ECLI:NL:RBNNE:2026:3914 Rechtbank Noord-Nederland , 10-09-2026 / C/18/260785
Samenvatting
De Rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen), kinderrechter mr. B.R. Tromp, heeft op 10 september 2026 beschikking gegeven in twee samenhangende jeugdzaken (C/18/260785 / JE RK 26-1607 en C/18/260847 / JE RK 26-1613) op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden). Betrokken zijn vier minderjarige kinderen: [naam kind 1] (geb. 2009), [naam kind 2] (2011), [naam kind 3] (2013) en [naam kind 4] (2022). Belanghebbenden zijn de moeder ([naam moeder], bijgestaan door mr. H.D. Postma en mr. L. Hoekstra), de vader ([naam vader], verblijvend in een penitentiaire inrichting) en de gecertificeerde instelling (GI) Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering.
Procesverloop: spoedmaatregelen (voorlopige ondertoezichtstelling van alle vier kinderen en machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2]) waren reeds bij beschikkingen van 26 en 27 augustus 2026 getroffen als crisismaatregelen. Mondelingen hoorzittingen vonden plaats op 2 en 4 september 2026; de rechter heeft voorafgaand met [naam kind 1], [naam kind 2] en [naam kind 3] gesproken. De moeder correspondeerde via haar advocaten; de vader werd uitgenodigd maar heeft geen verzoek tot verschuiving of mededeling gedaan.
Feiten en belangenafweging: aanleiding zijn ernstige aanwijzingen van langdurig seksueel misbruik binnen het gezin. In september 2025 meldde [naam kind 2] misbruik door de vader; de vader heeft dat bevestigd en is strafrechtelijk veroordeeld (24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden). Latere verklaringen (onder meer e-mail van 29 juli 2026 door [naam kind 1] en [naam kind 2] aan Veilig Thuis) spreken van een uitgebreider patroon van jarenlang misbruik en ook van misbruik door een broer. Bij [naam kind 2] is sprake van psychische problematiek (suïcidale gedachten, automutilatie) en ernstig schoolverzuim; ook [naam kind 3] gaat al bijna twee jaar niet naar school. De ouders runnen een zorgboerderij en zijn nog samen.
Juridische beoordeling en motivering: de rechtbank verwerpt het bevoegdheidsverweer van de moeder; de zittingsplaats Groningen mocht de zaken behandelen binnen de piketregeling en mandatering van teamvoorzitters. De rechter oordeelt dat de vader een redelijke gelegenheid tot hoorzitting heeft gehad; het spoedbelang en de belangen van de kinderen wegen zwaar. De spoedmaatregelen waren rechtsmatig op grond van artikel 800 lid 3 en 809 lid 3 Rv omdat belanghebbenden binnen twee weken alsnog konden worden gehoord; deze hoorzittingen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en leverden geen nieuwe feiten op die wijziging van de maatregel rechtvaardigen.
Substantieel: de rechter acht uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] noodzakelijk voor hun verzorging en opvoeding. Motieven: ernstig verstoorde gezinsverhoudingen, aanwijzingen voor een patroon van ernstig seksueel misbruik (anders dan een eenmalig incident), het feit dat ouders nog steeds samen zijn, het gevoel van de kinderen dat zij bij de moeder niet vrijelijk over hun ervaringen kunnen spreken en aanwijzingen dat vader mogelijk terugkeert naar het huis bij vrijlating. De moeder toonde aanvankelijk een houding die de positie van de echtgenoot benadrukte en de ernst relativeerde; pas later heeft zij kennisgenomen van de volledige verklaringen, waardoor nog onvoldoende vaststaat dat zij nu de emotionele beschikbaarheid en veiligheid kan bieden. De rechter benadrukt dat bij eventuele terugplaatsing specialistische hulp noodzakelijk is.
Beschikking en vervolgopdrachten: de kinderrechter machtigt de GI om [naam kind 1] en [naam kind 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee maanden in totaal (inclusief reeds verleende vier weken). In de uitspraak is concreet genoemd dat de machtiging geldt van 23 september 2026 tot 26 oktober 2026; de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. De GI moet met spoed onderzoek doen naar een passend vervolgverblijf dat veiligheid, vrij spreken en noodzakelijke hulp biedt en binnen acht dagen voor de volgende zitting schriftelijk rapporteren (deadline schriftelijke informatie uiterlijk 12 oktober 2026). De rechter plant nieuwe kindgesprekken en een vervolgzitting; verdere beslissingen blijven aangehouden en verzoeken worden waar mogelijk gezamenlijk behandeld.
