Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5793

ECLI:NL:GHARL:2026:5793 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.371.979/01 en 200.372.935/01
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Zaaknummers en partijen Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Leeuwarden, behandelde in hoger beroep twee zaken (200.371.979/01 en 200.372.935/01) tegen beslissingen van de kinderrechter (Rb. Noord‑Nederland, zaken 258296 en 258909). Verzoekster in hoger beroep is [verzoekster] (de moeder, woonplaats [woonplaats1], gemachtigd mr. R.W. de Gruijl, waargenomen door mr. J. Koenen). Als belanghebbende is aangemerkt [belanghebbende] (de vader, woonplaats [woonplaats2]). Verweerders/belanghebbenden: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord‑Nederland (toetst/adviseert) en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI, Amsterdam).

Procedurele loop De kinderrechter verleende op verzoek van de raad en/of GI spoed‑ en reguliere machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geboren 2022): beschikking 24 juni 2026 (spoedmachtiging pleegzorg, Assen), 2 juli 2026 (machtiging pleegzorg, Leeuwarden) en 14 juli 2026 (machtiging gezinsgerichte voorziening, Leeuwarden). De moeder kwam hiertegen in hoger beroep; zij verzocht de uithuisplaatsingen ongedaan te maken en verzet zich niet tegen de voorlopige ondertoezichtstelling. Raad en GI verzochten instandhouding. Zitting bij het hof vond plaats op 25 augustus 2026; aanwezig waren partijen, raad, GI en de vader.

Feiten en beweegredenen [de minderjarige] woonde tot de uithuisplaatsing bij de moeder. Onmiddellijke aanleiding was een opname in het UMCG wegens hematurie; moeder toonde meerdere luiers met bloed. Direct urineonderzoek van het kind in het UMCG toonde geen bloed; uitgebreid lichamelijk onderzoek (bloed/urine/echo’s/cystoscopie) leverde geen medische verklaring. Laboratoriumonderzoek van bloed in een luier wees uit dat het humaan bloed betrof maar niet afkomstig van [de minderjarige]. Het UMCG deed een zorgmelding bij Veilig Thuis en deed aangifte wegens vermoedelijke falsificatie door de moeder; een strafrechtelijk onderzoek liep nog. Het raadsonderzoek was grotendeels in concept.

Het dossier toonde volgens het hof een patroon: sinds geboorte veelvuldig medische consulten en interventies door vermeende ernstige aandoeningen; 198 huisartsenconsulten en 331 contactmomenten met spoedeisende zorg sinds 2022 (volgens de raad/GP‑informatie). Tussen maart en eind juni 2026 alleen al 34 contacten over bloedluiers/bloed bij ontlasting; in totaal 28 verschillende klachten. Meerdere eerdere zorgmeldingen (o.a. huisarts in 2023). Tegelijkertijd zagen medische professionals, ambulancepersoneel en GI‑begeleiders een gezonde, alerte jongen. Sinds plaatsing in een gezinshuis werden geen nieuwe bloedvondsten gemeld.

Het hof nam voorts feiten mee dat [de minderjarige] niet zindelijk is en mogelijk spraak‑/taalachterstand heeft, en dat de moeder, hoewel open voor hulp, beperkte beschikbaarheid/leerbaarheid vertoont en vooral gefixeerd lijkt op ziekte‑zoekend gedrag, waardoor ontwikkelingsbehoeften mogelijk onderbelicht zijn.

Rechtelijke beoordeling Het hof stelde de maatstaf vast (art. 1:265b en 1:265c BW): een machtiging tot uithuisplaatsing is toegestaan indien noodzakelijk voor verzorging/opvoeding of voor onderzoek; verlenging mogelijk op verzoek van GI/raad. Het hof bekrachtigde de eerdere beslissingen en nam de overwegingen van de kinderrechters over, aanvullend dat de cumulatie van zorgwekkende signalen — acute hematurie‑zaak met laboratoriumbevindingen dat bloed niet van het kind is, patroon van overmatig zorggebruik zonder medische verklaring, eerdere meldingen en het ontbreken van verbetering in opvoedingssituatie — leiden tot concrete en substantiële zorgen omtrent veiligheid, fysieke verzorging en ontwikkeling van [de minderjarige]. De lopende raadsonderzoeken en het strafrechtelijk onderzoek maken terugplaatsing op dit moment onverantwoord. De moeder had het labfout‑argument niet voldoende onderbouwd; wie het bloed wél zou hebben achtergelaten was volgens het hof irrelevant voor de noodzaak van bescherming.

