ECLI:NL:RBNNE:2025:4296 Rechtbank Noord-Nederland , 11-07-2025 / 200525
Samenvatting
Het vonnis van de kinderrechter (Rechtbank Noord-Nederland, sector Familie en Jeugd, zaaknr. C/17/200525 / JE RK 25-505) van 11 juli 2025 betreft een verzoek van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (hierna: GI) om spoedtoestemming voor wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] (geboren [geboortedag] 2011) en om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële voorziening. Belanghebbenden zijn de ouders ([moeder] en [vader], bijgestaan door mr. A.L. Witteveen, kantoor Rotterdam) en de gezinshuisouders; namens de GI verscheen een vertegenwoordiger. De zitting van 27 juni 2025 vond achter gesloten deuren plaats; de gezinshuisouders waren wel opgeroepen maar verschenen niet. [minderjarige] is gehoord en gaf aan niet terug te willen naar het gezinshuis en vaker bij haar ouders te willen zijn. De ouders maken geen inhoudelijk verweer tegen het verzoek maar klagen over het ontbreken van tijdige informatie en willen kennismaken met de nieuwe jeugdbeschermer.
Feiten en procedurele voorgeschiedenis
- Bij een spoedbeschikking van 16 juni 2025 had de kinderrechter al toestemming verleend voor overplaatsing van [minderjarige] van het gezinshuis naar een residentiële voorziening en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode 16 juni–14 juli 2025; de rest van het verzoek was aangehouden.
- De GI motiveerde het verzoek met ernstige gedragsproblemen van [minderjarige] (fysieke en verbale agressie, betrekken van haar zusje, weglopen, risico’s voor andere jongeren en gezinshuisouders), gebrek aan effect van interventies en verlies van grip door de gezinshuisouders; daarom is een meer gespecialiseerde (residentiële) plaatsing noodzakelijk.
- De rechtbank nam ambtshalve kennis dat bij beschikking van 9 juli 2025 het ouderlijk gezag van de ouders is beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] en haar zusje is benoemd; daarmee is de ondertoezichtstelling (OTS) van [minderjarige] beëindigd.
Beoordeling en rechtsmotivering
- Op grond van art. 1:265i BW is toestemming van de kinderrechter vereist voor wijziging van verblijf wanneer een minderjarige ten minste één jaar door iemand anders dan de ouder als deel van diens gezin is verzorgd; de rechtbank constateert dat [minderjarige] sinds 2021 bij de gezinshuisouders verblijft en dus onder die regeling valt.
- De rechtbank oordeelt dat de eerdere spoedtoestemming van 16 juni 2025 terecht was: de situatie was onhoudbaar en de veiligheid van gezinshuisouders, andere jongeren en de minderjarige zelf was in het geding. De wijziging van verblijf blijft daarom gerechtvaardigd.
- De rechtbank verlengt de toestemming voor wijziging van verblijf nu definitief (zonder einddatum) en verklaart die beschikking voor zover gegeven uitvoerbaar bij voorraad.
- Ten aanzien van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing: door de beëindiging van het ouderlijk gezag en de benoeming van de GI tot voogd is ook de OTS komen te vervallen. Omdat de GI als voogd zelf bevoegd is de verblijfplaats te bepalen, is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing niet langer nodig. De rechtbank trekt de (spoed)machtiging daarom per heden in en wijst het overige verzoek af.
Beslissing
- Toestemming verleend aan het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen, zodat [minderjarige] vanaf 16 juni 2025 niet meer bij de gezinshuisouders verblijft.
- De beschikking is voor zover hiervoor relevant uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- De (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing wordt met ingang van heden ingetrokken.
- Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Het vonnis is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025 (griffier J.M. Kooistra). Tegen deze beschikking staat beroep open bij het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden binnen drie maanden.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Toestemming wijziging verblijf. Afwijzing machtiging uithuisplaatsing, nu het gezag van de ouders inmiddels is beëindigd.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/17/200525 / JE RK 25-505 Datum uitspraak: 11 juli 2025
**Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing **
in de zaak van
het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd te Leeuwarden, hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),
over
en
hierna samen te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. A.L. Witteveen, kantoorhoudende te Rotterdam,
1 Het verloop van de procedure
1.1. Bij beschikking van 16 juni 2025, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de kinderrechter met spoed toestemming tot wijziging in het verblijf van [minderjarige] verleend, vanuit het huidige gezinshuis naar een residentiële voorziening met ingang van 16 juni 2025 tot 14 juli 2025. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een residentiële voorziening met ingang van 16 juni 2025 tot 14 juli 2025. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2. De kinderrechter heeft hierna kennisgenomen van het bericht van de advocaat van de ouders met bijlagen van 24 juni 2025, ontvangen door de griffie op diezelfde datum.