Specifiek voor [naam kind 3] en [naam kind 4]: beide blijven voorlopig ondertoezicht gesteld; geen uithuisplaatsing voor hen besloten. Aan [naam kind 3] is schriftelijk en begrijpelijk medegedeeld dat toezicht en hulpverlening gewenst zijn vanwege langdurig schoolverzuim en algemene zorg.
Beroepsmogelijkheden: tegen de machtiging tot uithuisplaatsing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet. Hoger beroep moet door een advocaat worden ingesteld, doorgaans binnen drie maanden.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vervolg op de zaken: ECLI:NL:RBNNE:2026:3695 en ECLI:NL:RBNNE:2026:3718 .
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummers:C/18/260785 / JE RK 26-1607 C/18/260847 / JE RK 26-1613
Datum uitspraak: 10 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed) uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, die hierna “de Raad” wordt genoemd.
die betrekking heeft op
die is geboren op [datum] 2009 in [plaatsnaam] , en die hierna “ [naam kind 1] ” wordt genoemd, en
die is geboren op [datum] 2011 in [plaatsnaam] , en die hierna “ [naam kind 2] ” wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
die woont in [plaatsnaam] , en die hierna “de moeder” wordt genoemd, advocaten mr. H.D. Postma en mr. L. Hoekstra, die kantoor houden in Leeuwarden,
die verblijft in de PI in [plaatsnaam] , en die hierna “de vader” wordt genoemd,
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
die is gevestigd in Leeuwarden, en die hierna “de GI” wordt genoemd.
1 Het (verdere) procesverloop
1.1. Bij beschikking van 26 augustus 2026 zijn [naam kind 1] en [naam kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [naam kind 1] en [naam kind 2] verleend voor de duur van vier weken en is het overige verzochte deel aangehouden. Tot slot is een mondelinge behandeling bepaald. De inhoud van de beschikking van 26 augustus 2026 wordt hier als herhaalt en ingelast beschouwd.
1.2. De rechtbank heeft op 31 augustus 2026 een brief van de advocaat van de moeder ontvangen.
1.3. De rechtbank heeft op 2 september 2026 een brief van 1 september 2026 van de Raad ontvangen.
1.4. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 2 september 2026 gesproken met [naam kind 1] en [naam kind 2] . De rechtbank heeft na afloop van het gesprek op 2 september 2026 een e-mailbericht van [naam kind 1] ontvangen, met als inhoud het e-mailbericht dat [naam kind 1] en [naam kind 2] op 29 juli 2026 aan Veilig Thuis hebben verzonden.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 september 2026. De kinderrechter heeft toen gesproken met de moeder, bijgestaan door haar advocaten, [naam vertegenwoordiger GI] , die de GI vertegenwoordigt en [namen vertegenwoordigers Raad] , die de Raad vertegenwoordigen.
1.6. Bij beschikking van 27 augustus 2026 zijn [naam kind 3] en [naam kind 4] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft tevens een mondelinge behandeling bepaald. De inhoudt van deze beschikking wordt als hier herhaalt en ingelast beschouwd.
1.7. De rechtbank heeft op 31 augustus 2026 een brief van de advocaat van de moeder ontvangen.
1.8. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 4 september 2026 gesproken met [naam kind 3] .
1.9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 september 2026. De kinderrechter heeft toen gesproken met de moeder, bijgestaan door haar advocaat (mr. L. Hoekstra), [namen vertegenwoordigers GI] die de GI vertegenwoordigen en [naam vertegenwoordiger Raad] , die de Raad vertegenwoordigt.
1.10. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
2 De feiten
2.1. De kinderrechter kan bij de beoordeling uitgaan van de volgende feiten.
2.2. De kinderen staan voorlopig onder toezicht van de GI en [naam kind 1] en [naam kind 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing, geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder ( [naam instelling] ). Deze maatregelen zijn genomen als spoedmaatregel en daarom zonder voorafgaande mondelinge behandeling en op basis van informatie van de Raad ter onderbouwing van de crisis die tot onmiddellijk ingrijpen noodzaakte. Aan het nemen van die maatregelen is het volgende voorafgegaan.
