Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:4841

ECLI:NL:GHARL:2026:4841 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-07-2026 / 200.368.117/01
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem), beschikking 23 juli 2026 (zaaknr. hof 200.368.117; rechtbank Midden-Nederland 604184). In geschil: uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geboren 2018). Partijen: [verzoekster] (moeder, woonplaats [woonplaats1], advocaat mr. L.T.C.M. Geurts), [verweerder] (vader, woonplaats [woonplaats2], belanghebbende in hoger beroep), gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (GI, Amersfoort) en de Raad voor de Kinderbescherming (adviseur; afgemeld voor zitting).

Feiten en eerdere beslissingen: de ouders hebben gezamenlijk gezag. De minderjarige is sinds 7 juni 2023 onder toezicht gesteld (ondertoezichtstelling, OTS), laatst verlengd tot 7 september 2026. De kinderrechter verleende op 18 november 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot 7 september 2026; na vrijgekomen plaats verhuisde het kind op 24 november 2025 naar gezinshuis [naam] in [plaats]. De GI verzocht de machtiging aan te passen aan de feitelijke plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar; de kinderrechter wijzigde de machtiging met ingang van 22 januari 2026 tot 7 september 2026 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Procedure bij het hof: moeder tekende beroep aan (beroepschrift ontvangen 20 april 2026). Het hof ontving verweer van de GI en stukken van de moeder; de raad meldde zich af. Zitting vond plaats op 11 juni 2026; aanwezig waren de moeder met haar advocaat en een vertegenwoordiger van de GI.

Standpunten: de moeder betwist dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, stelt dat zij een nieuwe, veilige woning heeft, ontkent middelengebruik en geeft aan open te staan voor hulp (wachtlijst voor persoonlijkheidsonderzoek). Zij stelt dat minder ingrijpende maatregelen onvoldoende zijn onderzocht en verzoekt subsidiariteit of plaatsing bij opa en oma (netwerkplaatsing). De GI stelt dat er vóór de machtiging ernstige zorgen bestonden over verzorging en opvoeding: schoolverzuim, een rommig/vervuild huis, geen passende slaapplek, taalachterstand door veel gamen, (vermoedelijk) middelengebruik door de moeder, en gebrek aan structuur en grenzen; hulpverlening kwam niet tot concrete voortgang ondanks aanbod. Het kind doet het goed in het gezinshuis; er zal een perspectiefonderzoek worden verricht en onderzoek naar de psychische toestand van de moeder.

Juridische beoordeling en motivering: het hof toetste aan artikel 1:265b lid 1 BW (machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk voor verzorging/opvoeding of onderzoek). Het hof bekrachtigt de overwegingen van de kinderrechter en voegt eigen onderzoek toe. Gelet op de stukken en de zitting is volgens het hof de noodzaak tot uithuisplaatsing onverminderd aanwezig: de zorgen over de thuissituatie zijn niet weggenomen en er is geen bezwaar ingesteld tegen de eerdere beschikking van 18 november 2025. De moeder heeft (via haar advocaat) deels erkend dat bepaalde zorgen niet geheel onjuist zijn, maar er is onvoldoende gebleken van zodanige verbetering dat terugplaatsing verantwoord zou zijn. Het hof acht de voorwaarden voor uithuisplaatsing vervuld en stelt dat in de komende periode onderzoek (psychisch onderzoek moeder en perspectiefonderzoek kind) duidelijkheid kan geven over vervolgstappen.

Over de verzoeken van de moeder: een verkorting van de machtiging wijst het hof af wegens de ernst van de zorgen. Het verzoek tot netwerkplaatsing bij opa en oma wijst het hof af: een netwerkplaatsing valt buiten de categorie van de GI-plaatsing en de GI heeft aangetoond dat de grootouders geen geschikte plaats zijn (gebrek aan eerder contact, incidenten waarbij de opa onrust veroorzaakte met politiebetrokkenheid, geen instemming of zicht op opvoedvaardigheden van de grootouders).

