concreet bewijs. Feit 4 is een verzamelfeit waarin losse onderdelen uit andere zaaksdossiers opnieuw worden opgevoerd. Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] personen heeft geworven, locaties heeft geregeld, materialen of grondstoffen voorhanden heeft gehad of betalingen heeft verricht zoals ten laste gelegd.

6.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 4 niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt als volgt.

6.3.1. Algemene overweging

Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.

In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.

Uit de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring van de aan [verdachte] tenlastegelegde feiten te komen.

De rechtbank moet in deze zaak per feit beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger betrokken is bij dat betreffende laboratorium en de betreffendevoorbereidingshandelingen.

6.3.2. Identificatie [verdachte]

De identificatie van personen die voorkomen in de OVC-opnamen, observaties en getapte gesprekken is door het Openbaar Ministerie gebaseerd op onder meer (stem)herkenningen, telefoongegevens en het gebruik van bijnamen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat bij het toeschrijven van stemmen op geluidsfragmenten aan personen terughoudendheid geboden is. Dat geldt temeer wanneer de stemherkenning niet is verricht door een stemdeskundige en waarbij uit het dossier niet valt op te maken op basis van welk vergelijkingsmateriaal de herkenning heeft plaatsgevonden.

Van belang is dus dat een stemherkenning steeds zal moeten worden beoordeeld in het licht van het overige bewijsmateriaal. De enkele vermelding bij de uitgewerkte gesprekken dat de stem van [verdachte] is herkend, is dus onvoldoende om hem als deelnemer aan dat gesprek aan te merken. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt.

Voor zover in het dossier gesprekken worden toegeschreven aan [verdachte] , zal de rechtbank de koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de (onderliggende) bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen.

De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank, voor zover van belang, per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.

[verdachte] komt volgens het dossier eind augustus 2020 in beeld. De rechtbank stelt vast dat hij kan worden geïdentificeerd als de persoon die is waargenomen bij de observatie van 31 augustus 2020. Ook stelt de rechtbank vast dat wanneer in de gesprekken wordt gesproken over of tegen ‘ [verdachte] ’, daarmee [verdachte] wordt bedoeld.

De stemherkenning waarop de officier van justitie zich mede beroept, is gebaseerd op een observatie van 4 september 2020, waarbij volgens de officier van justitie zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] zijn herkend. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen op grond waarvan [verdachte] bij die observatie als aanwezige persoon is geïdentificeerd. Daarmee ontbreekt een voldoende controleerbare grondslag voor de daarop gebaseerde stemherkenning. De rechtbank zal deze stemherkenning daarom niet betrekken bij het bewijs.

Verder geldt nog dat bij de aanhouding van [verdachte] op 12 januari 2021 in de woning aan het [adres 1] meerdere mobiele telefoons zijn aangetroffen en in beslag genomen. De rechtbank zal, voor zover van belang, bij de behandeling van het betreffende feit ingaan op de inhoud van de aan [verdachte] toegeschreven telefoon.

6.3.3. Vrijspraak feit 1 (ZD01)

6.3.3.1.Drugslab in [plaats 1]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 1 november 2020 omstreeks 13.00 uur onder de onderzoeksnaam Zwaluw binnengetreden in een sportschool aan de [adres 2] te [plaats 1] . In het pand zijn meerdere personen aangehouden, onder wie [persoon 2] . Achter een grote kast is de ingang naar een verborgen laboratorium aangetroffen.

Uit de bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) volgt dat de daar aangetroffen ruimten A en B, gelet op de hoeveelheid en soorten chemicaliën, de hoeveelheid en afmeting van de emballage en de overige aanwezige apparatuur, waren ingericht om te worden gebruikt als productielocatie voor de grootschalige vervaardiging van methamfetamine. Gelet op het aantreffen van minimaal 50 liter BMK zou ter plaatse vermoedelijk minimaal enige tientallen kilo’s methamfetamine kunnen worden vervaardigd. Uit het NFI-onderzoek naar de materialen die op 1 november 2020 op de locatie aan de [adres 2] in [plaats 1] zijn aangetroffen, volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. Daarnaast zijn verschillende grondstoffen voor de productie van amfetamine of methamfetamine aangetroffen. De rechtbank stelt daarom vast dat in de sportschool in [plaats 1] een drugslaboratorium aanwezig was dat was ingericht voor de grootschalige productie van methamfetamine en dat ook daadwerkelijk amfetamine is geproduceerd.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat, voor zover dat al kan worden vastgesteld, verdachte deelneemt aan gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, koks, betalingen of het opzetten van een laboratorium. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaats 1] .

