Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2026:6950

ECLI:NL:RBGEL:2026:6950 Rechtbank Gelderland , 19-08-2026 / C/05/456331
Civiel recht > Verbintenissenrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem), zaaknr. C/05/456331 / HA ZA 25-358, vonnis 19 augustus 2026.

Partijen

  • [eiser] (koper), bijgestaan door mr. M.D.N. Jumelet.
  • [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (verkopers), gezamenlijk aangeduid [gedaagde], bijgestaan door mr. M.H. Hogeman.

Feiten en procesverloop Op 28 december 2024 sloten partijen schriftelijk een koopovereenkomst voor de woning aan [adres] te [woonplaats] voor € 425.000,-. In de overeenkomst stond levering op 1 maart 2025 als overeengekomen transportdatum en een boetebeding van 10% van de koopsom bij niet-nakoming. Ten tijde van de oorspronkelijk overeengekomen leveringsdatum bleek beslag op de woning te rusten (kadastraal: conservatoir 14-10-2024; executoriaal 10-01-2025) waardoor levering niet mogelijk was. Partijen stelden later de koopsom bij akkoord van 8/10 april 2025 verlaagd op € 422.500,- en probeerden meerdere keren nieuwe leveringsdata (10 april, 30 april, 17 juni 2025), zonder dat levering plaatsvond. De advocaat van [eiser] sommeerde [gedaagde] in juli 2025 tot betaling van de boete (€ 42.250,-). Notariële verklaring d.d. 18 juli 2025 bevatte de tekst “levering op een nader tussen partijen overeen te komen datum” en diende ter inschrijving (artikel 26 en 37 Kadasterwet / artikel 7:3 BW). Uiteindelijk vond levering wél plaats bij notariële akte op 4 november 2025. [eiser] vorderde een bedrag van € 42.250,- plus wettelijke rente, overige schade en kosten; de vordering tot levering was inmiddels verminderd.

Vorderingen en verweer [eiser] baseerde haar eis op tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van de fatale leveringsdatum (1-3-2025) en het daarop verbeurde boetebeding (10% van koopsom). [gedaagde] stelde onder meer dat de notariële verklaring van 18-7-2025 inhoudt dat partijen nog een leveringsdatum moesten overeenkomen (daarmee zou geen verzuim en geen boete bestaan), voorts verzocht hij om matiging van de boete en stelde dat sprake was van omstandigheden buiten zijn schuld (oplichting door een inwonende derde).

Beoordeling (kern)

  • Rechtsgeldigheid koop en fatale leveringsdatum: de rechtbank oordeelt dat de koop rechtsgeldig is en dat 1 maart 2025 een fatale termijn vormde (artikel 6:83 sub a BW). [gedaagde] kon niet leveren door beslag, maar dit valt in zijn risicosfeer; overmacht is niet aannemelijk gemaakt (artikel 7:9 BW en 6:74 BW).
  • Betekenis notariële verklaring: de zin “op een nader tussen partijen overeen te komen datum” in de notariële verklaring verhindert geen beroep op het boetebeding. Toepassing van de Haviltex-maatstaf leidde tot het oordeel dat de verklaring niet impliceert dat afspraken over een transportdatum nog in vrijheid moesten worden gemaakt; de originele datum stond vast en is door verkoper herhaaldelijk niet nagekomen. De verklaring diende veelal voor inschrijving conform Kadasterwet en volgde uit de eerder overeenkomen afspraken.
  • Boete en matiging: aan de voorwaarden voor toekenning van de contractuele boete is voldaan (artikel 6:92 BW). Verzoek tot matiging wordt afgewezen: het boetebeding (10%) is onderhandeld en gebruikelijk; de eerder overeengekomen korting van € 2.500,- en de stelling dat werkelijke schade lager is, geven geen aanleiding tot matiging (artikel 6:94 BW).
  • Rente: wettelijke rente over de boete wordt toegewezen vanaf 2 augustus 2025 (aanmaning dd. 29-7-2025; verzuim vanaf 3 dagen na sommatie).
  • Aanvullende schade / schadestaat: de rechtbank wijst verwijzing naar schadestaat af. Begroting van schade was in de hoofdzaak mogelijk en [eiser] heeft haar posten onvoldoende onderbouwd (met name posten voor tijdelijke woonunit van € 20.000,-, klusuren, onkosten en berekende rente over de koopsom). Gelet hierop en het feit dat de boete hoger is dan aannemelijke werkelijke schade, is aanvullende schadevergoeding op grond van billijkheid niet toewijsbaar.
  • Buitengerechtelijke incassokosten: afgewezen omdat [gedaagde] consument is en de aanmaning niet voldeed aan artikel 6:96 lid 6 BW (onvoldoende ingebrekestelling/termijn).
  • Beslag- en proceskosten: beslagkosten (exploten e.a.) toegewezen zoals onderbouwd; tevens griffierecht en salaris advocaat conform artikel 706 Rv. Proceskosten toewijsbaar aan eiser; veroordelingen hoofdelijk.

