Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5668

ECLI:NL:GHARL:2026:5668 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 27-08-2026 / P26/126
Strafrecht > Penitentiair strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De Kamer van het hof (artikel 67 Rv) besloot op het beroep van [terbeschikkinggestelde], geboren in 1972 te [geboorteplaats], verblijvend in de Penitentiaire Inrichting [locatie P.I.], Justitieel Centrum [plaats], onder verantwoordelijkheid van Forensisch Psychiatrisch Centrum [kliniek]. Het beroep richtte zich tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) met twee jaar.

Het hof nam de processtukken in acht, waaronder het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg, de bestreden beschikking, de beroepsakte van 19 maart 2026 en nadere informatie van de kliniek van 30 juli 2026 (met wettelijke aantekeningen over 1–30 maart 2026). Op zitting van 13 augustus 2026 werden gehoord de advocaat-generaal mr. I.M. Muller en de terbeschikkinggestelde (via video), bijgestaan door raadsman mr. Z.L. Moezel.

Standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn advocaat

  • De terbeschikkinggestelde verzoekt om vrijlating en wil bij zijn moeder gaan wonen. Hij benadrukt berouw en stelt dat zijn somatische toestand (halfzijdige verlamming na een hersenbloeding in 2022) zijn bewegingsvrijheid sterk beperkt, zodat hij geen kwaad kan doen.
  • Hij krijgt momenteel geen gedragsgerichte behandeling binnen de maatregel; naar zijn zeggen is hij onleerbaar. Recent werd een verlofaanvraag afgewezen, wat volgens hem een uitzichtloze situatie en schending van artikel 5 EVRM oplevert (onrechtmatige voortgezette vrijheidsbeneming zonder daadwerkelijke behandelingsperspectief).
  • De advocaat verzocht primair niet te verlengen; subsidiair vroeg zij verlenging met één jaar om plaatsing bij de Van der Hoevenkliniek te kunnen overwegen.

Standpunt van het openbaar ministerie

  • De advocaat-generaal concludeerde tot bevestiging van de rechtbank. Ondanks fysieke beperkingen blijft het recidiverisico hoog en is verblijf op hoog beveiligingsniveau noodzakelijk, onder meer ter bescherming van het personeel dat hem verzorgt. De kliniek zoekt naar een passende voorziening; dat vergt tijd en daarna moet een behandeltraject nog worden opgestart. Daarom is verlenging met twee jaar aangewezen. Er is geen schending van artikel 5 EVRM.

Oordeel van het hof

  • Bevestiging: het hof oordeelt, met aanvulling van gronden, dat de rechtbank terecht tot verlenging heeft beslist en bevestigt de bestreden beslissing.
  • Artikel 5 EVRM: het beroep op artikel 5 wordt verworpen. Het hof benadrukt dat de vrijheidsbeneming in het kader van de maatregel ertoe strekt herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Hoewel op dat moment (updates kliniek 27 feb. 2026 en 30 juli 2026) nog geen gedragsbewerkende behandeling werd uitgevoerd, is wél sprake van uitvoering in de zin van vaststelling van een behandelplan (voor zover mogelijk), risicotaxatie, delictanalyse en regelmatige gesprekken. Bovendien had het PBC in 2025 vastgesteld dat gedragsbewerkende behandeling waarschijnlijk niet helpend zou zijn. Er worden verdere inspanningen verricht om een geschikte plaats te vinden.
  • Duur van de verlenging: het hof hanteert als uitgangspunt dat een verlenging van twee jaren passend is indien aannemelijk is geworden dat behandeling en resocialisatie binnen het bestaande juridische kader meer tijd zullen vergen dan een verlenging van één jaar zou bieden. In dit geval ziet het hof geen aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken.

Beslissing Het hof bevestigt met aanvulling van gronden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 en verlengt de TBS met twee jaar overeenkomstig die beslissing. De uitspraak werd gedaan door mr. P.C. Vegter (voorzitter), mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. O.O. van der Lee (raadsheren), met drs. C.J.J.C.M. van Gestel en drs. B. van Giessen (raden); griffier mr. J. Lambriks. De uitspraak is openbaar gedaan op 27 augustus 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:5608
Strafrecht
01-09-2026 94% soortgelijk
De kamer van het hof (artikel 67 Rv) heeft bij beslissing van 13 augustus 2026 beslist op het beroep van de terbeschikkinggestelde (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verblijvend in [de kliniek]) tegen...
ECLI:NL:GHARL:2026:311
Strafrecht > Penitentiair strafrecht
21-01-2026 94% soortgelijk
De zaak betreft het beroep van de terbeschikkinggestelde (geboren 1960 te [geboorteplaats], verblijvend in FPC [kliniek] te [plaats]) tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Zwolle) van 16 juni 2025 tot...
ECLI:NL:GHARL:2026:2855
Strafrecht > Penitentiair strafrecht
08-05-2026 93% soortgelijk
Het gerechtshof (kamer als bedoeld in art. 67 Rv) behandelde bij vonnis van 7 mei 2026 het beroep van [terbeschikkinggestelde] (geboren 1964, verblijvend in FPK [instelling]) tegen de beslissing van de rechtbank...
ECLI:NL:GHARL:2025:8786
Strafrecht
07-09-2026 93% soortgelijk
De uitspraak van het gerechtshof (kamer bedoeld in art. 67 Rv) van 23 juli 2026 betreft het hoger beroep van de terbeschikkinggestelde (geboren 1978, verblijvend in [de kliniek], [Stad]) tegen de beslissing...
ECLI:NL:GHARL:2026:2856
Strafrecht > Penitentiair strafrecht
08-05-2026 92% soortgelijk
Het hof (kamer bedoeld in art. 67 Rv) heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in het beroep van de terbeschikkinggestelde [naam geanonimiseerd], geboren 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), wonende bij de RIBW...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

TBS, bevestiging beslissing van de rechtbank tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar. Beroep op artikel 5 EVRM.