6.3.3.2.Beoordeling betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 1]

Die bewijsmiddelen ontbreken ten aanzien van [verdachte] . In het dossier zijn geen bewijsmiddelen voorhanden die hem fysiek in of bij het laboratorium in [plaats 1] plaatsen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit laboratorium zou daarom moeten volgen uit de inhoud van afgeluisterde gesprekken in samenhang met observaties van ontmoetingen in de periode voorafgaand aan het aantreffen van het laboratorium.

Daarbij springt het afgeluisterde gesprek van 29 september 2020 (sessie 688) in het oog. Dat betreft een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [persoon 3] en [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] zegt in dat gesprek dat “[verdachte] en [medeverdachte 1] moeten beslissen of het een geschikte plek is”. De rechtbank brengt dat gesprek in verband met het laboratorium in [plaats 1] , omdat in dat gesprek tevens wordt gezegd dat “de vrouw van de sportschool heeft er een geheime plek” en verder gaat het gesprek over hoe lang het duurt om “een lab op te zetten”.

Toch is dit gesprek onvoldoende om vast te stellen dat [verdachte] ( [verdachte] ) daadwerkelijk een rol van enige betekenis heeft gehad bij de productie van methamfetamine in het laboratorium in [plaats 1] . Hij neemt immers zelf geen deel aan dit gesprek en er is in het dossier geen bewijsmiddel voorhanden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat [verdachte] inderdaad over die locatie heeft beslist. Ook overigens bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit volgt welke concrete handelingen [verdachte] met betrekking tot dit laboratorium zou hebben verricht.

Dat wordt niet anders door de gesprekken over iemand die zijn hand zou hebben verbrand en de foto die in de telefoon van [medeverdachte 8] is aangetroffen. Die aanwijzingen zijn opvallend, mede omdat [verdachte] littekens op zijn hand heeft. Er kan echter niet worden vastgesteld wanneer die foto is gemaakt. Ook kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de hand op de foto de hand van [verdachte] is, dat het letsel in de tenlastegelegde periode is ontstaan en dat dit letsel verband houdt met het laboratorium in [plaats 1] .

Tot slot geldt dat de rechtbank van de door de officier van justitie voor dit feit als belastend voor [verdachte] uitgelegde gesprekken niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat die gesprekken betrekking hadden op het laboratorium in [plaats 1] .

6.3.3.3.Conclusie

De rechtbank acht feit 1 niet bewezen. [verdachte] zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

6.3.4. Vrijspraak feit 2 (ZD02)

6.3.4.1.Drugslab in [plaats 1]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [adres 3] te [plaats 1] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [adres 3] te [plaats 1] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.

In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [adres 3] te [plaats 1] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.

Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaats 1] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] (mogelijk) voorkomt in gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaats 1] .

6.3.4.2.Beoordeling betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 1]

Die bewijsmiddelen ontbreken ten aanzien van [verdachte] . De betrokkenheid van [verdachte] bij het laboratorium in [plaats 1] zou in overwegende mate moeten blijken uit OVC-gesprekken waarin [medeverdachte 1] met een ander spreekt over het brengen van “ [bijnaam 3] ” naar “ [naam 3] ”, over de “ [bijnaam 1] ” die al daar is, over het geven van € 5.000,-, het houden van € 500,- en het laten werken van de jongens. Als zou kunnen worden vastgesteld dat [verdachte] aan die gesprekken heeft deelgenomen, zou daaruit kunnen volgen dat hij een rol had bij het aansturen van de koks en bij de verdeling van geld.

De rechtbank kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat [verdachte] degene is met wie [medeverdachte 1] deze gesprekken voert. De koppeling van [verdachte] aan deze gesprekken berust op stemherkenning door de tolk die de gesprekken heeft vertaald. Omdat een tolk geen deskundige is op het gebied van stemherkenning komt aan die herkenning geen doorslaggevende waarde toe, terwijl verder het dossier voor de koppeling van [verdachte] aan de gesprekken, onvoldoende steun biedt. Ook biedt de inhoud van het gesprek zelf onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de gesprekspartner [verdachte] is.

Daarnaast is er geen forensisch spoor, observatie of ander bewijsmiddel dat [verdachte] fysiek aan het laboratorium in [plaats 1] koppelt.

6.3.4.3.Conclusie

De rechtbank acht feit 2 niet bewezen. [verdachte] zal hiervan worden vrijgesproken.