Conclusie: het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2026 waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie is verleend tot 7 september 2026; verder of meer is verzocht wordt afgewezen. Beslissers: mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, P.B. Kamminga en H. Phaff; griffier mr. T.F. de Ruiter.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4985
Civiel recht > Personen- en familierecht
30-07-2026 94% soortgelijk
Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem, civiel), beschikking van 30 juli 2026, bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Overijssel (locatie Almelo) van 11 maart 2026 waarmee Stichting Jeugdbescherming Overijssel (GI)...
ECLI:NL:GHARL:2026:4399
Civiel recht > Personen- en familierecht
07-07-2026 93% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (zaaknr. 200.369.493/01; rechtbank Noord-Nederland 256101), beschikking van 7 juli 2026. Partijen - Verzoekster in hoger beroep: [verzoekster] (de moeder), woonachtig te [woonplaats], bijgestaan in hoger beroep door mr....
ECLI:NL:GHARL:2026:585
Civiel recht > Personen- en familierecht
03-02-2026 92% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Leeuwarden (zaaknr. 200.361.343/01; rechtbank Noord‑Nederland 201537) heeft bij beschikking van 3 februari 2026 de door de kinderrechter van 24 september 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bekrachtigd....
ECLI:NL:GHARL:2026:2964
Civiel recht > Personen- en familierecht
12-05-2026 92% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem, civiel), zaaknrs. hof 200.365.809 / rechtbank Gelderland 461076, beschikking 12 mei 2026. Partijen - [vader] en [moeder] (gezamenlijk gezagdragers over [minderjarige]); advocaat: mr. R.W. de Gruijl. - William...
ECLI:NL:GHARL:2026:4645
Civiel recht > Personen- en familierecht
16-07-2026 92% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden), beschikking 16 juli 2026 (zaaknrs. 200.369.683/01 en /02): in hoger beroep van [verzoekster] (de moeder; advocaat mr. F. Pool, Rotterdam) tegen de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter over de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 7 september 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.368.117 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 604184)

**beschikking van 23 juli 2026 **

over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI) die is gevestigd in Amersfoort

en

[verweerder] (de vader) die woont in [woonplaats2] (gemeente [gemeentenaam] ) belanghebbende in hoger beroep

en

**de raad voor de kinderbescherming **(de raad) als adviseur van het gerechtshof

1 Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kinderrechter), heeft bij beschikking van 22 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie verleend, van 22 januari 2026 tot 7 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1. De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2018.

2.2. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .

2.3. De kinderrechter heeft [de minderjarige] bij beschikking van 7 juni 2023 onder toezicht van de GI gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 7 september 2026.

2.4. Bij beschikking van 18 november 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 7 september 2026. Kort daarna is een plek vrijgekomen in een gezinsgerichte accommodatie.

2.5. [de minderjarige] verblijft sinds 24 november 2025 op deze vrijgekomen plek in het gezinshuis [naam] in [plaats] .

3 De procedure bij de kinderrechter

3.1. De GI heeft de kinderrechter verzocht genoemde machtiging van 18 november 2025 aan te passen aan de feitelijke situatie en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar.

3.2. De kinderrechter heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie verleend, met ingang van 22 januari 2026 tot 7 september 2026.

3.3. De kinderrechter heeft beslist dat de uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

4 De procedure bij het hof

4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst of voor een kortere duur toewijst. Als het hof dat niet doet, vraagt de moeder het hof om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor een netwerkplaatsing bij de opa en oma (van moederszijde) van [de minderjarige] .

4.2. De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift, ontvangen op 20 april 2026;
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming van 6 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • het verweerschrift van de GI;
  • drie journaalberichten namens de moeder van 3 juni 2026 met bijlagen.

4.4. De zitting bij het hof was op 11 juni 2026. Aanwezig waren:

- de moeder met haar advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de GI.

5 Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat

5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven een minderjarige uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind.

De standpunten

5.2. De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De noodzaak voor de machtiging tot uithuisplaatsing is niet aangetoond. De moeder betwist dat de basale verzorging van [de minderjarige] niet op orde is. Zij heeft onlangs een nieuwe woning betrokken in een veilige en rustige buurt. Volgens de moeder zijn er geen zorgen over haar psychische gesteldheid. Zij ontkent dat zij drugs gebruikt. Zij staat op de wachtlijst voor een persoonlijkheidsonderzoek omdat zij concentratieproblemen heeft. Zij staat open voor hulpverlening. Er zijn minder ingrijpende alternatieven die onvoldoende zijn onderzocht.

