ECLI:NL:RBLIM:2026:7614 Rechtbank Limburg , 12-08-2026 / K/4701/12169608 \ CV EXPL 26-1764
Samenvatting
[verhuurder] (verhuurder, gevestigd te [plaats 1], gemachtigde mr. J.M. Molkenboer) vordert tegen [huurder] (gedaagde, wonende te [plaats 2], procederend in persoon) betaling van onder meer huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter in Maastricht deed vonnis op 12 augustus 2026 (zaaknr. 12169608/CV EXPL 26-1764).
Feiten en verloop
- Huurovereenkomst vanaf 1 juli 2023; maandhuur €760.
- Huurachterstand tot en met maart 2026: €4.560.
- [verhuurder] stuurde op 2 maart 2026 een aanmaning met een 14‑dagen termijn en stelde €581 aan incassokosten in het vooruitzicht.
- Dagvaarding betekend op 23 maart 2026.
- Betalingen door [huurder] na betekening: 24 maart 2026 €760; 1 april 2026 €4.560 (omschrijving: achterstand nov 2025–mrt 2026 + april 2026).
- Bij brief van 1 april 2026 trok [verhuurder] de vorderingen betreffende de hoofdsom, ontbinding, ontruiming en gebruikersvergoeding in, omdat de achterstand en de huur voor april waren voldaan. Restanten van de procedure betroffen nu de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Juridische beoordeling en motivering
- Buitengerechtelijke incassokosten: de kantonrechter beoordeelt de vordering op grond van art. 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien [huurder] een consument is, werden de extra eisen uit art. 6:96 lid 6 BW getoetst. De aanmaning van 2 maart 2026 voldeed aan die eisen en stelde de €581 in het vooruitzicht; betaling bleef uit binnen de gestelde termijn, zodat [huurder] in verzuim kwam. Door onvoldoende betwisting van verrichte incassowerkzaamheden en hoogte van kosten is toegewezen een bedrag van €581, berekend naar de op de dag van dagvaarding toewijsbare hoofdsom (€4.560). Dit bedrag wordt vermeerdd met wettelijke rente vanaf 23 maart 2026 (artikel 6:119 BW).
- Proceskosten en nakosten: op grond van artikel 237 Rv geldt het verliesregelbeginsel; uitzonderingen zijn niet van toepassing. De stelling van [huurder] dat betalingsonwil ontbrak en dat de achterstand veroorzaakt werd door vertraging bij een bijstandsaanvraag van de gemeente en dat [verhuurder] op die achtergrond had kunnen wachten, vindt geen gehoor. De kantonrechter achtte zes maanden huurachterstand op het moment van dagvaarden voldoende reden voor de procedure; [verhuurder] hoefde niet te wachten op besluitvorming van de gemeente. Daarom is [huurder] in de kosten veroordeeld. De proceskosten zijn begroot op in totaal €1.138,02 (dagvaarding €153,02; griffierecht €265, salaris gemachtigde €576, nakosten €144,00), te vermeerderen met kosten van betekening indien van toepassing.
Beslissing
- [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van €581 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 maart 2026.
- [huurder] wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.138,02, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving, met mogelijke bijkomende betekenkosten bij niet‑naleving.
- Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
- Vonnis gewezen door mr. Bisscheroux op 12 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vordering tot betaling huurachterstand. Huurachterstand is tijdens de procedure volledig ingelopen. BIK en proceskosten toegewezen, omdat eiseres terecht heeft gedagvaard.
Uitspraak
Civiel recht Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12169608 \ CV EXPL 26-1764
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
tegen
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 4,
- de brief van 30 maart 2026 met vermindering van eis,
- de brief van 1 april 2026 met vermindering van eis,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek met producties 1 t/m 8.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1. [verhuurder] verhuurt met ingang van 1 juli 2023 aan [huurder] een woning aan het [adres] (hierna: de woning of het gehuurde). De huur bedraagt € 760,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte’ van toepassing.
2.2. [huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan over de periode tot en met maart 2026 van in totaal € 4.560,00.
2.3. Bij brief van 2 maart 2026 heeft [verhuurder] [huurder] gesommeerd om tot betaling van de huurachterstand over te gaan, waarbij [huurder] € 581,00 aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld als hij niet binnen veertien dagen na ontvangst van de brief zou betalen. [huurder] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.
2.4. Na betekening van de dagvaarding heeft [huurder] de volgende betalingen aan [verhuurder] verricht:
Datum
Bedrag
Beschrijving
3 Het geschil
3.1. [verhuurder] vordert uitvoerbaar bij voorraad:
- betaling van € 4.560,00 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026,
- betaling van € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2026,
- ontbinding van de huurovereenkomst,
- ontruiming van het gehuurde,
- betaling van € 760,00 per maand aan huur/gebruikersvergoeding voor iedere maand na 1 april 2026 tot het tijdstip van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de maand waarop de huurtermijn betrekking heeft,
- veroordeling van [huurder] in de proceskosten.