Uitspraak Het hof bekrachtigde de beschikkingen van 24 juni 2026 (spoedmachtiging pleegzorg), 2 juli 2026 (machtiging pleegzorg) en 14 juli 2026 (machtiging gezinsgerichte voorziening). Meer of anders gevorderde voorzieningen werden afgewezen. De beschikking is gewezen door mr. L. Pieters, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Bootsma (griffier mr. E. Klijn) op 8 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4841
Civiel recht > Personen- en familierecht
23-07-2026 91% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem), beschikking 23 juli 2026 (zaaknr. hof 200.368.117; rechtbank Midden-Nederland 604184). In geschil: uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geboren 2018). Partijen: [verzoekster] (moeder, woonplaats [woonplaats1], advocaat mr. L.T.C.M. Geurts), [verweerder]...
ECLI:NL:GHARL:2026:4249
Civiel recht > Personen- en familierecht
29-06-2026 91% soortgelijk
Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden, zaaknrs. 200.368.394/01; rechtbank Overijssel 334176) heeft bij beschikking van 25 juni 2026 de beslissing van de kinderrechter van 29 januari 2026 bekrachtigd omtrent de uithuisplaatsing van [de...
ECLI:NL:GHARL:2026:4985
Civiel recht > Personen- en familierecht
30-07-2026 91% soortgelijk
Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem, civiel), beschikking van 30 juli 2026, bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Overijssel (locatie Almelo) van 11 maart 2026 waarmee Stichting Jeugdbescherming Overijssel (GI)...
ECLI:NL:GHARL:2025:7129
Civiel recht
13-11-2025 91% soortgelijk
Partijen en procedure Verzoekster: [verzoekster] (de moeder), woonachtig in [woonplaats1], bijstand mr. F. Pool. Gecertificeerde instelling (GI): Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, Utrecht. Belanghebbende: [belanghebbende], woonachtig in [woonplaats2]. Betrokken minderjarige:...
ECLI:NL:GHAMS:2026:2475
Civiel recht
01-09-2026 91% soortgelijk
In deze zaak (zaaknrs. 200.371.220/01; rechtbank C/15/378883/JU RK 26-911) voeren [de moeder] en [de vader], ouders en gezamenlijke gezagdragers van de in 2025 geboren [minderjarige], hoger beroep tegen twee beslissingen van de...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging uithuisplaatsing, aanwijzingen van falsificatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.371.979/01 en 200.372.935/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 258296 en 258909)

beschikking van 8 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep in beide zaken, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en

**de raad voor de kinderbescherming **(de raad), regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, verweerder in hoger beroep in de zaak met nummer 200.371.979/01, in zijn toetsende en/of adviserende taak gekend in de zaak met nummer 200.372.935/01,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI), gevestigd in Amsterdam, verweerster in hoger beroep in de zaak met nummer 200.372.935/01, belanghebbende in de zaak met nummer 200.371.979/01.

Als belanghebbende in beide zaken is aangemerkt:

[belanghebbende] (de vader), die woont in [woonplaats2] .

1 De procedures bij de kinderrechter

zaaknummer 200.371.979/01:

1.1 De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op verzoek van de raad een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juli 2026. De beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 juni 2026. Bij deze beslissing is [de minderjarige] ook voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 24 september 2026.

1.2 De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op verzoek van de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg, tot 24 september 2026. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 juli 2026.

zaaknummer 200.372.935/01:

1.3 De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 9 juli 2026, voor de duur van 4 weken. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2026.

1.4 De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een gezinsgerichte voorziening tot 24 september 2026. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 juli 2026.

2 De feiten

De moeder en de vader hebben samen het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2022. [de minderjarige] woonde tot zijn uithuisplaatsing bij de moeder.

