ECLI:NL:GHARL:2026:5954 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-08-2026 / P26/145
Samenvatting
Het hof (kamer als bedoeld in art. 67 Rw) behandelde het hoger beroepen van [terbeschikkinggestelde] (geboren 1997, woonachtig [adres]) tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 februari 2026. Die uitspraak wees een verzoek tot aanhouding ten behoeve van onderzoek naar een zorgmachtiging af en verlengde de terbeschikkingstelling met voorwaarden (TBS) met één jaar. Tegen die verlenging had de verdediging op 3 maart 2026 beroep ingesteld. Ter zitting van 30 juli 2026 waren aanwezig de advocaat‑generaal mr. R.J.A. Segerink en de terbeschikkinggestelde bijgestaan door raadsman mr. N. Hannaart.
Overlegde bescheiden omvatten onder meer het proces‑verbaal van het eerste onderzoek, de bestreden rechtbankbeslissing, het beroep, het 8e voortgangsverslag van Reclassering Nederland (10‑3‑2026) en aanvullende informatie van de reclassering (16‑7‑2026). Ter zitting werd ook gehoord de advocaat‑generaal en de terbeschikkinggestelde.
Standpunten
- Verweerder (raadsman): verzocht de verlenging af te wijzen. Argumenten: de terbeschikkinggestelde heeft ziekte‑inzicht, beseft het belang van medicatie, werkt goed mee, zijn ouders zijn betrokken en weten wanneer zij moeten signaleren; reclassering schat recidiverisico als laag; behandeling kan vrijwillig worden voortgezet; vertrouwen is nodig.
- Openbaar Ministerie (advocaat‑generaal): primair bevestiging van de rechtbankbeslissing. Het OM volgt het advies van psychiater [naam] (17‑10‑2025): kortetermijnrecidiverisico laag, langetermijn matig, advies verlenging TBS met één jaar. Het OM gaf aan de voorkeur te hebben het traject tot februari af te maken om de vinger aan de pols te houden. Subsidiair vroeg het OM, indien verlenging wordt afgewezen, de terbeschikkinggestelde nadrukkelijk mee te geven dat hij en zijn netwerk tijdig moeten aanhaken.
Oordeel van het hof Het hof vernietigt de bestreden beslissing en wijst de vordering tot verlenging van de TBS af. Het hof overweegt concreet dat de veiligheid van derden en de algemene veiligheid niet langer een verlenging met voorwaarden rechtvaardigt. Het relevante aanvullende reclasseringsadvies van 16 juli 2026 toont volgens het hof dat zowel Reclassering Nederland als de Ambulante Forensische Psychiatrische Behandeling (AFPB) van oordeel zijn dat de gevaarrisico’s tot een laag niveau zijn teruggebracht. De terbeschikkinggestelde werkt goed mee aan AFPB, heeft ziekte‑inzicht, houdt zich aan medicatiebeleid, heeft betaald werk en daarmee dagstructuur en inkomen. Het netwerk is goed geïnformeerd over het signaleringsplan. Reclassering en AFPB achten voortzetting van behandeling mogelijk in een vrijwillig kader en adviseren geen verlenging.
Het hof concludeert dat de door de rechtbank geformuleerde doelen — met name het leren signaleren en het betrekken van ouders bij het signaleringsplan — voldoende zijn bereikt. De risicofactoren zijn zodanig teruggebracht dat beëindiging van de maatregel verantwoord is.
Beslissing
- Vernietiging van de beslissing van de rechtbank Midden‑Nederland d.d. 23 februari 2026 voor wat betreft [terbeschikkinggestelde].
- Afwijzing van de vordering van het Openbaar Ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.
Uitgesproken op 13 augustus 2026 door mr. O.G. Schuur (voorzitter), mr. M.J. Vos en mr. P.C. Vegter; raadslieden drs. J.L.M. Dinjens en drs. K.M. ten Brinck; griffier mr. M.E. Ruiter.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vernietiging van de beslissing van de rechtbank. Het hof wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.