6.3.5. Bewijsoverweging feit 3 (ZD04)

6.3.5.1.Drugslab in [plaats 1]

Het laboratorium in [plaats 1] is aan het licht gekomen nadat [medeverdachte 4] op 17 december 2020 en [medeverdachte 5] op 18 december 2020 in de omgeving van dat laboratorium zijn aangetroffen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij naar een plaats was gebracht waar hij moest werken, dat hij daar met anderen verbleef en dat hij uiteindelijk heeft kunnen ontsnappen. Hij heeft vervolgens de Belgische politie de locatie aangewezen. Op het terrein aan de [adres 4] , [plaats 1] , is daarna in een loods een synthetisch drugslaboratorium aangetroffen.

Uit het Belgische procesdossier volgt dat in de loods een productietent aanwezig was. Daarnaast zijn onder meer kookpotten, waskommen, maatbekers, maskers, filters, een centrifuge, koolstoffilters, tonnen, diepvriezers en chemicaliën aangetroffen, waaronder aceton, natriumhydroxide, zoutzuur en wijnsteenzuur. In een tweede tent zijn matrassen en slaapspullen aangetroffen.

Uit het proces-verbaal van de Clan Lab Response Unit volgt dat het aanwezige materiaal en de stoffen wezen op de scheiding van d- en l-methamfetamine en het (her)kristallisatieproces van methamfetamine-olie. Op het moment van de huiszoeking had het scheidingsproces al gedeeltelijk plaatsgevonden, maar het kristallisatieproces nog niet. Uit het deskundigenrapport van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie volgt dat grondstoffen, materialen, resten en afval van de scheiding van d- en l-methamfetamine zijn aangetroffen, waaronder d/l-methamfetamineolie, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, reactietonnen, centrifuges, l-methamfetaminetartraat en d-methamfetamineolie. Volgens de deskundige was ongeveer 170 liter d/l-methamfetamineolie gescheiden tot ongeveer 85 liter d-methamfetamineolie, die nog op de locatie aanwezig was.

De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat aan de [adres 4] , [plaats 1] , een drugslaboratorium aanwezig was dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in dit laboratorium aanwezig zijn geweest. Uit de OVC-gesprekken van 13 december 2020 volgt dat [medeverdachte 1] hen naar de [adres 5] in [plaats 2] heeft gebracht, waar zij zijn overgedragen aan de persoon die hen verder zou vervoeren. Op 14 december 2020 zegt [medeverdachte 1] dat de jongens al aan het “schilderen” zijn. In de OVC-gesprekken van 15 december 2020 vertelt [medeverdachte 4] vervolgens over hun verblijf in België, het laboratorium en de omstandigheden waaronder zij daar moesten verblijven. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de vaststelling dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar de locatie in [plaats 1] zijn gebracht om daar werkzaamheden in het laboratorium te verrichten.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarbij geldt dat de rechtbank niet zonder meer alle door de officier van justitie getrokken conclusies volgt. De officier van justitie heeft in het requisitoir bij dit feit op onderdelen grote stappen gezet en ook gesprekken aangehaald waarvan onvoldoende kan worden vastgesteld dat zij op het laboratorium in [plaats 1] betrekking hebben. De rechtbank zal bij haar beoordeling alleen uitgaan van de bewijsmiddelen die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks steun bieden voor betrokkenheid bij dit laboratorium.

6.3.5.2.Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 1]

De rechtbank beoordeelt de betrokkenheid van [verdachte] bij het laboratorium in [plaats 1] tegen de achtergrond van zijn contacten met [medeverdachte 1] en de overige concrete bevindingen in dit zaaksdossier. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de enkele omstandigheid dat [verdachte] vaak met [medeverdachte 1] optrok en in algemene zin in verband kan worden gebracht met gesprekken over laboratoria, niet voldoende is voor een bewezenverklaring. Er zijn echter concrete bewijsmiddelen die hem aan dit laboratorium en aan de inzet van de koks koppelen. De volgende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs.

Op 14 december 2020 is in de Mazda een gesprek opgenomen tussen twee personen. Uit de observatie van die dag volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich op dat moment samen in de auto bevonden. Op de opname zijn dus hun stemmen te horen. In het gesprek zegt [medeverdachte 1] dat de jongens al aan het “schilderen” zijn. [verdachte] reageert daarop met “godzijdank”. De rechtbank leidt uit de (verdere) inhoud en context van dit gesprek af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] spraken over de inzet van de koks voor werkzaamheden in verband met de productie van synthetische drugs.

Op 15 december 2020 heeft [verdachte] bovendien een ontmoeting gehad met [medeverdachte 6] . Uit de observatie volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] om 11.41 uur bij [medeverdachte 6] arriveerden, waarna [verdachte] en [medeverdachte 6] om 11.58 uur samen in de Audi van [medeverdachte 6] plaatsnamen. De gelijktijdig opgenomen open OVC kan daarom aan hen als gesprekspartners worden toegeschreven.