3.2. Bij brief van 1 april 2026 heeft [verhuurder] de vorderingen onder 1, 3, 4 en 5 ingetrokken, omdat [huurder] de huurachterstand volledig heeft ingelopen en de verschuldigde huur over de maand april 2026 heeft betaald.
3.3. [verhuurder] legt aan de vordering ten grondslag dat [huurder] in zijn verplichtingen als huurder tekort is geschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen, waardoor [verhuurder] hem heeft moeten sommeren om tot betaling over te gaan en daarvoor € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. [huurder] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie, waarna [verhuurder] deze procedure is gestart. Ook hiervoor heeft zij kosten gemaakt. Dat [huurder] de betalingsachterstand inmiddels volledig heeft betaald doet daar niet aan af.
3.4. [huurder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, althans deze te matigen.
3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. [huurder] heeft erkend dat de huurachterstand tot en met maart 2026 € 4.560,00 beliep. Inmiddels heeft [huurder] de huurachterstand volledig ingelopen door op 24 maart 2026 € 760,00 en op 1 april 2026 € 4.560,00 aan [verhuurder] te betalen. Daarmee is ook de verschuldigde huur over de maand april 2026 betaald. [verhuurder] heeft vervolgens bij brief van 1 april 2026 de vorderingen onder 1, 3, 4 en 5 ingetrokken. Omdat [verhuurder] deze vorderingen heeft ingetrokken, behoeven de stellingen van partijen over en weer ter zake daarvan geen bespreking meer. De procedure ziet dan ook alleen nog op de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter is van oordeel dat deze vorderingen kunnen worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt.
4.2. [verhuurder] vordert € 581,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [huurder] in verzuim is met de betaling van de huur, heeft [verhuurder] bij brief van 2 maart 2026 aan [huurder] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek. Hierin zijn [huurder] € 581,00 aan incassokosten in het vooruitzicht gesteld als hij niet binnen veertien dagen na ontvangst van de brief zou betalen. [huurder] heeft niet binnen de gestelde termijn betaald, waardoor hij de incassokosten verschuldigd is. Dat [huurder] na betekening van de dagvaarding de huurachterstand volledig heeft ingelopen doet daar niet aan af.
4.3. [verhuurder] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dit is door [huurder] niet betwist. [verhuurder] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit aanspraak kan worden gemaakt wordt berekend aan de hand van de op de dag van dagvaarding toewijsbare hoofdsom. Op het moment van dagvaarden, te weten 23 maart 2026, bedroeg de huurachterstand € 4.560,00. Daarom zal een bedrag van € 581,00, vermeerderd met de rente vanaf 23 maart 2026, worden toegewezen. [huurder] heeft ook de hoogte van de vordering niet betwist.
4.4. [huurder] stelt dat een volledige kostenveroordeling niet gerechtvaardigd is, omdat het niet betalen van de huur niet het gevolg is geweest van betalingsonwil, maar van het uitblijven van een beslissing van de gemeente [plaats 2] over zijn bijstandsaanvraag, waardoor hij geen inkomsten had. [verhuurder] was bekend was met deze situatie en daarom bestond geen noodzaak voor het starten van een procedure, aldus [huurder]. Daarnaast stelt [huurder] dat de huurachterstand en de huurtermijn over de maand april 2026, nadat de gemeente [plaats 2] een voorschot van € 6.000,00 heeft toegekend, volledig zijn betaald.
4.5. De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de huur over de periode tot en met maart 2026 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. [huurder] heeft de mogelijkheid gehad om de huurachterstand buiten rechte te betalen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. [verhuurder] was hierdoor genoodzaakt om [huurder] te dagvaarden en heeft daarvoor kosten moeten maken. Dat [huurder] gedurende de procedure de achterstand heeft ingelopen, maakt het oordeel niet anders. Verder komen de door [huurder] aangevoerde financiële en persoonlijke omstandigheden, hoe vervelend ook, voor zijn rekening en risico en doen niet af aan het belang van [verhuurder] om tijdig de beschikking te hebben over de huur. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zes maanden. Van [verhuurder] kan dan ook niet worden verwacht dat zij zou wachten op een beslissing van de gemeente [plaats 2]. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat [verhuurder] onredelijk handelt door te persisteren bij de vordering tot betaling van de kosten.
4.6. Op grond van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor. [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
5 De beslissing
De kantonrechter
5.1. veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 581,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.2. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.138,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,