1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] .
1.4. De gezinshuisouders zijn juist opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.
1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd om haar mening te vertellen. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter in eerste instantie naar de beschikking van 16 juni 2025.
2.2. [minderjarige] verblijft op grond van de bij 1.1 genoemde machtiging bij [plaats] .
2.3. Het ouderlijk gezag van de ouders is bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 beëindigd. Het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid is bij deze beschikking benoemd tot voogd over [minderjarige] en haar zusje.
3 Het verzoek
3.1. De GI verzoekt met spoed toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] . Ook verzoekt de GI om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een residentiële voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende aangevoerd.
3.2. [minderjarige] haar gedrag is niet langer houdbaar voor het gezinshuis. Zij vertoont fysieke en verbale agressie en betrekt haar zusje bij haar gedrag, waardoor die plaatsing ook onder druk komt te staan. Verder onttrekt [minderjarige] zich aan de opvoedsituatie en is ongeoorloofd van huis, wat erg risicovol is gezien haar ontwikkelingsniveau. Door het gedrag van [minderjarige] kunnen de andere kinderen in het gezinshuis zich ook onveilig voelen. Interventies met een gedragswetenschapper hebben geen effect. [minderjarige] is niet leerbaar en niet gemotiveerd. Daarnaast heeft [minderjarige] geen emotionele toestemming van de ouders om in het gezinshuis te mogen zijn, wat de situatie verergert. De gezinshuisouders zijn de grip op [minderjarige] volledig kwijt en ze zijn handelingsverlegen gemaakt door het gedrag van [minderjarige] en de ouders. De plaatsing in het gezinshuis is daardoor onhoudbaar geworden en de GI moet op zoek naar een nieuwe, passende plek voor [minderjarige] . Het is nu nog niet duidelijk waar dit zal zijn, maar de GI koerst op een verblijf op een groep dan wel instelling onder de noemer residentiële voorziening, omdat daar meer gespecialiseerde zorg kan worden gegeven. Ter zitting is verder duidelijk geworden dat de betrokken jeugdbeschermer is gestopt en dat er een andere jeugdbeschermer zal starten. Deze zal binnenkort kennismaken met het gezin. 4. De standpunten
4.1.
4.2.
5 De beoordeling
5.1. Op grond van artikel 1:265i Burgerlijk Wetboek (BW) had de GI de toestemming van de kinderrechter nodig voor een wijziging in het verblijf van [minderjarige] , omdat zij ten minste één jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op grond van artikel 1:265i, tweede lid BW wordt de toestemming door de kinderrechter slechts afgewezen, indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.
5.2. De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de gezinshuisouders is opgevoed en verzorgd, nu zij al sinds 2021 bij hen woont. Dat betekent dat de GI de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor een wijziging van het verblijf van [minderjarige] .
5.3. De kinderrechter is van oordeel dat het terecht is dat de toestemming voor wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van 16 juni 2025 zijn verleend. De zorgen die er op dat moment waren over de situatie van [minderjarige] maken dat zij niet langer bij de gezinshuisouders kan verblijven. Daar is iedereen het ook over eens. De gezinshuisouders waren de grip op [minderjarige] volledig kwijt en de situatie was onhoudbaar. Het gedrag van [minderjarige] bracht zowel de gezinshuisouders, de andere jongeren in het gezinshuis als haarzelf in onveiligheid. Door haar gedrag kwam tevens de plaatsing van haar zusje [naam] in het gezinshuis onder druk te staan. Het was daarom - en is nog steeds - noodzakelijk om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. Daarom zal de kinderrechter de verleende toestemming om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen in stand laten. Nu de wijziging bij de spoedbeslissing was beperkt tot een toestemming voor vier weken, zal de kinderrechter de toestemming opnieuw geven, maar nu zonder einddatum.
Ter zitting is besproken dat er mogelijk geen aanleiding (meer) is om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog te verlengen in het geval het gezag van de ouders wordt beëindigd. Zoals hiervoor onder 2.3. is overwogen, is de kinderrechter er ambtshalve mee bekend dat het gezag van de ouders is beëindigd en de GI tot voogd is benoemd. Daarmee is ook een einde gekomen aan de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Dat betekent dat er geen machtiging tot uithuisplaatsing meer nodig is. De GI kan als voogd zelf bepalen waar [minderjarige] verblijft. Daarom zal de kinderrechter de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] intrekken met ingang van heden en het verzoek voor het overige afwijzen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verleent het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid toestemming om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] vanaf 16 juni 2025 niet meer bij de gezinshuisouders verblijft;
6.2. verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. trekt de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in met ingang van heden;
6.4. wijst het meer of anders verzochte af.