3 De procedure bij het hof

3.1 De moeder is in hoger beroep gekomen van de beslissingen van de kinderrechter van 24 juni 2026, 2 juli 2026 en 14 juli 2026, voor zover die zien op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De moeder wil dat het hof deze beslissingen over de uithuisplaatsing ongedaan maakt, omdat ze graag wil dat [de minderjarige] naar huis komt. Zij verzet zich niet tegen de (voorlopige) ondertoezichtstelling.

3.2 De raad wil dat de beslissingen in stand blijven.

3.3 Ook de GI wil dat de beslissingen in stand blijven.

3.4 Het hof heeft in de zaak met nummer 200.371.979/01 de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift namens de moeder op 20 juli 2026, met bijlage(n);
  • een brief namens de moeder van 28 juli 2026, met bijlage(n);
  • een brief van de raad van 31 juli 2026;
  • een e-mailbericht namens de moeder van 14 augustus 2026, met bijlage(n).

3.5 Het hof heeft in de zaak met nummer 200.372.935/01 het volgende stuk ontvangen:  het beroepschrift namens de moeder op 13 augustus 2026, met bijlage(n).

3.6 De zitting bij het hof was op 25 augustus 2026. De zaken met nummers 200.371.979/01 en 200.372.935/01 zijn gelijktijdig behandeld. Aanwezig waren:

  • de moeder met mr. J. Koenen, als waarnemer van mr. De Gruijl;
  • twee vertegenwoordigers van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI; en
  • de vader.

Mr. Koenen heeft een pleitnota overgelegd.

4 Het oordeel van het hof

De wet

4.1 De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.

De uithuisplaatsing van [de minderjarige]

4.2 Het hof is van oordeel dat de kinderrechters terecht de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] hebben gegeven. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechters in de beschikkingen van 24 juni 2026 en 2 juli 2026 over en maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne. Het hof voegt daaraan het volgende toe.

4.3 Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijken grote zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Het spoedverzoek tot uithuisplaatsing is door de raad ingediend naar aanleiding van een recente opname van [de minderjarige] in het ziekenhuis (het UMCG) vanwege hematurie (bloed in de urine). De moeder heeft meerdere luiers getoond met bloed. De urine van [de minderjarige] is binnen twee uur onderzocht en hierin is geen bloed aangetroffen. Daarnaast heeft er uitgebreid lichamelijk onderzoek plaatsgevonden (bloed- en urineonderzoek/echo’s/cystoscopie etc.) door verschillende medische specialisten. Zij hebben gezamenlijk vastgesteld dat er geen medische ontstaanswijze is gevonden van het bloed en/of een verklaring voor de aanhoudende frequentie daarvan. Mede vanwege deze conclusie heeft het UMCG besloten om DNA-onderzoek te doen naar het bloed in een van de luiers. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat het aangetroffen bloed humaan bloed is, maar niet afkomstig van [de minderjarige] . Het UMCG heeft vervolgens een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis, waarop aangifte is gedaan van kindermishandeling door falsificatie van [de minderjarige] door de moeder. Naar aanleiding van deze aangifte is een strafrechtelijk onderzoek naar de moeder gestart. Het raadsonderzoek is bijna afgerond, het rapport bevindt zich in de conceptfase (ten tijde van de zitting van het hof), en het strafrechtelijk onderzoek loopt nog.

4.4 Het hof constateert dat voornoemde gebeurtenis niet op zichzelf staat. Sinds zijn geboorte in 2022 is [de minderjarige] veelvuldig blootgesteld aan medische onderzoeken, omdat de moeder denkt dat hij ernstige aandoeningen heeft (zoals kanker/leukemie). Al in 2023 heeft de huisarts van de moeder een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van kindermishandeling door falsificatie. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht, op basis van informatie afkomstig van de huisartsenpraktijk van de moeder, dat er sinds 2022 198 consulten en 331 contactmomenten met de huisartsenpost, het noodnummer en/of ambulancepersoneel hebben plaatsgevonden. Tussen maart 2026 en eind juni 2026 heeft de moeder 34 keer contact opgenomen over bloedluiers en/of bloed bij ontlasting. In totaal betreft het 28 verschillende soorten klachten. De moeder geeft als verklaring dat zij alleen maar de adviezen van de huisarts en/of centrale heeft opgevolgd en door hen werd doorverwezen. Het aantal contactmomenten ligt volgens de moeder wel wat lager. Het hof merkt echter op dat het hier gaat om buitenproportioneel zorggebruik - ook al is dit verspreid over vier jaren -, terwijl er na herhaaldelijk onderzoek door verschillende specialisten geen enkele medische verklaring voor de door de moeder genoemde klachten is vastgesteld. Er wordt tijdens de consulten en door het ambulancepersoneel en het UMCG een gezonde en alerte jongen gezien. Ook tijdens de inzet van [naam] meldt moeder diverse medische zorgen, terwijl de begeleiders die twee keer per week bij de moeder thuiskomen een kind zien dat normaal speelt, niet ziek oogt en actief en vrolijk is.