Uitspraak (samenvatting)

  • [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 42.250,- plus wettelijke rente vanaf 2-8-2025.
  • Hoofdelijke veroordeling tot betaling van beslagkosten € 2.058,99.
  • Hoofdelijke veroordeling tot betaling van proceskosten € 3.958,43 (met aanvullende condities bij niet-betaling).
  • Vonnis uitvoerbaar bij voorraad; meer of anders gevorderde afgewezen.

Juridische kernpunten

  • Haviltex-interpretatie en uitleg notariële verklaring vs. oorspronkelijke koopovereenkomst; probatieve vraag naar de betekenis van de frase in de akte.
  • Boetebeding treedt in de plaats van schadevergoeding (art. 6:92 BW); matiging is uitzonderlijk (art. 6:94 BW) en hier niet geboden.
  • Strikte eisen aan incassosommen bij consumenten (art. 6:96 BW).

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2024:3581
Civiel recht
22-04-2024 92% soortgelijk
Rechtbank Rotterdam (Team handel en haven), vonnis 17 april 2024 (zaaknr. C/10/662683 / HA ZA 23-635). Partijen: [eiser 1] en [eiser 2] (kopers, wonend te Almere) tegen [gedaagde] (verkoper, wonend te Hellevoetsluis)....
ECLI:NL:RBAMS:2025:9052
Civiel recht > Verbintenissenrecht
24-11-2025 91% soortgelijk
Rechtbank Amsterdam (zitting 17 november 2025, zaaknr. C/13/768200 / HA ZA 25-991; m.r. S.P. Pompe, griffier mr. A. Chu) heeft vonnis gewezen in een geschil tussen eisende partijen [eiser 1] en [eiser...
ECLI:NL:RBAMS:2026:4244
Civiel recht > Verbintenissenrecht
30-04-2026 90% soortgelijk
Partijen en procesverloop - Eiseressen: [eiser 1] en [eiser 2], wonend te [woonplaats 1], bijgestaan door mr. K. Tülü (verkopers), vertegenwoordigd in het verkooptraject door HVMS Makelaardij. - Gedaagde: [gedaagde], wonend te...
ECLI:NL:RBLIM:2026:1571
Civiel recht > Verbintenissenrecht
13-02-2026 90% soortgelijk
Rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht), vonnis 18 februari 2026, behandelt een geschil tussen verkopers [verkoper 1] en [verkoper 2] (adv. mr. A.L. Stegeman) en kopers [koper 1] en [koper 2] (adv. mr. Z.I.B....
ECLI:NL:GHDHA:2026:18
Civiel recht > Verbintenissenrecht
12-01-2026 90% soortgelijk
Partijen en procedure [appellant] (advocaat mr. I.I. Feenstra) verkocht een appartement in [woonplaats] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (gezamenlijk: [geïntimeerden]; advocaat mr. E.D. van Tellingen). De koop (13 dec. 2022) betrof...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst woning. Tekortkoming verkoper door uitstel eigendomsoverdracht na beslaglegging door derden. Geen matiging contractuele boete. Afwijzing schadestaatprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/456331 / HA ZA 25-358