2.3. De kinderen zijn geboren uit het huwelijk van hun ouders. De nu bijna zeventien jaar oude [naam kind 1] is geboren op [datum] 2009 in [plaatsnaam] , de nu bijna vijftien jaar oude [naam kind 2] is geboren op [datum] 2011 in [plaatsnaam] , de nu twaalf jaar oude [naam kind 3] is geboren op [datum] 2013 in [plaatsnaam] en de nu drie jaar oude [naam kind 4] is geboren op [datum] 2022 in [datum] . De kinderen hebben een oudere broer [naam broer] , die inmiddels meerderjarig is.
2.4. De ouders zijn eigenaar van een zorgboerderij in [plaatsnaam] . In september 2025 heeft [naam kind 2] tegenover een cliënt binnen de zorgboerderij verklaard dat zij seksueel door haar vader is misbruikt. De vader heeft haar misbruik bevestigd. Vervolgens heeft de vader zichzelf bij de politie gemeld en is hij aangehouden.
2.5. Op 12 december 2025 heeft de politie zorgen over [naam kind 1] gemeld bij Veilig Thuis. Aanleiding daarvoor waren uitlatingen van [naam kind 1] over seksueel grensoverschrijdend gedrag dor de vader naar haar en mogelijk ook naar andere kinderen binnen het gezin.
2.6. De vader is op 28 april 2026 door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder reclasseringstoezicht en behandeling.
2.7. Bij [naam kind 2] is sprake van psychische problematiek, die zich uit in suïcidale gedachten en automutilatie. Hiervoor is hulpverlening ingezet. Zij wordt verder in een gezonde en optimale ontwikkeling belemmerd doordat sprake is van ernstig schoolverzuim: [naam kind 2] gaat al een jaar of twee niet meer naar school.
2.8. Op 2 maart 2026 heeft [naam kind 2] contact opgenomen met de bereikbaarheidsdienst van Veilig Thuis. Zij heeft aangegeven dat zij het thuis niet meer zag zitten en zich klem voelde zitten. Naar aanleiding daarvan is met [naam kind 2] en de ouders gesproken over mogelijkheden voor een alternatief verblijf voor [naam kind 2] .
2.9. Op 29 juli 2026 hebben [naam kind 1] en [naam kind 2] gezamenlijk een e-mail aan Veilig Thuis gestuurd. In deze e-mail hebben zij opnieuw zorgen geuit over hun thuissituatie. Zij hebben feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het misbruik door de vader meer omvat dat de feiten waarvoor hij is veroordeeld en dat zij bovendien ook seksueel zijn misbruik door een broer. Hun verklaring over die feiten behelst dat sprake is geweest van jarenlang en veelvuldig misbruik.
2.10. Op 27 augustus 2026 is aan [naam kind 1] en [naam kind 2] een gesprek met de zedenpolitie aangeboden. Beide kinderen hebben aangegeven dat zij niet langer thuis willen wonen en dat zij, wanneer zij over hun onthullingen gaan praten, niet meer terug naar huis willen.
3 De (verdere) beoordeling
3.1. De Raad heeft een voorlopige ondertoezichtstelling van alle vier de kinderen verzocht en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] voor de duur van drie maanden. Beide maatregelen zijn verleend, waarbij de voorlopige ondertoezichtstelling voor de maximale duur van drie maanden is uitgesproken en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken, onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek.
3.2. De kinderrechter zal in deze beschikking eerst ingaan op het bevoegdheidsverweer van de advocaten van de moeder en de vraag of de vader behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De kinderrechter zal daarna ingaan op de spoedbeslissingen ten aanzien van alle vier de kinderen en tot slot een beslissing nemen over de langer verzochte duur van de machtiging uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] .
3.3. Namens de moeder is het standpunt ingenomen dat de verzoekschriften in beide zaken bij de verkeerde rechtbank zijn ingediend en dat de rechtbank onbevoegd een spoedmachtiging heeft gegeven.
3.4. De kinderrechter volgt dit standpunt niet. Anders dan is aangevoerd, vormt de rechtbank Noord-Nederland één ondeelbare rechtbank. Het zaaksverdelingsreglement van de rechtbank Noord-Nederland, dat met ingang van 1 januari 2026 geldt, bepaalt op welke zittingsplaats zaken binnen het arrondissement in beginsel worden behandeld. Dit reglement bevat echter geen regeling over de inrichting van de piketdienst van de kinderrechter. Bovendien biedt het reglement ruimte om in bijzondere individuele gevallen gemotiveerd van de daarin opgenomen zaaksverdeling af te wijken.