4.5 De GI maakt zich, anders dan de moeder stelt, niet alleen zorgen over de gezondheid van [de minderjarige] , maar juist ook over zijn dagelijkse verzorging, zijn fysieke veiligheid en ontwikkeling. Dit vanwege de afwijking tussen de verklaringen van de moeder en de bevindingen van medische professionals en de uitkomst van het laatste bloedonderzoek. [de minderjarige] is niet zindelijk en lijkt spraak- en taalproblemen te hebben. Het risico bestaat dat de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] niet goed worden gezien omdat de nadruk de afgelopen jaren vooral heeft gelegen op zorgen over zijn gezondheid. Uit informatie van

[naam] blijkt dat de moeder weliswaar openstaat voor hulpverlening, maar beperkt beschikbaar en leerbaar lijkt door eigen problematiek en onvoldoende afstemt op de behoeften van [de minderjarige] (plan van aanpak d.d. 4 augustus 2026). Opvallend is dat sinds [de minderjarige] niet meer thuis woont er geen bloed (meer) in zijn luier is aangetroffen en/of zich andere onverklaarbare klachten hebben voorgedaan. Het gaat naar omstandigheden goed met [de minderjarige] in het gezinshuis. Door de GI is weersproken dat de moeder, sinds er volgens haar begin juni 2026 een bloedprop uit de anus van [de minderjarige] is gekomen, geen contact meer heeft opgenomen met de huisartsenpost.

4.6 Het hof is van oordeel dat voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] én voor het onderzoek naar en rondom [de minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het hof deelt de zorgen van de raad, de GI, en overige instanties (zoals VT, de huisarts en het UMCG) over het welzijn en de opvoedsituatie van [de minderjarige] . De moeder lijkt in de afgelopen jaren vooral gefocust geweest te zijn op de zoektocht naar ziektes van [de minderjarige] in plaats van zijn ontwikkelingsbelangen. Nu het raadsonderzoek nog niet helemaal is afgerond en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, vindt het hof het op dit moment - gelet op alle zorgwekkende signalen - niet verantwoord om [de minderjarige] weer naar huis te laten gaan. De uitkomsten van voornoemde onderzoeken zullen eerst moeten worden afgewacht, voordat (verder) kan worden gekeken naar zijn toekomstperspectief. Hoewel de onderzoeksbevindingen van het laboratorium ten aanzien van het bloed in de luier niet zijn gedeeld door het UMCG, heeft het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen zoals die blijken uit de brief van het UMCG van 29 juni 2026, en alle overige conclusies die de afgelopen jaren door verschillende medische professionals zijn getrokken. Mogelijk zijn de resultaten (nog) niet gedeeld vanwege het lopende strafrechtelijk onderzoek. De moeder heeft haar stelling dat sprake zou zijn van een fout door het laboratorium ook niet nader onderbouwd. Van wie het bloed in de luier wel afkomstig is (al dan niet een aanverwant), is bovendien niet relevant voor het oordeel van het hof in deze zaak. [de minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel onrust meegemaakt en is nu aangewezen op een veilige, stabiele en stimulerende opvoedingsomgeving, waar hij zich optimaal kan ontwikkelen.

4.7 Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikkingen van 24 juni 2026, 2 juli 2026 en 14 juli 2026, ten aanzien van de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.371.979/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 juni 2026, ten aanzien van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 juli 2026, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg;

in de zaak met nummer 200.372.935/01:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 juli 2026, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening;

in beide zaken

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 8 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

artikel 1:265b lid 1 BW. artikel 1:265c lid 2 BW.