Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:4197

ECLI:NL:RBZWB:2026:4197 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2026 / C/02/446596 / JE RK 26-545
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De rechtbank Zeeland-West-Brabant (kinderrechter mr. Zuijdweg, griffier mr. Van der Meer) heeft op 16 april 2026 besloten de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige 1] (geboren [geboortedag 1] 2021) en [minderjarige 2] (geboren [geboortedag 2] 2020) te verlengen. De gecertificeerde instelling (GI) Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Eindhoven, verzocht bij schriftelijk verzoek (ontvangen 27 maart 2026) om verlenging met negen maanden en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De zitting vond met gesloten deuren plaats op 16 april 2026; de moeder en een vertegenwoordigster van de GI waren aanwezig, de vader was ondanks oproeping niet verschenen.

Feiten en procespositie

  • Beide minderjarigen wonen bij de moeder. Beide ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.
  • De OTS werd aanvankelijk bij beschikking van 10 februari 2022 ingesteld en sindsdien meerdere malen verlengd; de laatste beschikking van 30 juli 2025 liep van 10 augustus 2025 tot 10 mei 2026.
  • De GI verzoekt verlenging van de OTS met negen maanden (tot 10 februari 2027). De moeder steunt het verzoek; de vader was afwezig en heeft geen tegenargumenten ingebracht.

Motivering van de GI

  • De GI stelt dat noodzakelijke interventies (onder meer SCHIP-therapie gericht op oudercommunicatie/afstemming) niet goed van de grond komen omdat de vader afspraken vaak afzegt en gemaakte afspraken later intrekt.
  • Er is geen duurzaam ouderschapsplan opgesteld, terwijl dat essentieel wordt geacht voor overdracht naar een vrijwillig kader.
  • Huidige contactregeling: tweemaal per maand anderhalf uur contact onder begeleiding van [hulpverlening]; dit contact verloopt meestal ontspannen, maar de vader houdt de zorgregeling onvoldoende consequent vol, waardoor continuïteit en voorspelbaarheid ontbreken.
  • [Minderjarige 2] ervaart nachtmerries; er is een mogelijk verband met het contact met de vader. Na bezoek aan de vader kunnen de minderjarigen moe, chagrijnig en emotioneel zijn. De GI wil de aard en oorzaak van de nachtmerries verder onderzoeken en waar nodig aanvullende jeugdhulp inzetten.

Juridisch kader

  • De kinderrechter toetst aan artikel 1:255 lid 1 BW (grond voor OTS: ernstige bedreiging van de ontwikkeling, onvoldoende acceptatie van noodzakelijke zorg door ouders en verwachting dat ouders binnen aanvaardbare termijn verantwoordelijkheid kunnen dragen) en artikel 1:260 BW (mogelijkheid tot verlenging tot maximaal een jaar per termijn).

Beoordeling rechtbank

  • De rechtbank stelt vast dat de thuissituatie bij de moeder veilig en passend is en dat de moeder betrokken is. Dat neemt niet weg dat er voortgaande zorgen bestaan over de ontwikkeling van beide kinderen vanwege eerdere gebeurtenissen toen de ouders samen waren en vanwege de gebrekkige communicatie en samenwerking tussen de ouders.
  • De kinderrechter concludeert dat het gebrek aan duurzame afspraken en het uitblijven van een ouderschapsplan, gecombineerd met de onbetrouwbare naleving van de zorg- en contactregeling door de vader, een blijvende bedreiging vormt voor de stabiliteit en voorspelbaarheid van de omgangssituatie voor de minderjarigen. Dit is mede substantiëel omdat [minderjarige 2] nachtmerries heeft die mogelijk samenhangen met het contact met de vader.
  • De rechtbank acht daarom voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1:255 lid 1 BW: er is een ernstige bedreiging van de ontwikkeling, de noodzakelijke zorg wordt niet voldoende geaccepteerd of geborgd door de ouders en het vertrouwen ontbreekt dat zonder de betrokkenheid van de GI de bedreiging binnen eigen verantwoordelijkheid wordt weggenomen. De ouders zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende in staat de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en duurzaam weg te nemen.

Beslissing en maatregelen

  • De kinderrechter wijst het verzoek van de GI toe en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 mei 2026 tot 10 februari 2027 (verlenging van negen maanden).
  • De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (directe werking, ook bij hoger beroep).
  • De rechtbank geeft aan dat de GI stevige regie moet blijven voeren: verder werken aan duurzame ouderafspraken en het opstellen van een ouderschapsplan, zicht houden op de ontwikkeling van de minderjarigen en nader onderzoek doen naar de nachtmerries van [minderjarige 2] met inzet van aanvullende jeugdhulp indien nodig.