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] , wonende te [woonplaats] , [gemeente] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.D.N. Jumelet,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] , beiden wonende te [woonplaats] , [gemeente] , gedaagde partijen, procederend onder toevoeging onder kenmerk 2HA7829, hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde ] , en afzonderlijk ook wel te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , advocaat: mr. M.H. Hogeman.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 18 februari 2026,
  • het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 juni 2026.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Op 28 december 2024 hebben [eiser] (als koper) en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (als verkopers) een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor een koopsom van € 425.000,00.

2.2. Partijen hebben deze koopovereenkomst zelf op schrift gesteld. De koopovereenkomst beslaat 2 pagina’s, verwijst niet naar algemene voorwaarden en houdt onder meer het volgende in:

4. Levering en Overdracht: • De levering van het onroerend goed vindt plaats op 1 maart 2025 danwel zoveel eerder dan partijen overeenkomen (…)

5. Lasten en Beschikkingen: a. Het onroerend goed wordt verkocht vrij van hypotheken, beslagen en andere lasten. (…)

7. Notariële Akte: a. Partijen zullen een notariële akte ondertekenen bij de levering van het onroerend goed. • Indien kopende of de verkopende partij zich niet aan de gemaakte afspraken kan of wil houden . Is deze een boete van 10% over de koopsom verschuldigd.

2.3. Partijen zijn niet alsnog een eerdere datum voor levering overeengekomen. De levering op 1 maart 2025 heeft niet plaatsgevonden, omdat derden ten laste van [gedaagde ] beslag op de woning hadden gelegd. Volgens het kadastraal uittreksel van 21 augustus 2025 gaat het daarbij om een conservatoir beslag, gelegd op 14 oktober 2024, en een executoriaal beslag, gelegd op 10 januari 2025. Ook na 1 maart 2025 hebben anderen conservatoir beslag gelegd op de woning, namelijk op 20 maart 2025 en 6 juni 2025.

2.4. De levering is vervolgens uitgesteld tot 10 april 2025. De eigendomsoverdracht is die dag ook niet doorgegaan. Partijen hebben toen een document, gedateerd 8 april 2025, ondertekend, waarin staat:

De overdracht (…) wordt uitgesteld van 10 april 2025 naar 30 april 2025. Hierbij word als tegemoetkoming van de verkoper naar de koper de koopsom van € 425.000,00 verlaagd met een bedrag van € 2.500,00 naar € 422.500,00.

2.5. Op 30 april 2025 heeft de levering echter niet plaatsgevonden; evenmin na uitstel tot 17 juni 2025.

2.6. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde ] bij brief van 3 juli 2025 gesommeerd om binnen acht dagen de woning in eigendom over te dragen, bij gebreke waarvan (onder meer) aanspraak wordt gemaakt op de contractuele boete.

2.7. Op 18 juli 2025 heeft [notaris] , notaris in de gemeente West Betuwe, een “notariële verklaring koopovereenkomst” opgesteld, zodat die verklaring kon worden ingeschreven in de openbare registers. In deze verklaring staat onder meer:

Koopprijs

De koopprijs bedraagt: **vierhonderdtweeëntwintigduizend vijfhonderd euro **

(€ 422.500,00).

Leveringsdatum

Het verkochte zal door verkoper aan koper bij notariële akte worden geleverd op een nader tussen partijen overeen te komen datum. (…)

Notariële verklaringen

Verklaring ex artikel 26 Kadasterwet

Het aangehechte afschrift van de koopovereenkomst toont genoegzaam aan dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan.

Artikel 37 Kadasterwet

De koopovereenkomst toont genoegzaam aan dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan. Ik, notaris, verklaar overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:3 lid 6 Burgerlijk Wetboek dat het bepaalde in artikel 7:3 leden 1, 2 en 5 Burgerlijk Wetboek niet aan inschrijving van deze koopovereenkomst in de weg staat.