In dat gesprek spreken [verdachte] en [medeverdachte 6] onder meer over een jongen die al dan niet naar binnen zou gaan, het naar binnen sturen van de jongens die er al waren, werkzaamheden, betalingen en “ [medeverdachte 5] ”. [verdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte 5] ook wel [medeverdachte 5] noemde. Dit, bezien in samenhang met het feit dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op dat moment in [plaats 1] waren ingezet, de eerdere mededeling dat de jongens al aan het “schilderen” waren en de overige communicatie over de locatie, is redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] niet alleen op de hoogte was van de werkzaamheden, maar zich ook daadwerkelijk bemoeide met de inzet van de personen die in het laboratorium werkten en met de organisatorische en financiële gang van zaken daaromheen.

Die duiding vindt steun in wat daarna is gebeurd. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij in de nacht van 14 op 15 december 2020 op de locatie in [plaats 1] is aangekomen en daar moest werken. Toen hij op 15 december 2020 was weggegaan en met [medeverdachte 1] sprak, vertelde hij over België, over de caravan waarin hij verbleef, over de “ [bijnaam 2] ” en over de slechte omstandigheden op de locatie.

Verder is van belang dat in een later gesprek wordt gezegd dat iets niet tegen “ [verdachte] ” moet worden gezegd omdat hij hem anders zou vermoorden. In datzelfde verband spreekt [medeverdachte 1] over “wij als leiders”. Uit de context, waarin kort daarvoor over [verdachte] was gesproken, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] daarmee zichzelf en [verdachte] bedoelde.

Ook de inhoud van de aan [verdachte] toegeschreven telefoon ondersteunt zijn betrokkenheid. Uit het onderzoek aan die telefoon volgt dat [verdachte] na de ontmanteling van het laboratorium in [plaats 1] en de aanhouding van [medeverdachte 5] contact had over [medeverdachte 5] , zijnde de voornaam van [medeverdachte 5] . In dat gesprek wordt besproken dat [medeverdachte 5] niet te vinden is, dat [verdachte] niet weet of hij is opgesloten en dat hij zich zorgen om hem maakt. Een dag later blijkt dat [verdachte] heeft achterhaald dat [medeverdachte 5] is aangehouden en dat hij inmiddels een advocaat voor hem heeft geregeld. Deze communicatie past bij de omstandigheid dat dat [medeverdachte 5] bij [plaats 1] was weggegaan en ondersteunt dat [verdachte] niet op afstand stond van de gebeurtenissen rond het laboratorium, maar betrokken was bij de nasleep daarvan. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het telefoononderzoek volgt dat [verdachte] nauwgezet op de hoogte bleef van de gebeurtenissen rond [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] nadat zij het laboratorium hadden verlaten.

De rechtbank beziet deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verbindt daaraan de volgende conclusies. [verdachte] was niet slechts op de hoogte van de inzet van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Hij besprak met [medeverdachte 1] dat de jongens aan het werk waren, werd door [medeverdachte 4] benaderd toen problemen ontstonden en bemoeide zich in het gesprek met [medeverdachte 6] met de inzet van de jongens, de werkzaamheden en de betalingen. Ook na de ontmanteling van het laboratorium bleef hij nauw betrokken bij de gebeurtenissen rond [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat [verdachte] een organiserende en sturende bijdrage heeft geleverd aan de exploitatie van het laboratorium in [plaats 1] . Die bijdrage was van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken. Hij heeft daarbij samengewerkt met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

6.3.5.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan.

6.3.6. Vrijspraak feit 4 (ZD05/ZD06)

6.3.6.1.Voorbereidingshandelingen voor andere productielocaties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen, laboratoria ten laste te leggen.

De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan die in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] en vervolgens of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] .

De rechtbank kan op basis van het dossier alleen vaststellen dat er voorbereidings-handelingen zijn verricht met betrekking tot een locatie in Duitsland. Uit de gesprekken en observaties van 26 en 27 november 2020 volgt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] door [medeverdachte 1] zijn voorbereid op werkzaamheden, dat is gesproken over een persoon die hen naar Duitsland zou brengen en dat zij op 27 november 2020 daadwerkelijk vanuit de Mazda van [medeverdachte 1] zijn overgestapt in een Audi die vervolgens richting Duitsland is gereden. Daarna is gesproken over het werk dat daar zou worden verricht of was verricht, over ontbrekende chemicaliën en materialen en over de vraag welke vervolgstappen nodig waren.

