ECLI:NL:GHARL:2026:4985 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-07-2026 / 200.370.059
Samenvatting
Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem, civiel), beschikking van 30 juli 2026, bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Overijssel (locatie Almelo) van 11 maart 2026 waarmee Stichting Jeugdbescherming Overijssel (GI) is gemachtigd [de minderjarige] (geboren 2015) uit huis te plaatsen bij de vader ([verweerder], woonplaats [woonplaats2]) met gezag voor de duur van zes maanden (tot 12 september 2026). De moeder ([verzoekster], woonplaats [woonplaats1], advocaat mr. R.W. de Gruijl) ging in hoger beroep; de GI en de vader (advocaat mr. D. Beuving) verzochten handhaving. De zaak liep onder hofnummer 200.370.059; het oorspronkelijke geding bij de rechtbank had nummer 345405.
Feiten en procesverloop: [de minderjarige] stond sinds 27 februari 2025 onder toezicht van de GI; die ondertoezichtstelling werd op 19 februari 2026 verlengd tot 27 februari 2027. De GI verzocht in februari/maart 2026 spoedig om machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De kinderrechter verleende op 26 februari 2026 een korte (twee weken) spoedmachtiging en op 11 maart 2026 een machtiging voor zes maanden; deze laatste beschikking was uitvoerbaar bij voorraad. Het hof behandelde het hoger beroep en een gelijktijdig beroepschrift tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling; [de minderjarige] werd op 22 juni 2026 door hoffunctionarissen gehoord; zitting vond plaats op 14 juli 2026.
Standpunten: de moeder betoogde dat zij in staat is voor het kind te zorgen, dat er geen vaste signalen van onveiligheid bij haar zouden zijn, dat de uitspraken van [de minderjarige] tegenstrijdig en sociaal wenselijk zijn en dat de GI onbetrouwbaar heeft gehandeld. Zij stelde dat niet is aangetoond dat andere maatregelen uitgeput zijn en gaf aan hulpverlening te aanvaarden en op de zitting bereid te zijn aan contactherstel mee te werken. De GI en de vader stelden dat er ernstige zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder: de moeder verhindert toegang tot onderzoek, zet het kind onder druk en betrekt het kind in het ouderconflict; er is geen zicht op veiligheid thuis en het contact tussen moeder en kind is momenteel afwezig. De GI en schoolrapporten tonen volgens hen aan dat het kind zich sinds plaatsing bij de vader duidelijk beter ontwikkelt; de vader werkt mee aan hulpverlening en het Parallel Solo Ouderschap-traject.
Beoordeling en motivering van het hof: het hof past artikel 1:265b lid 1 BW toe (machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk indien noodzakelijk voor verzorging/opvoeding of onderzoek). Het belang van het kind staat voorop. Het hof concludeert, in lijn met de kinderrechter na eigen onderzoek, dat het kind in de thuissituatie bij de vader rust, stabiliteit en herstel van gezondheid en welzijn ervaart; dat oordeel wordt gedragen door verklaringen van het kind zelf, GI‑verslagen, school en kindbehartiger. Tegelijk ontbreekt voldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder doordat zij de GI geen toegang verleent en de begeleide omgang nog niet is opgestart, terwijl de moeder onvoldoende stappen heeft gezet op basis van door de GI gestelde voorwaarden en door betrokken organisaties aangeboden samenwerking. Vanwege het ontbreken van contactherstel en de onverzekerdheid over veiligheid kan terugkeer naar de moeder thans niet plaatsvinden. Gezien het positieve functioneren bij de vader en diens medewerking aan hulpverlening is plaatsing bij de vader noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige].
Beslissing: het hof bekrachtigt de beschikking van 11 maart 2026. De uitspraak is gedaan door mrs. L.D.M. Rubens‑Snijders, R. Feunekes en K.A.M. van Os‑ten Have op 30 juli 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met gezag (art. 1:265b BW)
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.370.059 zaaknummer rechtbank Overijssel 345405
**beschikking van 30 juli 2026 **
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
en
de gecertificeerde instelling
**Stichting Jeugdbescherming Overijssel **(de GI) die is gevestigd in Hengelo (O)
en
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 11 maart 2026 de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag tot 12 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2015.
2.2. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3. De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 27 februari 2025 onder toezicht gesteld van de GI. Die ondertoezichtstelling is op 19 februari 2026 verlengd tot 27 februari 2027.
