ECLI:NL:RBZWB:2026:4485 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-04-2026 / C/02/442165 / FA RK 25-6013
Samenvatting
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, Team Familie‑ en Jeugdrecht (zaaknr. C/02/442165 / FA RK 25‑6013), uitspraak 22 april 2026. Eiseres: [de vrouw] (adv. mr. R.G.J. van Kerkhof), woonachtig in [woonplaats 1]. Verweerder: [de man] (adv. mr. T. Möller), woonachtig in [woonplaats 2]. Betreft: verzoek tot vaststelling kinderalimentatie voor het gezamenlijke minderjarige kind [minderjarige], geboren 2023, door de man erkend; partijen hebben gezamenlijk ouderlijk gezag. Geen eerdere rechterlijke alimentatieverplichting.
Procesverloop: verzoekschrift van de vrouw (21‑11‑2025), wijzigingsverzoek (31‑12‑2025), verweerschrift man (13‑02‑2026) en aanvullende brieven; partijen verzochten geen mondelinge behandeling.
Verzoek en feiten: de vrouw, die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en door de gemeente is verplicht aanspraak te maken op een bijdrage, verzocht vaststelling van een door de man te betalen bijdrage van €25 per maand met ingang van 1 december 2025. De man voert verweer en stelt gebrek aan draagkracht wegens laag inkomen en schulden.
Beoordeling rechtsmacht en toepasselijk recht: vanwege nationaliteitspartijen speelde internationaal privaatrecht; de rechtbank oordeelde ambtshalve dat Nederland rechtsmacht heeft (gewone verblijfplaats van het kind) en dat Nederlands recht van toepassing is.
Draagkrachttoets en bewijs: de man ontvangt een Wajong‑uitkering van circa €1.721 per maand. Partijen stonden niet verdeeld over de grondslag dat dit inkomen in principe een minimale draagkracht van €25 per maand kan opleveren. De man heeft echter betalingsregelingen lopen die zijn beschikbare middelen verminderen: een betalingsregeling via het Landelijk Incasso Centrum voor teveel ontvangen kindgebonden budget (maandelijks €171) en een regeling met de Sociale Verzekeringsbank voor teveel ontvangen kinderbijslag (maandelijks €50). Deze stukken zijn door de man overgelegd en niet door de vrouw betwist.
Juridische maatstaf en toepassing: de rechtbank volgt vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij de bepaling van draagkracht alle schulden van de onderhoudsplichtige in aanmerking moeten worden genomen. Vaststond dat de schulden opeisbaar zijn en afgelost moeten worden, en er was geen bewijs dat deze schulden verwijtbaar zijn of in één keer konden worden afgelost.
Uitkomst: rekening houdend met de aflossingen van in totaal €221 per maand en het geringe inkomen van de man, oordeelde de rechtbank dat bij hem geen draagkracht aanwezig is om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] te voldoen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie werd daarom afgewezen.
Beslissing uitgesproken door mr. Meyboom, in tegenwoordigheid van griffier mr. Hurkmans. Procedurerechtsmiddel: beroep mogelijk binnen drie maanden (door tussenkomst van een advocaat) bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, zoals in de beschikking vermeld.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. Op verzoek van partijen schriftelijke afdoening. Discussie richt zich op het meenemen van schulden bij de beoordeling van de draagkracht.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442165 / FA RK 25-6013
Datum uitspraak 22 april 2026
Beschikking over kinderalimentatie
in de zaak van
en
1Het procesverloop
1.1Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 21 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 31 december 2025 ontvangen wijzigingsverzoek van de vrouw;
- het op 13 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man;
- de brief van mr. Van Kerkhof van 23 februari 2026;
- de brief van mr. Möller van 4 maart 2026. 1.2Op verzoek van partijen heeft er geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2 De feiten
2.1 Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
- de man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige] moet voldoen.
**3Het verzoek **
De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 25,= per maand met ingang van 1 december 2025.
4 De beoordeling
4.1 Vanwege de nationaliteit van partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze aspecten ambtshalve beoordeeld.
4.2 Omdat [minderjarige] in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over het verzoek te oordelen. De rechtbank zal bij deze beoordeling Nederlands recht toepassen.
4.3 De vrouw geeft aan dat zij een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. Vanuit de gemeente is aan haar de verplichting opgelegd om aanspraak te maken op een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] .
4.4 De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen. Zijn inkomen is gering en er is sprake van een aantal schulden.
4.5 Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man beoordelen. Met ‘draagkracht’ wordt bedoeld het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] .
4.6 Uit de stukken blijkt dat de man een Wajong-uitkering ontvangt van afgerond € 1.721,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man op basis van dit inkomen een minimale draagkracht heeft van € 25,= per maand.
4.7 De man stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van zijn draagkracht ook rekening moet worden gehouden met schulden. De vrouw heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar zij is van mening dat deze schulden niet eraan in de weg zouden moeten staan dat de man een minimale bijdrage in de kosten van [minderjarige] voldoet.
4.8 Voor de onderbouwing van de schulden heeft de man als productie 2 een afschrift ingediend van een brief van het Landelijk Incasso Centrum, gedateerd op 22 januari 2026. Uit deze brief blijkt dat de man een betalingsregeling heeft getroffen voor twee beschikkingen. Deze beschikkingen zien op teveel ontvangen kindgebonden budget over de jaren 2024 en 2025. Op grond van deze betalingsregeling betaalt de man maandelijks € 171,=. Daarnaast is als productie 3 een brief bijgevoegd van de Sociale Verzekeringsbank, gedateerd 13 oktober 2025. Uit deze brief blijkt dat de man teveel kinderbijslag heeft ontvangen en dat hij het teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen. Voor deze terugbetaling heeft de man een betalingsregeling getroffen, waarbij hij maandelijks € 50,= betaalt.
4.9 De vrouw heeft het bestaan van de schulden en de betalingsregelingen niet betwist.
4.10 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij het bepalen van de draagkracht rekening worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Vast staat dat de man een schuld heeft aan de Belastingdienst en een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank, dat deze schulden opeisbaar zijn en dat deze moeten worden afgelost. Verder is gesteld noch gebleken dat de schulden verwijtbaar zijn, dat de man de financiële ruimte heeft om de schulden in een keer te kunnen aflossen dan wel zijn draagkrachtvrije ruimte kan benutten om daaruit alle aflossingen te kunnen doen.
4.11 Gelet op het bovenstaande houdt de rechtbank bij de draagkracht van de man rekening met zijn aflossingen van € 221,= per maand. Uitgaande van deze aflossingen en het geringe inkomen van de man is de rechtbank van oordeel dat bij hem geen draagkracht aanwezig is om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] te voldoen. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1 wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.