Verzoek tot inschrijving

In verband met het vorenstaande verzoek ik, notaris, namens koper een afschrift van deze verklaring in de openbare registers op grond van artikel 7:3 lid 1 Burgerlijk Wetboek en in verband met artikel 3:17 lid 2 Burgerlijk Wetboek en artikel 9.9 Omgevingswet, in te schrijven. (…)

2.8. Bij brief van 29 juli 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde ] gesommeerd een bedrag van € 42.250,00 binnen drie dagen te voldoen, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

2.9. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] op 18 augustus 2025 ten laste van [gedaagde ] conservatoir beslag gelegd op de woning. Op 27 augustus 2025 is de dagvaarding in deze zaak uitgebracht.

2.10. Op 4 november 2025 heeft [gedaagde ] bij notariële akte de woning geleverd aan [eiser] tegen betaling van een koopsom van € 422.500,00.

2.11. Op 19 maart 2026 heeft de Register Notarisklerk van Notariaat West Betuwe aan [persoon] het volgende e-mailbericht gestuurd:

Dag [persoon] ,

Naar aanleiding van jouw verzoek bericht ik je als volgt. Op het moment dat het verzoek werd gedaan om de koopovereenkomst in te schrijven was er nog geen nieuwe passeerdatum bekend. Het model van het kadaster wil verplicht een datum, of de vermelding ‘op een nader tussen partijen overeen te komen datum’. Dit is de reden dat voor de laatste optie is gekozen. (…)

3 Het geschil

3.1. [eiser] vordert na vermindering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde ] hoofdelijk veroordeelt tot:

  • betaling van € 42.250,00, te vermeerderen met wettelijke rente,
  • betaling van meerdere schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
  • betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.448,98 en de proceskosten waaronder de beslagkosten van € 437,99, te vermeerderen met wettelijke rente.

De oorspronkelijke vordering strekte ook tot levering van de woning. [eiser] heeft haar eis terzake verminderd omdat de woning inmiddels aan haar is geleverd (r.o. 2.9-2.10).

3.2. Aan haar vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. [gedaagde ] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst door niet mee te werken aan levering van de woning op 1 maart 2025. Dit is een fatale datum, zodat [gedaagde ] op 2 maart 2025 zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Op grond van artikel 7 van de koopovereenkomst is [gedaagde ] de contractuele boete van 10% van de koopsom aan [eiser] verschuldigd, dus € 42.250,00. [gedaagde ] betaalt die boete niet. De werkelijke schade van [eiser] is hoger dan het bedrag van de contractuele boete. Daarom vordert zij verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] heeft verder buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten gemaakt.

3.3. [gedaagde ] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, danwel tot niet-ontvankelijkverklaring, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Ter onderbouwing voert [gedaagde ] aan dat partijen later wijzigingen in de koop zijn overeengekomen. De notariële akte van 18 juli 2025 bevat namelijk als de verklaring van partijen dat levering plaatsvindt op een nader tussen hen overeen te komen datum. Omdat die akte dwingende bewijskracht heeft (artikel 157 Rv), staat vast dat tussen partijen nog een transportdatum moet worden overeengekomen. De sommaties van 3 en 29 juli 2025 en de [oorspronkelijke/rechtbank] vordering tot levering zijn dus prematuur. [gedaagde ] verkeert niet in verzuim zodat hij nog geen boete heeft verbeurd. Als hij wel verplicht is de boete te betalen, dan moet die boete worden gematigd omdat de werkelijke schade van [eiser] lager is. Partijen zijn vanwege het opschuiven van de transportdatum eerder een korting van € 2.500,00 overeengekomen. [gedaagde ] wist ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet van de beslagleggingen; hij is ten prooi gevallen aan een inmiddels overleden oplichtster. Het vorderen van nakoming [levering] naast de boete is dubbelop.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Komt [eiser] een beroep toe op het boetebeding?