Voor zover in het dossier ook wordt gesproken over andere mogelijke locaties of samenwerkingen, kan uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet worden afgeleid welke handelingen door welke verdachte zijn verricht en of die handelingen betrekking hadden op een andere productielocatie dan de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] . Ook het enkele voorhanden hebben of gebruikmaken van cryptotelefoons is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte daarmee concrete voorbereidingshandelingen voor een specifiek ander laboratorium heeft verricht.

De rechtbank beoordeelt hierna of verdachte betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor een productielocatie in Duitsland.

6.3.6.2.Beoordeling betrokkenheid verdachte bij voorbereidingshandelingen

Het Openbaar Ministerie ziet daarvoor bewijs in OVC-gesprekken waarin [verdachte] volgens de uitwerkingen of stemherkenningen als gesprekspartner wordt aangemerkt. Zoals hiervoor in de algemene overweging al is overwogen, is bij de koppeling van [verdachte] aan OVC-gesprekken terughoudendheid geboden. De rechtbank kan niet uitsluitend op basis van stemherkenning door de tolk of een aanduiding in een uitwerking aannemen dat [verdachte] aan een gesprek heeft deelgenomen. Daarvoor moet voldoende steun bestaan in andere bewijsmiddelen.

Die steun ontbreekt hier. Voor zover aan [verdachte] gesprekken kunnen worden toegeschreven over het regelen van koks, locaties, vervoer, materialen of grondstoffen voor andere laboratoria, kan de rechtbank op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat die gesprekken betrekking hadden op een andere productielocatie dan de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 1] en [plaats 1] .

Daarbij komt dat het dossier onvoldoende concreet maakt welke feitelijke handelingen [verdachte] zelf zou hebben verricht ten aanzien van de in de tenlastelegging bedoelde andere locaties. Het algemene beeld dat hij met [medeverdachte 1] samenwerkte en dat er gesprekken zijn gevoerd over laboratoria is daarvoor niet genoeg.

6.3.6.3. Conclusie

Feit 4 is niet bewezen. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

7 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

3. ZD04 in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte een aansturende en organiserende rol had bij de productie van methamfetamine, dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten en dat hij opnieuw verdachte is in een andere Opiumwetzaak. De officier van justitie heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr.

10.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij een eventuele bewezenverklaring een aanzienlijk lagere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Daartoe is aangevoerd dat de rol van verdachte niet gelijk kan worden gesteld aan die van [medeverdachte 1] , dat verdachte geen aansturende of organiserende rol had, geen ‘hoofdkok’ was en het productieproces niet aan anderen heeft geleerd. De raadsman vindt een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijk strafdeel, passend. Ook heeft de raadsman gewezen op artikel 63 Sr en op de positie van verdachte als buitenlander.

10.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

10.3.1. Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaats 1] .

Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.

Hoewel in het dossier aanwijzingen zijn te vinden die verdachte in verband brengen met verschillende laboratoria met veelal dezelfde medeverdachten, ziet de bewezenverklaring slechts op betrokkenheid van verdachte bij één laboratorium en op een relatief korte periode. Dit vormt dan ook de basis voor het bepalen van de straf. Tegelijkertijd is het feit gepleegd samen met anderen in een laboratorium waarin op aanzienlijke schaal methamfetamine werd bewerkt. Verdachte handelde niet alleen. Hij had contact met [medeverdachte 1] en met de koks en had een sturende rol bij de gang van zaken rond het laboratorium in [plaats 1] . Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, volgt uit het dossier niet dat hij de baas was van [medeverdachte 1] of dat hij de centrale leider was. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte veel geld met het feit heeft verdiend. Wel stelt de rechtbank vast dat verdachte meer was dan een uitvoerder. Hij had geen uitsluitend uitvoerende rol, maar oefende invloed uit op de inzet van de koks en op de organisatorische gang van zaken rond het laboratorium.

10.3.2. Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met artikel 63 Sr. Verdachte is na de onderhavige feiten al veroordeeld voor andere feiten. De rechtbank moet daarom voorkomen dat verdachte zwaarder wordt gestraft dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht.

Verder houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 12 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat verdachte als buitenlander geen recht zal hebben op voorwaardelijke invrijheidstelling, ziet de rechtbank daarin geen zelfstandige reden voor verdere strafvermindering.

10.3.3. Strafoplegging

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 10 jaren vindt de rechtbank veel te hoog. Die eis gaat uit van bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en van een centrale, leidende rol van verdachte. De rechtbank acht echter alleen het feit betreffende het laboratorium in [plaats 1] bewezen.

Rekening houdend met artikel 63 Sr zou vóór toepassing van strafvermindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf van 24 maanden passend zijn. Gelet op de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn vermindert de rechtbank deze straf tot 19 maanden.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.