Uitspraak

**TBS P26/126 **

Beslissing van 27 augustus 2026

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [locatie P.I.] , [Justitieel Centrum] te [plaats] , onder verantwoordelijkheid van Forensisch Psychiatrisch Centrum [kliniek] (hierna: de kliniek), verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam, van 18 maart 2026. Deze beslissing houdt in de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van 19 maart 2026 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld;
  • de aanvullende informatie van de kliniek van 30 juli 2026, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 1 maart 2026 tot 30 maart 2026. Het hof heeft op de zitting van 13 augustus 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door mr. Z.L. Moezel, advocaat te Amsterdam. De terbeschikkinggestelde is via een videoverbinding gehoord.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde

De terbeschikkinggestelde wil vrijkomen en bij zijn moeder gaan wonen. Hij is door zijn somatische conditie zeer beperkt in zijn bewegingsvrijheid. Hij heeft spijt van wat er is gebeurd, en zijn intenties zijn goed. Hij krijgt op dit moment geen behandeling in het kader van zijn maatregel. De advocaat heeft primair verzocht de terbeschikkingstelling niet te verlengen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het recidiverisico nu heel anders beoordeeld moet worden. Door de halfzijdige verlamming van de terbeschikkinggestelde als gevolg van een hersenbloeding in 2022 wil en kan de terbeschikkinggestelde geen kwaad meer doen. Uit de verslagen blijkt ook alleen nog van verbale agressie. Hij kan bij zijn familie terecht en kan ambulant behandeld worden. De advocaat heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze schending vloeit voort uit het feit dat terbeschikkinggestelde in het kader van de maatregel nu niet behandeld wordt, en er ook geen perspectief is op behandeling van de terbeschikkinggestelde omdat hij niet leerbaar zou zijn. Onlangs is een verlofaanvraag nog afgewezen, de terbeschikkinggestelde krijgt niet eens de kans om zich te bewijzen. Er is sprake van een uitzichtloze situatie. Subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van één jaar om over een jaar te kijken of de terbeschikkinggestelde geplaatst kan worden bij de Van der Hoevenkliniek.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Er is bij de terbeschikkinggestelde sprake van een bijzondere situatie. Ondanks zijn fysieke beperkingen wordt het recidiverisico ingeschat als hoog en is verblijf op een hoog beveiligingsniveau nog steeds nodig. De veiligheid van de personen die hem moeten verzorgen moet gewaarborgd worden. Door de kliniek wordt gezocht naar een passende voorziening voor de terbeschikkinggestelde. Dat heeft tijd nodig. Op het moment dat er een passende voorziening wordt gevonden, moet het behandeltraject nog gestart worden. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar is aangewezen. Er is geen sprake van een schending van artikel 5 EVRM.

Het oordeel van het hof

Bevestiging

Het hof is onder aanvulling van gronden als hierna weergegeven van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die aanvulling bevestigen.

Artikel 5 EVRM

De advocaat heeft een beroep gedaan op artikel 5 EVRM en heeft in dat verband aangevoerd dat de terbeschikkinggestelde vanwege zijn somatische conditie verblijft in een penitentiaire inrichting en geen zicht heeft op behandeling in een kliniek in het kader van zijn maatregel van terbeschikkingstelling. Het verweer wordt verworpen. De in het kader van de door de rechter opgelegde maatregel toegepaste vrijheidsontneming strekt ertoe herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Thans wordt – zo blijkt uit de updates van de kliniek van 27 februari 2026 en 30 juli 2026 – weliswaar (nog) niet voorzien in behandeling in engere zin, maar er is in dit stadium van de tenuitvoerlegging sprake van een (voor zover mogelijk) redelijk normaal traject met vaststelling van een behandelplan, risicotaxatie, delictanalyse en regelmatige gesprekken, terwijl overigens in 2025 al door het PBC is vastgesteld dat het onwaarschijnlijk is dat gedragsbewerkende behandeling helpend zal zijn. Bovendien zijn en worden verdere inspanningen gedaan om een geschikte plaats voor de terbeschikkinggestelde te vinden.

Duur van de verlenging

Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden als voormeld de beslissing van de rechtbank Rotterdam, van 18 maart 2026, met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde] .

Aldus gedaan door mr. P.C. Vegter, voorzitter, mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. O.O. van der Lee, raadsheren, en drs. C.J.J.C.M. van Gestel en drs. B. van Giessen, raden, in tegenwoordigheid van mr. J. Lambriks, griffier, en op 27 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.