4.1. Niet in geschil is dat tussen partijen een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, die zij zelf, zonder tussenkomst van bijvoorbeeld een makelaar, op schrift hebben gesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij de mondelinge behandeling bevestigd dat zij deze overeenkomst zelf hebben ondertekend. Op grond van de koopovereenkomst was [gedaagde ] verplicht om de woning op 1 maart 2025 aan [eiser] te leveren (artikel 7:9 BW). [gedaagde ] is die verplichting niet nagekomen. Hij kon de eigendom op 1 maart 2025 niet aan [eiser] overdragen (levering bij notariële akte) omdat derden ten laste van [gedaagde ] op de woning beslag hadden gelegd. In beginsel heeft deze tekortkoming tot gevolg dat [gedaagde ] op grond van artikel 7 van de koopovereenkomst de contractuele boete verbeurt.

4.2. Anders dan [gedaagde ] heeft aangevoerd, staat de zin in de notariële akte van 18 juli 2025, inhoudende: “Het verkochte zal door verkoper aan koper bij notariële akte worden geleverd op een nader tussen partijen overeen te komen datum.” niet in de weg aan een geslaagd beroep op het boetebeding. De rechtbank volgt [gedaagde ] namelijk niet in zijn door [eiser] betwiste stelling dat daaruit volgt dat partijen nog een datum voor transport moesten overeenkomen.

4.3. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de inhoud van een (omstreden bepaling in een) tussen partijen gesloten overeenkomst door de rechter dient te worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (‘Haviltex’-maatstaf). Daarbij zijn in beginsel alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan. Als het gaat om de notariële verklaring, komt het aan op de uitleg van alleen die akte zelf.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank strookt de stelling van [gedaagde ] niet met de tekst van de notariële verklaring en evenmin met de uitleg daarvan. In de notariële verklaring staat namelijk niet dat partijen nog een transportdatum moeten overeenkomen. De door [gedaagde ] aangehaalde passage in de notariële verklaring houdt niet meer dan dat levering op een nader overeen te komen datum plaatsvindt. Een uitleg die er op neerkomt dat het vaststellen van een transportdatum nog volledig ter vrije bepaling van partijen stond, strookt ook niet met de inhoud van de koopovereenkomst van 28 december 2024 en de aanvullende overeenkomst van (8/)10 april 2025, waarnaar in de notariële verklaring wordt verwezen en waaruit - naar vaststaat - volgt dat tussen partijen in december 2024 al een transportdatum was overeengekomen. Die datum was 1 maart 2025 en is door toedoen van [gedaagde ] meerdere keren uitgesteld. De betekenis die [gedaagde ] aan de passage toekent, strookt ook niet met de - onweersproken - reden voor het opstellen van de notariële verklaring. Zoals de notariële verklaring vermeldt, is deze opgesteld op grond van artikel 26 jo. 37 Kadasterwet, zodat de koopovereenkomst in de openbare registers kon worden ingeschreven (artikel 7:3 BW; Vormerkung). Deze wettelijke regeling voorziet in extra bescherming van de koper, zoals tegen wanprestatie van de verkoper of tegen beslaglegging. In deze zaak is niet alleen beslag gelegd na het tot stand komen van de koopovereenkomst, maar ook na de oorspronkelijk overeengekomen transportdatum.

4.5. De tekortkoming kan [gedaagde ] ook worden toegerekend. In deze procedure is onduidelijk gebleven wat [gedaagde ] wanneer wist over de inwonende oplichtster die hem naar zijn zeggen in financiële problemen heeft gebracht met beslagleggingen op de woning tot gevolg, omdat [gedaagde ] dit niet met stukken heeft onderbouwd. Overmacht levert dit echter niet op omdat de tekortkoming omstandigheden betreft die voor rekening van [gedaagde ] als verkopende partij komen (artikel 7:9 BW). [gedaagde ] betwist ook niet dat het niet kunnen leveren op de aanvankelijk overeengekomen datum vanwege de beslagleggingen in zijn risicosfeer ligt, zo is namens hem ter zitting verklaard.