3.5. In deze zaken hebben de betrokken teamvoorzitters, aan wie deze bevoegdheid door het gerechtsbestuur is gemandateerd, bepaald dat de samenhangende zaken door één en dezelfde (kinder)rechter op de zittingsplaats Groningen worden behandeld. Deze (kinder)rechter had de zaken in het kader van de piketdienst, die voor het gehele arrondissement geldt, in behandeling gekregen.
3.6. De kinderrechter vindt dat aan de vader een redelijke mogelijkheid is geboden om aan de mondelinge behandelingen deel te nemen. Voor de eerste mondelinge behandeling op 2 september 2026 geldt dat de oproep op 27 augustus 2026 is verzonden en dat de vader deze oproep volgens de moeder pas op de dag van de zitting heeft ontvangen. Daarmee was de termijn voor deze zitting kort. Voor de tweede mondelinge behandeling op 4 september 2026 ligt dit anders. De vader is daarvoor tijdig in de gelegenheid gesteld om te verschijnen. De vader heeft in beide zaken geen bericht aan de rechtbank gestuurd waaruit blijkt dat hij aan de behandeling wilde deelnemen of om uitstel heeft verzocht.
3.7. Onder deze omstandigheden weegt het belang van een voortvarende behandeling en beslissing op de spoedverzoeken zwaarder dan het belang van de vader om opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord. Daarbij staat voor de kinderrechter voorop dat de belangen van de betrokken kinderen een overweging van de eerste orde vormen. Zij hebben een zwaarwegend belang bij tijdige duidelijkheid over hun situatie.
3.8. Bij beschikkingen van 26 augustus 2026 en 27 augustus 2026 zijn spoedbeslissingen genomen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden in beide zaken. Op grond van de artikelen 800 lid 3 en 809 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een dergelijke beslissing toegestaan, mits de belanghebbenden binnen twee weken na de beslissing alsnog in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, bij gebreke waarvan de beslissing van rechtswege vervalt.
3.9. Met de mondelinge behandelingen van 2 september 2026 en 4 september 2026 is aan deze wettelijke voorwaarde voldaan. De belanghebbenden zijn daarbij in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen en deze nader toe te lichten. Gelet hierop is geen sprake van het van rechtswege vervallen van de spoedbeslissing.
3.10. Voorts overweegt de kinderrechter dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft opgeleverd die aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de getroffen maatregel na de mondelinge behandeling niet zou mogen voortduren. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om van de eerder genomen beslissing af te wijken.
3.11. De kinderrechter vindt dat de uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De verstandhouding binnen het gezin is ernstig verstoord geraakt. De aanleiding daarvoor is de ernst van de strafbare feiten waarvoor de vader is veroordeeld en de informatie die daarna beschikbaar is gekomen. Uit die aanvullende informatie volgt dat het niet gaat om een eenmalig incident, zoals door de strafrechter is aangenomen, maar om een patroon van ernstige seksuele delicten dat zich over een langere periode heeft voorgedaan. Ook speelt mee dat de ouders nog steeds samen zijn. De kinderen hebben aangegeven dat zij zich onvoldoende door hun moeder gehoord en gesteund voelen en zich door haar houding niet vrij voelen om te praten over wat er is gebeurd. Ook zijn er zorgelijke signalen dat de kinderen ervan uitgaan dat de vader, wanneer hij vrijkomt, slechts tijdelijk ergens anders zal wonen en na het terugkeren van de rust weer bij het gezin zal komen wonen.
3.12. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 2 september 2026 gezien dat de moeder zich sterk richtte op de positie van haar echtgenoot. Voordat zij kennis had genomen van het e-mailbericht van [naam kind 1] en [naam kind 2] en de daarin beschreven feiten, legde zij de nadruk op het feit dat het om oude gebeurtenissen zou gaan, dat de kinderen bepaalde zaken zouden overdrijven en dat de ernst van de gebeurtenissen moest worden gerelativeerd. Dit draagt bij aan de zorgen over de vraag of de kinderen zich bij de moeder voldoende gehoord en gesteund voelen en of zij zich vrij voelen om over hun ervaringen te spreken.