2.4 Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter de zorgregeling die op 19 maart 2025 was vastgesteld gewijzigd en als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat er onder regie van de GI gedurende zes maanden begeleide omgang plaatsvindt tussen de moeder en [de minderjarige] .
3 De procedure bij de kinderrechter
3.1. De GI heeft de kinderrechter verzocht om een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag voor de duur van vier weken en aansluitend machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 27 februari 2027.
3.2. De kinderrechter heeft op 26 februari 2026 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag verleend voor de duur van twee weken, dus tot 12 maart 2026.
3.3. Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met gezag verleend voor de duur van zes maanden, dus tot 12 september 2026. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI voor het overige aangehouden. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 11 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking).
3.4 In de bestreden beschikking is bepaald dat deze direct geldt en blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat (uitvoerbaar bij voorraad).
4 De procedure bij het hof
4.1. De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de bestreden beschikking ongedaan maakt en het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader te verlenen alsnog afwijst.
4.2. De GI en de vader willen dat de bestreden beschikking in stand blijft.
4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift ontvangen op 10 juni 2026, met bijlagen;
- het verweerschrift van de GI met bijlagen;
- het verweerschrift van de vader met bijlagen;
- een email namens de moeder van 6 juli 2026 met bijlage.
4.4. [de minderjarige] heeft op 22 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Tijdens de zitting is hiervan een samenvatting gegeven.
4.5. Bij het hof is ook een beroepschrift ingediend door de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel van 19 februari 2026 waarin de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is verlengd voor de duur van een jaar, tot 27 februari 2027. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting bij het hof op 14 juli 2026.
4.6. Op de zitting bij het hof op 14 juli 2026 waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat
- de vader met zijn advocaat
- twee vertegenwoordigers van de GI
5.Het oordeel van het hof
5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen
5.2 De moeder stelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten onrechte is verleend en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Volgens de moeder is zij in staat om voor [de minderjarige] te zorgen. Zij heeft nimmer een signaal ontvangen over eventuele onveiligheid bij haar thuis. Dit kan ook niet worden vastgesteld nu wordt beweerd dat er niets bekend is over de opvoedsituatie bij haar. Er kan niet worden uitgegaan van wat [de minderjarige] aangeeft over de thuissituatie doordat [de minderjarige] steeds tegenstijdige dingen aangeeft. [de minderjarige] vertoont sociaal wenselijk gedrag in de verschillende thuissituaties. Ook is niet aangetoond dat alle andere mogelijkheden om de vermeende onveiligheid op te heffen niet hebben geholpen of niet zullen helpen. Het vertrouwen van de moeder in de GI is ernstig beschadigd door het grensoverschrijdend gedrag van de GI. De moeder vindt het moeilijk te geloven dat het nu goed gaat met [de minderjarige] en dat [de minderjarige] haar niet wil zien. [de minderjarige] zit volgens de moeder in een overlevingsmodus en geeft wenselijke antwoorden vanuit de situatie waar ze zit.
5.3 De GI is van mening dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] op goede gronden heeft verleend. Zij voert als verweer, samengevat, het volgende aan. Er zijn zorgen over of [de minderjarige] veilig bij de moeder kan opgroeien. Omdat de moeder de GI niet toelaat, kunnen deze zorgen niet ontkracht of afgewend worden. De GI maakt zich zorgen over dat de moeder [de minderjarige] onder druk zet, belast met volwassenzaken en onderdeel maakt van moeders strijd tegen de vader. Er zijn twijfels of de moeder in staat is om aan te sluiten bij de behoeften van [de minderjarige] . Het gedrag van de moeder is belastend voor [de minderjarige] en schaadt haar vertrouwen in de moeder en volwassenen in het algemeen. [de minderjarige] heeft op dit moment geen contact met de moeder en staat tot op heden niet open voor contactherstel. De GI heeft de moeder een brief gestuurd waarin de knelpunten beschreven staan en de moeder gevraagd om een stap te zetten richting [de minderjarige] om het contactherstel te vergemakkelijken. De moeder heeft hierin nog niets ondernomen. Ook is er een door de moeder veroorzaakt incident op school geweest. Dit alles toont aan dat de moeder het belang van [de minderjarige] niet voor ogen heeft bij haar handelingen, maar vooral bezig blijft met haar strijd tegen de vader en de GI. [de minderjarige] ontwikkelt zich positief in de opvoedsituatie bij haar vader. [de minderjarige] geeft aan dat het beter met haar gaat, dat ze het fijn heeft bij haar vader en dat haar hoofd minder vol zit. Ook uit contact met de school komt naar voren dat het beter met [de minderjarige] gaat.
