ECLI:NL:RBZWB:2026:5280 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-04-2026 / 25-029839 en 029840-25
Samenvatting
Parketnummer 02-191306-25, raadkamernummers 25-029839 en 029840-25. Verzoeker: [verzoeker], geboren in 2008 te [geboorteplaats], woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda. Officier van justitie in de pro-formabehandeling: mr. R.S. Jacobs. Beslisser: mr. J. Bergen, rechter; griffier: I.L. Bruijnooge. Zittingplaats Middelburg.
Feiten en procedure Op 17 november 2025 diende verzoeker twee verzoeken in de enkelvoudige raadkamer in: een verzoek om vergoeding ex art. 533 Wetboek van Strafvordering (vergoeding voor ondergane inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis) voor €1.560,00, en een verzoek ex art. 530 Sv voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en indieningskosten van in totaal €2.716,02 (waaronder €2.376,02 aan kosten rechtsbijstand en een forfait van €340,00 voor het indieningskostenformulier). De zaak werd sepot getoond (kennisgeving sepot d.d. 15 september 2025) en eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr. De officier van justitie stond in haar schriftelijke reactie toe dat het verzoek kon worden toegewezen. Verzoeker en zijn advocaat hoefden niet in persoon te verschijnen; de openbare raadkamer vond plaats op 24 maart 2026 (verzoeker en advocaat waren niet aanwezig). De beslissing is uitgesproken op 7 april 2026.
Juridische beoordeling en motivering De rechtbank oordeelde bevoegd te zijn (zaak zou feitelijk bij de rechtbank zijn vervolgd). Toekenning geschiedt op grond van art. 533 Sv (vergoeding voor schade door inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis) en art. 530 Sv (vergoeding reis-/verblijfkosten, tijdverlies en kosten raadsman), met inachtneming van art. 534 lid 1 Sv (toekenning op grond van billijkheid; alle omstandigheden in aanmerking).
De rechtbank vond dat gronden van billijkheid aanwezig waren om vergoeding toe te kennen voor de dagen die verzoeker onterecht inverzekering heeft gezeten. De rechtbank telde zowel de aanvangs- als de vrijlatingsdag als volledige dagen en stelde vast dat verzoeker in totaal 4 dagen inverzekering/voorlopige hechtenis had doorgebracht, alle 4 op het politiebureau. Hoewel de LOVS-forfaits doorgaans €130 per dag voor verblijf op politiebureau/HvB met beperkingen hanteert, week de rechtbank af omdat uit het dossier blijkt dat het verblijf bijzonder ingrijpend was en verzoeker klachten hield na vrijlating; de ondergane vrijheidsbeneming leverde een extra belasting op. Daarom kende de rechtbank het gevraagde bedrag van €1.560,00 toe.
De gevraagde kosten van rechtsbijstand ad €2.376,02 werden als voldoende onderbouwd en billijk beoordeeld en toegekend. Voor de kosten van het indienen van de verzoekschriften werd het forfait van €340,00 toegekend.
Beslissing
- Toekenning ex art. 533 Sv: €1.560,00 (ondergane inverzekeringstelling).
- Toekenning ex art. 530 Sv: totaal €2.716,02, zijnde €2.376,02 (kosten rechtsbijstand) + €340,00 (indieningskosten).
- Totaal uit te keren: €4.276,02, te storten op rekeningnummer [iban] ten name van [stichting], onder vermelding “OM/ [verzoeker]”.
Beroep Het Openbaar Ministerie kan binnen 14 dagen na dagtekening hoger beroep instellen; verzoeker kan binnen één maand na betekening hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
: verzoekschrift artikel 530 en 533 Sv gehele toewijzing
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer: 02-191306-25 raadkamernummers: 25-029839 en 029840-25
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S. van Minderhout advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding **ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering **(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 1560,00
- € 1560,00, € 1560,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis; het op 17 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
-
€ 2376,02, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
-
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
-
de kennisgeving sepot van 15 september 2025;
-
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
-
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich in de schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen.
Verzoeker en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoeker en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs, aanwezig. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.
2 De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt er naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Verzoeker heeft 4 dagen in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 4 dagen op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
De rechtbank ziet aanleiding af te wijken van de gebruikelijke standaardtarieven. Uit de stukken in het raadkamerdossier blijkt dat het verblijf op het politiebureau bijzonder ingrijpend voor verzoeker is geweest en dat hij na zijn vrijlating klachten heeft overgehouden aan de vrijheidsbeneming. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis een extra belasting voor verzoeker hebben opgeleverd. De rechtbank zal daarom het verzochte bedrag van € 1560,00 toewijzen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 2376,02 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van de verzoekschriften wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.
3 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van **€ 1560,00, **wegens ondergane inverzekeringstelling;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 2716,02, bestaande uit:
- € 2376,02 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van de verzoekschriften.
bepaalt dat een bedrag van € 4276,02 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [iban] ten name van [stichting] , onder vermelding van “OM/ [verzoeker] ”.
Deze beslissing is op 7 april 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.