Procedurele afronding

  • De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 en schriftelijk gesteld op 30 april 2026.
  • Tegen de eindbeslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch; hiervoor is een advocaat vereist. Hoger beroep kan worden ingesteld binnen drie maanden door degenen aan wie een afschrift is verstrekt of door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening of na andere wijze van kennisname.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:2627
Civiel recht > Personen- en familierecht
06-04-2026 96% soortgelijk
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant, locatie Breda (zaaknr. C/02/443753 / JE RK 26‑28), uitspraak 6 maart 2026. Kinderrechter mr. Vos (griffier Oonincx) behandelde het verzoek van Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI, locatie Etten‑Leur) tot verlenging van...
ECLI:NL:RBZWB:2026:4789
Civiel recht > Personen- en familierecht
31-05-2026 95% soortgelijk
Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI, locatie Etten-Leur) verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige 1] (geb. [geboortedag 1] 2009) en [minderjarige 2] (geb. [geboortedag 2] 2010) met negen maanden te...
ECLI:NL:RBZWB:2026:7035
Civiel recht > Personen- en familierecht
31-07-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant (locatie Etten-Leur) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige 1] (geboren...
ECLI:NL:RBZWB:2026:6135
Civiel recht > Personen- en familierecht
09-07-2026 95% soortgelijk
De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (locatie Breda, mr. Pellikaan; griffier Van Dongen) heeft op 8 juni 2026 de ondertoezichtstelling (OTS) van twee minderjarigen, hier aangeduid als [minderjarige 1] (geb. 2010) en...
ECLI:NL:RBZWB:2026:1997
Civiel recht > Personen- en familierecht
19-03-2026 95% soortgelijk
Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (locatie Middelburg), zaaknummer C/02/443568 / JE RK 25‑2334, uitspraak 29 januari 2026. Beschikking van de kinderrechter over verlenging van de ondertoezichtstelling. Partijen en procesverloop - Verzoeker: gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446596 / JE RK 26-545

Datum uitspraak: 16 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Eindhoven.

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.

1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;
  • een vertegenwoordigster van de GI.

1.3. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

2 De feiten

2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

2.2. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.

2.3. Bij beschikking van 10 februari 2022 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2022 en tot 10 februari 2023. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 30 juli 2025 met ingang van 10 augustus 2025 tot 10 mei 2026.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1. De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat SCHIP-therapie niet goed van de grond komt doordat de vader afspraken vaak afzegt, de ouders niet tot afspraken komen of de gemaakte afspraken worden teruggedraaid door de vader. Dit terwijl de GI het wel belangrijk vindt dat er een ouderschapsplan wordt opgesteld, ook omdat in het verleden is geconstateerd dat het gevolgen heeft voor de omgang tussen de vader en de minderjarigen als het contact tussen de ouders niet goed is. Op dit moment is er twee keer per maand anderhalf uur contact tussen de vader en de minderjarigen, onder begeleiding van [hulpverlening] . Er wordt gezien dat het de vader niet lukt om deze zorgregeling structureel vol te houden. Verder wordt gezien dat [minderjarige 2] last heeft van nachtmerries, die mogelijk in verband staan met de omgang met de vader. Hier wil de GI in de komende periode meer zicht op krijgen en indien nodig aanvullende jeugdhulp inzetten.

4.2. De moeder is het eens met het verzoek. Zij vertelt dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , hoewel [minderjarige 2] nog wel last heeft van nachtmerries. Dit houdt de moeder goed in de gaten. De moeder weet niet of de nachtmerries van [minderjarige 2] in verband staan met de omgang met de vader, maar zij merkt wel dat de minderjarigen na contact met de vader moe, chagrijnig en emotioneel kunnen zijn. Verder vertelt de moeder dat zij de hulpverlening van IPT prettig vindt en daar veel steun aan heeft. De ingezette SCHIP-therapie heeft de ouders tot nu toe niet verder gebracht. Er zijn namelijk steeds veel discussies en als de ouders het ergens over eens zijn, wordt het later teruggedraaid door de vader.

5 De beoordeling

Het wettelijk kader

5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.2. Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

De inhoudelijke beoordeling

5.3. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.4. De kinderrechter is gebleken dat het goed gaat met de minderjarigen in de thuissituatie van de moeder en dat er geen zorgen zijn over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen door de moeder. De moeder is betrokken en biedt een veilige en passende thuissituatie aan de minderjarigen. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog wel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben in de thuissituatie namelijk veel meegemaakt toen de ouders nog samen waren en gebleken is dat er nog steeds zorgen zijn over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Ook zijn er nog zorgen over het contact tussen de vader en de minderjarigen, vooral omdat de vader de zorgregeling niet consequent nakomt. Hoewel wordt gezien dat de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen ontspannen verlopen, ontstaat er door het gebrek aan continuïteit geen stabiele en voorspelbare omgangssituatie voor de minderjarigen en worden zij regelmatig teleurgesteld wanneer een contactmoment met de vader niet door gaat. De kinderrechter heeft zorgen over de gevolgen hiervan voor de minderjarigen, ook omdat wordt gezien dat [minderjarige 2] last heeft van nachtmerries die mogelijk in verband staan met het contact met de vader.

5.5. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder nog erg moeizaam en lukt het de ouders niet om samen tot duurzame afspraken te komen, ook niet met behulp van SCHIP-therapie. Het lukt de ouders tot op heden niet om een ouderschapsplan op te stellen, terwijl dit wel van groot belang is om de regievoering en hulpverlening over te kunnen dragen naar een vrijwillig kader. Hierdoor heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan bovengenoemde zorgen. De kinderrechter komt daarom tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengen voor de verzochte duur van negen maanden, te weten tot 10 februari 2027.

5.6. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode verder wordt gewerkt aan het maken van duurzame afspraken tussen de ouders en het opstellen van een ouderschapsplan. Daarnaast dient de GI zicht te houden op de ontwikkeling van de minderjarigen, waarbij meer zicht moet worden verkregen op de aard en oorzaak van de nachtmerries van [minderjarige 2] en indien nodig moet daarvoor aanvullende jeugdhulp worden ingezet.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 mei 2026 en tot 10 februari 2027;

6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.