3.13. Tijdens de mondelinge behandeling van 4 september 2026 heeft de moeder kennis kunnen nemen van de feiten en omstandigheden zoals die onder meer door [naam kind 1] en [naam kind 2] zijn beschreven in hun e-mailbericht aan Veilig Thuis. De moeder heeft naar aanleiding daarvan aangegeven dat zij zich moet beraden op wat deze informatie betekent voor de toekomst, waaronder voor haar relatie met haar echtgenoot.
3.14. Op dit moment kan daarom niet worden aangenomen dat de moeder voldoende in staat is om de kinderen de emotionele beschikbaarheid, veiligheid en ruimte te bieden die zij nodig hebben. Tegelijkertijd kan nog niet worden vastgesteld hoe de moeder zich, nu zij kennis heeft genomen van de volledige informatie, de komende periode tot de feiten en tot haar echtgenoot zal verhouden en welke gevolgen dat zal hebben voor de positie van de kinderen binnen het gezin. Voor zover op termijn wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder, is het gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de kinderen van belang dat daarbij specialistische hulpverlening wordt betrokken.
3.15. De kinderrechter vindt een uithuisplaatsing daarom op dit moment noodzakelijk.
3.16. Het is echter onvoldoende duidelijk of de uithuisplaatsing gedurende de gehele resterende verzochte periode in de huidige vorm dient te worden voortgezet. De kinderen hebben de kinderrechter nadrukkelijk verzocht om een passende oplossing, omdat zij zich bij [naam instelling] niet op hun gemak voelen. Ook de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard ermee in te stemmen dat naar een passende vervolgplek wordt gezocht.
3.17. De GI moet daarom voortvarend onderzoeken welke verblijfplaats het meest in het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] is. Daarbij moet worden gezocht naar een plek waar de kinderen zich veilig voelen, waar zij vrijuit kunnen spreken over wat er is gebeurd en waar de voor hen noodzakelijke begeleiding en hulpverlening kan worden geboden. Daarbij moet ook worden gekeken naar de mogelijkheden voor het contact met de moeder en, afhankelijk van de ontwikkelingen, naar de mogelijkheden om te werken aan herstel van het vertrouwen tussen de moeder en de kinderen.
3.18. De kinderrechter zal de GI daarom machtigen om [naam kind 1] en [naam kind 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee maanden (inclusief de al verleende vier weken). De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. De kinderrechter zal de GI opdragen om uiterlijk acht dagen voor de volgende mondelinge behandeling schriftelijk te berichten over de mogelijkheden voor een passende vervolgplek en over de vraag of en op welke wijze de uithuisplaatsing daarna moet worden voortgezet. De kinderrechter zal vervolgens op basis van de dan beschikbare informatie beslissen over het resterende deel van het verzoek.
3.19. Gelet op de samenhang tussen de verschillende verzoeken die betrekking hebben op alle vier de kinderen, zal de kinderrechter eventuele bijkomende of nieuwe (verlengings)verzoeken met betrekking tot dezelfde kinderen, voor zover deze daarvoor in aanmerking komen, gezamenlijk met de aangehouden verzoeken behandelen.
3.20. De kinderrechter informeert [naam kind 1] en [naam kind 2] met de volgende kindbrief die per e-mail en per post wordt verzonden:
3.21. De kinderrechter informeert [naam kind 3] met de volgende kindbrief die per post wordt verzonden:
4 De beslissing
De kinderrechter:
4.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] gedurende dag en nacht met ingang van 23 september 2026 tot 26 oktober 2026;
4.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3. verzoekt de GI om de rechtbank uiterlijk op 12 oktober 2026 schriftelijk te informeren zoals omschreven onder 3.14. en een afschrift daarvan aan de Raad en de advocaat van de moeder te zenden;
4.4. verzoekt de griffier om [naam kind 1] , [naam kind 2] en de Raad op te roepen voor een kindgesprek op
4.5. bepaalt dat de zaak verder mondeling wordt behandeld op
4.6.
wijst de moeder, haar advocaat, de vader, de GI en de Raad erop dat deze beschikking geldt als oproep voor de mondelinge behandeling op **
4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.
Als u het niet eens bent met de beslissing die de kinderrechter heeft genomen met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing kunt u in hoger beroep. U kunt niet in hoger beroep tegen de beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling. Let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet meestal binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.