5.4 De vader voert in zijn verweerschrift, samengevat, het volgende aan. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden verleend. Er is sprake van een langdurig en verhard ouderlijk conflict, dat door de moeder in stand wordt gehouden, en waarbij de moeder de samenwerking met de GI consequent afhoudt en [de minderjarige] belast met onder andere volwassenenproblematiek. Het gaat beter met [de minderjarige] sinds ze bij de vader verblijft. Ze ervaart rust en heeft geen last meer van spanningsklachten, slaapproblemen en fysieke klachten zoals buikpijn, hoofdpijn en kortademigheid. Zij geniet van haar huidige dagelijkse leven, haar vriendschappen en de paarden. De vader werkt constructief samen met de GI en heeft het traject Parallel Solo Ouderschap serieus opgepakt.
5.5 Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Het hof neemt - na eigen onderzoek – de overwegingen van de kinderrechter over en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.6 Het hof stelt het belang van [de minderjarige] voorop in zijn beoordeling. Daarbij moet worden bezien in welke omgeving en onder welke omstandigheden [de minderjarige] zich het beste kan ontwikkelen. [de minderjarige] verbleef voor de machtiging tot uithuisplaatsing afwisselend bij de vader en bij de moeder in de vorm van een co-ouderschap. Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] veel last heeft gehad van de situatie waarin zij bij beide ouders in twee verschillende werelden leefde en waarbij er veel strijd is tussen de ouders. Nu [de minderjarige] bij de vader verblijft gaat het beter met haar. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan het verhaal van [de minderjarige] dat het nu beter met haar gaat. Niet alleen heeft [de minderjarige] dit zelf verteld, dit volgt ook uit de verslagen van de GI, de school, de kindbehartiger en ook de vader bevestigt dat het goed gaat met [de minderjarige] . Op de zitting heeft de GI desgevraagd meegedeeld geen reden te hebben te twijfelen aan de woorden van [de minderjarige] . De GI heeft zelf ook gesproken met de school en de kindbehartiger. De GI ziet dat het beter gaat met [de minderjarige] en dat zij vrolijk en opgewekt is. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er rust is gekomen en dat zij nu de nodige stabiliteit, veiligheid en ontspanning ervaart in de thuissituatie bij de vader.
5.7 Het hof oordeelt dat er thans geen sprake is van een situatie waarin [de minderjarige] kan terugkeren naar de moeder. Er zijn zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Zij laat de GI niet toe en houdt de samenwerking af zodat er geen zicht kan worden verkregen op de thuissituatie bij de moeder. Het is dan ook niet duidelijk of [de minderjarige] veilig kan opgroeien bij de moeder. Daar komt bij dat er op dit moment helemaal geen contact is tussen de moeder en [de minderjarige] . De begeleide omgang is nog niet opgestart. De moeder heeft nog geen stappen ondernomen naar aanleiding van de brief van de GI met daarin de voorwaarden waaraan de moeder moet voldoen in het contact met [de minderjarige] . De organisatie [naam1] heeft geprobeerd om tot een samenwerking te komen met de moeder voor het opstarten van de begeleide omgang. Dit is niet gelukt omdat de moeder haar eigen voorwaarden stelt en haar belangenbehartiger wilde betrekken in de gesprekken. Het hof is van oordeel dat het contact tussen [de minderjarige] en de moeder eerst hersteld moeten worden en langzaam weer opgebouwd. Het hof ziet dat de moeder [de minderjarige] heel erg mist en acht het positief dat de moeder hulpverlening heeft aanvaard van een ambulant begeleidster en op de zitting heeft verklaard mee te willen werken aan contactherstel. Zo lang er echter geen contactherstel heeft plaatsgevonden kan terugkeer naar de moeder naar het oordeel van het hof niet plaatsvinden.
5.8 Er zijn geen zorgen over de thuissituatie bij de vader en de vader werkt mee aan de noodzakelijke hulpverlening. [de minderjarige] ervaart rust bij de vader. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat dit voorlopig zo blijft en dat er wordt aangesloten bij de behoeftes van [de minderjarige] . De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 11 maart 2026 over de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader in stand laten (bekrachtigen).
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 11 maart 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, en is op 30 juli 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.