ECLI:NL:RBZWB:2026:1456 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-02-2026 / C/02/443950 / JE RK 26-63
Samenvatting
De rechtbank heeft op 3 februari 2026 een beschikking gegeven over het verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige 1] (geboren [geboortedag 1] 2024) en [minderjarige 2] (geboren [geboortedag 2] 2023). Als belanghebbende is aangemerkt [de moeder]; als informant is vermeld [de vader]. De zitting vond met gesloten deuren plaats; de moeder en een vertegenwoordiger van de GI waren aanwezig. De vader was, ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen.
Feiten en procedurele kernpunten
- De moeder voert het ouderlijk gezag over beide kinderen en de kinderen wonen bij haar.
- De GI verzocht om verlenging van de OTS voor één jaar en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
- SDW (huidige woonvoorziening) heeft aangegeven de samenwerking met de moeder te beëindigen per 1 april 2026 vanwege herhaalde schendingen van het veiligheidsplan en escalaties binnen de woongroep, mede veroorzaakt door bezoeken van de vader.
- De GI heeft een beschikbare moeder-kindplaatsing in [plaats] gevonden (aanvang in maart; duur 16 weken) die intensievere behandeling en afstand tussen moeder en vader moet realiseren.
- De moeder verklaarde in te stemmen met verlenging van de OTS en gaf aan hulp van de GI nodig te hebben; zij benadrukte dat de GI de vader niets kan opleggen omdat hij geen gezag heeft.
Rechtelijke beoordeling en motivering
- De kinderrechter stelt vast dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat de eerder getroffen vrijwillige hulpverlening niet voldoende stabiliteit heeft opgeleverd.
- De herhaalde niet-naleving van veiligheidsafspraken door de ouders en de daaropvolgende escalaties in de woonvoorziening maken het verblijfsscenario onveilig voor de kinderen; SDW heeft als gevolg besloten de moeder en kinderen per 1 april 2026 te laten vertrekken.
- Gezien deze aanhoudende onveiligheid en het feit dat de moeder zelfstandig niet slaagt in het creëren van een voorspelbare, stabiele opvoedsituatie, is gedwongen kader (verlengde OTS) volgens de rechter noodzakelijk om passende hulpverlening en een veilige woonomgeving af te dwingen en te waarborgen. De geplande moeder-kindplaatsing in [plaats] biedt een concreet en intensiever interventietraject dat de doelstelling ondersteunt.
- Op grond van de voorwaarden voor verlenging (artikel 1:260 BW wordt in de beschikking genoemd) concludeert de rechter dat verlenging gerechtvaardigd is.
Beslissing
- De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 11 februari 2026 tot 11 februari 2027.
- De beschikking is, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (de beslissing geldt direct ook bij hoger beroep).
Formele gegevens en beroepsmogelijkheden
- De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. Van de Kraats (kinderrechter) in aanwezigheid van griffier Rozendaal en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
- Beroep is mogelijk bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch binnen drie maanden; hiervoor is rechtsbijstand door een advocaat vereist. Wie in hoger beroep kan komen, staat in de beschikking aangegeven (ontvangers van een afschrift binnen drie maanden na uitspraak; andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening of kennisneming).
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verlenging ots
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443950 / JE RK 26-63 Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
De kinderrechter merkt als informant aan:
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 januari 2026.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3 Het verzoek
3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
4.1. Namens de GI is naar voren gebracht dat SDW heeft aangegeven de samenwerking met de moeder op 1 april 2026 te stoppen. Zij kunnen met de moeder niet werken aan de gestelde doelen omdat de afspraken in het veiligheidsplan niet worden nagekomen. De vader blijft langskomen wat zorgt voor hoogoplopende spanningen. De minderjarigen hebben daar ook last van. De GI heeft contact gelegd met een organisatie in [plaats] . Zij hebben een plek beschikbaar in maart. Dit betreft een 16 weken durende moeder- en kindplaatsing waar behandeling zal plaatsvinden. Dit betreft een intensiever traject dan bij SDW. De bedoeling is ook om de moeder bewust verder uit de buurt van de vader te plaatsen zodat er afstand wordt gecreëerd. Er zal echter wel aandacht blijven voor de contacten tussen de vader en de minderjarigen. Het is de bedoeling dat er in het komende jaar zal worden gewerkt aan rust en stabiliteit voor de minderjarigen. Daarnaast moet de moeder rust en ruimte krijgen om aan zichzelf te werken en zal de situatie tussen de ouders tot rust moeten komen.
4.2. De moeder heeft verklaard dat zij instemt met een ondertoezichtstelling. Zij heeft de hulp van de GI nodig. Omdat de vader geen gezag heeft, kan de GI de vader niks opleggen. Hij doet waar hij zelf zin in heeft en daar heeft de moeder veel last van.
5 De beoordeling
5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.
5.2. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Het afgelopen jaar is gewerkt aan het stabiliseren van de gezinssituatie. Dit is moeizaam gebleken, aangezien de ouders de gemaakte veiligheidsafspraken niet nakwamen. Dit heeft meermalen geleid tot escalaties binnen de woonvoorziening van SDW, waar de moeder en de minderjarigen op dat moment verbleven. Door deze aanhoudende onveiligheid heeft SDW in november besloten dat de moeder en de minderjarigen de woongroep moeten verlaten op 1 april 2026. Dit besluit is genomen omdat het SDW niet lukt om met de moeder te werken aan de doelen omdat zij zich niet aan afspraken houdt en de vader voor teveel onveilige situaties heeft gezorgd waar ook de andere bewoners last van hebben. Een ondertoezichtstelling blijft noodzakelijk om een veilige woonsituatie te creëren voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Inmiddels is er zicht op een woonvoorziening in [plaats] . Dit betreft een moeder- en kindplaatsing waar zij in maart terecht zou kunnen. Hulpverlening in een gedwongen kader blijft noodzakelijk omdat het de moeder zelfstandig niet lukt om een stabiele en voorspelbare opvoedomgeving voor de minderjarigen te creëren.
5.3. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 11 februari 2026 tot 11 februari 2027;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.