[gedaagde ] is dus verplicht om [eiser] de schade te vergoeden die zij door deze tekortkoming lijdt (artikel 6:74 BW). Op grond van artikel 6:92 lid 2 BW treedt hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet.

4.6. [gedaagde ] is op 2 maart 2025 in verzuim geraakt, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling was vereist. De overeengekomen transportdatum van 1 maart 2025 is namelijk aan te merken als een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW. De omstandigheid dat partijen daarna (herhaaldelijk) afspraken hebben gemaakt over een nieuwe transportdatum betekent niet dat daarmee een einde is gekomen aan de periode gedurende welke [gedaagde ] in verzuim verkeerde. [gedaagde ] heeft het verzuim niet gezuiverd door de koopsom te verlagen op 10 april 2025, omdat toen, op 10 dan wel 30 april 2025, geen nakoming (levering) plaatsvond.

4.7. Aan de voorwaarden voor het inroepen van het boetebeding is voldaan (artikel 6:92 BW). Het aan artikel 6:92 lid 1 BW door [gedaagde ] ontleende verweer dat de vordering tot levering en betaling van de boete “dubbelop” is, wordt vanwege de vermindering van eis niet meer besproken. Beoordeeld moet vervolgens worden of het beroep van [gedaagde ] op matiging van de boete slaagt.

Geen grond voor matiging contractuele boete

4.8. Voor matiging van de contractuele boete kan slechts reden zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met dien verstande dat de rechter niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:94 lid 1 BW). Dit brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van de bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank leidt toepassing van het boetebeding in deze zaak niet tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Partijen hebben namelijk zelf de koopovereenkomst opgesteld, waarin het boetebeding ter hoogte van 10% van de koopsom is opgenomen. [gedaagde ] heeft niet weersproken dat partijen over het boetebeding hebben onderhandeld, zoals [eiser] onder overlegging van een eerder concept heeft gesteld; dat concept hield in dat alleen de verkoper een beroep op het boetebeding toekwam. Het boetebeding is vervolgens aangepast, in die zin dat ook [eiser] als koper op dat beding een beroep kon doen. Partijen hebben zich daarmee van de inhoud en strekking van dat beding rekenschap kunnen geven. Ook [gedaagde ] wist dus dat een tekortkoming van zijn kant zou leiden tot het verbeuren van een boete van 10% van de koopsom; een percentage dat ook niet ongebruikelijk is. De eerder overeengekomen korting op de koopsom van € 2.500,00 noodzaakt niet tot matiging van de boete, omdat deze korting betrekking heeft op de vertraging in de nakoming tot 30 april 2025. Bovendien is gesteld noch gebleken dat dit bedrag bedoeld was als een voorschot op de boete. De omstandigheid dat de werkelijke schade van [eiser] lager zou zijn dan de boete, is als zodanig evenmin reden tot matiging. Een boetebeding heeft immers niet alleen als doel om schade te fixeren maar vormt ook een prikkel tot nakoming. Dat [gedaagde ] ten prooi zou zijn gevallen aan een oplichtster noodzaakt ook niet tot matiging, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder r.o. 4.5. heeft overwogen. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde contractuele boete van € 42.250,00 zal toewijzen. Deze veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.

4.10. De gevorderde wettelijke rente over deze boete is verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagde ] met de betaling van de boete in verzuim is (artikel 6:119 lid 1 BW). [eiser] heeft met betrekking tot de betaling van de contractuele boete niet eerder een duidelijke aanmaning gestuurd dan op 29 juli 2025. In die brief is [gedaagde ] in de gelegenheid gesteld de boete binnen 3 dagen na dagtekening van die brief te betalen. [gedaagde ] heeft niet betaald. Daarmee is [gedaagde ] met ingang van 2 augustus 2025 in verzuim komen te verkeren. De rechtbank zal de wettelijke rente over het toe te wijzen boetebedrag van € 42.250,00 daarom toewijzen vanaf 2 augustus 2025.

