ECLI:NL:HR:2026:746 Hoge Raad , 16-06-2026 / 24/04338
Samenvatting
Hoge Raad der Nederlanden, Strafkamer, nr. 24/04338, arrest van 16 juni 2026. Cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2024 (nr. 23-000635-24) in de strafzaak tegen [verdachte] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997).
Procesverloop: het beroep in cassatie is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft advocaten M.G. Cantarella en A.T.C. Castermans schriftelijk een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat‑generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling en motivering: de Hoge Raad heeft de door de verdachte aangevoerde klachten over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven, omdat het beantwoorden van de aangevoerde vragen volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie niet vereist was voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Met andere woorden: de klachten waren onvoldoende gegrond om cassatie‑succes te rechtvaardigen en deden geen vragen rijzen die nadere rechtsvorming of precedentschetsing op rijksniveau vereisen.
Beslissing en samenstelling: het beroep in cassatie wordt verworpen, zodat het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand blijft. Het arrest is gewezen door vice‑president M.J. Borgers (voorzitter) en raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juni 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Medeplegen verkopen van MDMA (art. 2.B Opiumwet), mishandeling (art. 300.1 Sr) en niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr). Aanhoudingsverzoek ttz. in hoger beroep door gemachtigde raadsvrouw gedaan op de grond dat zij niet weet of verdachte de zittingsdatum heeft onthouden en dat het haar die week niet is gelukt om contact met verdachte te krijgen, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging. Heeft hof in voldoende mate blijk gegeven van afweging van alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **24/04338
Datum16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2024, nummer 23-000635-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten M.G. Cantarella en A.T.C. Castermans bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van