Uitspraak
**TBS P26/145 **
Beslissing van 13 augustus 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 februari 2026. Deze beslissing houdt in de afwijzing van het verzoek tot aanhouding voor het doen onderzoeken van de mogelijkheid of een zorgmachtiging kan worden afgegeven en de verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden met een termijn van één jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van 3 maart 2026 waarbij namens de terbeschikkinggestelde beroep is ingesteld;
- het 8ste voortgangsverslag aan opdrachtgever van Reclassering Nederland van 10 maart 2026;
- de aanvullende informatie van de reclassering Nederland van 16 juli 2026.
Het hof heeft ter zitting van 30 juli 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. R.J.A. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Hannaart, advocaat te Almere.
Overwegingen
De raadsman heeft verzocht om de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af te wijzen. De terbeschikkinggestelde beschikt over ziekte-inzicht en beseft dat zijn medicatie belangrijk is. Zijn ouders zijn betrokken en weten wanneer zij aan de bel moeten trekken. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat. De hulpverlening kan in een vrijwillig kader plaatsvinden. Het is belangrijk dat de terbeschikkinggestelde vertrouwen wordt gegeven.
De advocaat-generaal heeft primair verzocht om de beslissing van de rechtbank te bevestigen. De advocaat-generaal volgt het advies van de psychiater [naam] van 17 oktober 2025 waarin het recidiverisico op de korte termijn wordt ingeschat als laag en op de lange termijn als matig en waarin wordt geadviseerd om de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. De advocaat-generaal ziet ook dat de terbeschikkingstelling ten einde loopt, maar volgens hem verdient het de voorkeur dat het traject wordt afgemaakt tot februari. Er kan dan een vinger aan de pols worden gehouden en gekeken worden of het traject zich goed zal blijven ontwikkelen.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal verzocht, om in het geval de vordering tot verlenging wordt afgewezen, de terbeschikkinggestelde mee te geven dat het belangrijk is dat de terbeschikkinggestelde en zijn netwerk aan de bel trekken als dat nodig is.
Het hof zal de beslissing waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt.
Het hof is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen inmiddels niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden vereist. De rechtbank oordeelde in de beslissing van 23 februari 2026 dat de terbeschikkinggestelde nog beter moet leren wanneer hij aan de bel moet trekken en dat met name de ouders goed op de hoogte moeten worden gebracht van het signaleringsplan en voegde daaraan wel toe dat de psychiater en de psycholoog menen dat die beide doelen mogelijk binnen een jaar kunnen worden bereikt.
Het hof neemt in aanmerking dat uit het aanvullend reclasseringsadvies van 16 juli 2026 blijkt dat zowel de reclassering als de Ambulante Forensische Psychiatrische Behandeling (AFPB) van mening zijn dat de gevaarrisico’s voldoende zijn teruggebracht en wel tot een laag risico. De terbeschikkinggestelde werkt goed mee aan de ambulante behandeling van de AFPB, heeft ziekte-inzicht, houdt zich aan het medicatiebeleid en heeft betaald werk, waardoor hij weer inkomen en een vaste dagstructuur heeft. Daarnaast is het netwerk van de terbeschikkinggestelde goed op de hoogte van het signaleringsplan. De reclassering en het AFPB zijn van mening dat de terbeschikkinggestelde inziet dat hij zelf ook belang heeft bij zijn behandeling en dat deze behandeling in een vrijwillig kader kan doorgaan. De reclassering adviseert dan ook om de terbeschikkingstelling niet te verlengen.
Ook het hof heeft mede in het licht van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen het vertrouwen dat de terbeschikkinggestelde steeds beter heeft geleerd wanneer hij aan de bel moeten trekken en dat zijn ouders op de hoogte zijn van en betrokken zijn bij het signaleringsplan. Bovendien kan het behandeltraject op vrijwillige basis worden voortgezet. Daarmee zijn de door de rechtbank genoemde doelen in voldoende mate bereikt.
De risicofactoren zijn aldus zodanig teruggebracht dat tot beëindiging van de maatregel kan worden overgegaan. Het hof zal daarom, met vernietiging van de beslissing waarvan beroep, de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de maatregel afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde,
Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.
Aldus gedaan door mr. O.G. Schuur, voorzitter, mr. M.J. Vos en mr. P.C. Vegter, raadsheren, en drs. J.L.M. Dinjens en drs. K.M. ten Brinck, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Ruiter, griffier, en op 13 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.