5.3. De GI voert, samengevat, aan dat er in de maanden voorafgaand aan het verzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] grote zorgen zijn geweest over [de minderjarige] verzorging en opvoeding. De zorgen hebben onder meer betrekking op schoolverzuim, een rommelig en vervuild huis, geen passende slaapplek in huis voor [de minderjarige] , een achterstand in de taalontwikkeling omdat [de minderjarige] veel bezig is met gamen, middelengebruik door de moeder en er zijn zorgen over de opvoeding, structuur en grenzen die [de minderjarige] krijgt. De moeder heeft meerdere keren aangegeven dat zij open staat voor hulpverlening, dit kwam vervolgens echter niet van de grond omdat zij de hulpverlening niet toeliet en afspraken heeft afgezegd. Ondanks de inzet van intensieve zorg is de situatie niet verbeterd. Het gaat nu goed met [de minderjarige] in het gezinshuis. Er zal een perspectiefonderzoek plaatsvinden waarbij zal worden onderzocht wat er nodig is voor [de minderjarige] en of de moeder in staat is dat te bieden.

Het oordeel van het hof

5.4. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen en dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie in stand moet blijven. Het hof neemt – na eigen onderzoek – de overwegingen van de kinderrechter over en voegt daar nog het volgende aan toe.

5.5. Het hof acht een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog steeds noodzakelijk in het belang van [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. De kinderrechter verwijst in zijn beschikking van 22 januari 2026 voor de motivering van de noodzaak tot uithuisplaatsing naar de beschikking van de kinderrechter van 18 november 2025. De moeder heeft geen hoger geroep ingesteld tegen de beschikking van 18 november 2025. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd, volgt dat er nog steeds een noodzaak bestaat tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Er zijn zorgen over de thuissituatie van de moeder. De advocaat van de moeder heeft op de zitting naar voren gebracht dat deze zorgen (deels) niet helemaal onjuist zijn. De moeder stelt dat zij werkt aan verbetering, maar niet is gebleken dat de situatie in de tussentijd zodanig is verbeterd dat sprake kan zijn van thuisplaatsing van [de minderjarige] . Naar het oordeel van het hof is aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing van [de minderjarige] zonder meer voldaan. In de komende periode kan onderzoek naar de psychische toestand van de moeder plaatsvinden en kan het perspectiefonderzoek worden uitgevoerd. Dan kan duidelijk worden wat de mogelijkheden van de moeder en van [de minderjarige] zijn en wat de volgende stappen kunnen zijn.

5.6. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 7 september 2026. Het hof ziet geen aanleiding de machtiging te verlenen voor een kortere duur, zoals de moeder verzoekt, gelet op de serieuze zorgen die er zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Het hof zal het verzoek van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor een kortere duur afwijzen.

5.7. Over het verzoek van de moeder om [de minderjarige] bij de opa en oma te plaatsen, overweegt het hof het volgende. Plaatsing bij de opa en oma is een netwerkplaatsing en behoort daarom tot een andere categorie dan het verzoek van de GI tot plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie. Of de moeder dit verzoek kan doen, kan in het midden blijven omdat de GI voldoende heeft aangetoond dat een netwerkplaatsing van [de minderjarige] bij de opa en oma geen goed idee is. Er was in het verleden weinig contact tussen de moeder en haar ouders. De moeder heeft niet weersproken dat de opa zowel bij de eerdere zitting bij de rechtbank als bij het ophalen van [de minderjarige] voor de uithuisplaatsing zodanig voor onrust heeft gezorgd dat de politie erbij moest komen. Dat alleen maakt al dat de opa en oma nu niet geschikt lijken te zijn om [de minderjarige] op te voeden. Uit de stukken blijkt ook niet dat de opa en oma instemmen met een netwerkplaatsing bij hen. Bovendien is er geen zicht op de opvoedvaardigheden van de opa en oma. Het verzoek van de moeder om een machtiging te verlenen voor een netwerkplaatsing van [de minderjarige] bij de opa en oma zal daarom worden afgewezen.

5.8 De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 januari 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;

wijst af wat anders of meer is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, P.B. Kamminga en H. Phaff, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Artikel 1:265b lid 1 BW