Geen schadestaatprocedure

4.11. Bij beoordeling van de vordering van [eiser] om de “meerdere schade” te verwijzen naar de schadestaatprocedure acht de rechtbank het volgende van belang. De rechter kan, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, aanvullende schadevergoeding toekennen naast een bedongen boete die bestemd is in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:94 lid 2 BW). De rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, dient voor zover mogelijk de schade in het vonnis te begroten. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt de rechter een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat (artikel 612 Rv).

4.12. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat de omvang van haar werkelijke schade inmiddels bekend is, dat deze bestaat uit de posten die staan in het door haar als productie 23 overgelegde overzicht (met facturen uit 2025) en dat deze schade uitstijgt boven het bedrag van de contractuele boete. Het door [eiser] overgelegde overzicht is gesplitst in drie categorieën: “onkosten” van € 31.472,69, advocaat- en proceskosten van € 8.289,44 en wettelijke rente van € 17.218,36, berekend over de koopsom vanaf 1 maart 2025 tot en met 3 november 2025. [gedaagde ] heeft die posten gemotiveerd weersproken.

4.13. De rechtbank stelt daarmee vast dat begroting van de gestelde schade in deze procedure mogelijk is; daarvoor is de schadestaatprocedure niet nodig. De schadestaatprocedure is evenmin bedoeld voor beoordeling van schade die in de hoofdzaak wel bekend en gesteld is, maar door de rechter onvoldoende onderbouwd wordt geacht.

[eiser] heeft bovendien alleen belang bij begroting van de werkelijke schade indien en voor zover het bedrag van die werkelijke schade hoger is dan het bedrag dat de rechtbank op grond van het boetebeding toewijst. Dat heeft [eiser] echter onvoldoende onderbouwd.

4.14. Het onderdeel “onkosten” bevat posten die [eiser] niet of nauwelijks heeft onderbouwd. [eiser] stelt 13 (volledige) dagen te hebben opgenomen voor “overschrijven en klussen”, wat uitkomt op een bedrag van € 2.240,00. Voorstelbaar is dat [eiser] vanwege haar werk in de zorg (volledige) dagen vrij heeft moeten nemen in verband met de meermalen geplande datum voor de notariële levering, maar daarbij is onvoldoende toegelicht om welke en hoeveel dagen het dan gaat. Daarbij kon niet volstaan worden met enkele overlegging van 10 pagina’s aan werkgerelateerde overzichten. Bovendien heeft [eiser] , zonder toelichting die ontbreekt, onvoldoende onderbouwd waarom klusuren verband houden met de tekortkoming van [gedaagde ] , bestaande uit niet tijdige levering. Onduidelijk is waarom de (met alleen twee bankoverschrijvingen onderbouwde) post van € 20.000,00 voor een voor tijdelijke bewoning bestemde woonunit, schade vormt waarvoor [gedaagde ] aansprakelijk is. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting niet kunnen aangeven wanneer zij haar oude woning moest verlaten, zodat onduidelijk is gebleven in hoeverre zij extra woonkosten heeft moeten maken. Ter zitting is wel duidelijk geworden dat zij in juni 2026 nog steeds in deze woonunit verblijft in verband met werkzaamheden aan de woning. Daarmee lijkt een groot deel van de kosten van de woonunit niet aan de tekortkoming van [gedaagde ] te kunnen worden toegerekend. Als het gaat om de overige posten “Transportkosten woonunit”, “Gastank aanschaf en plaatsing”, “Stroom- en wateraanleg”, “Verharding ondergrond unit”, “Alle klusuren”, “Dakbedekking unit”, “Verf unit buitenkant”, “Trespa platen, afdichting unit”, “Kluswerkzaamheden interieur Klusmaterialen (verf, badkamer, vernieuwd plafond)” oordeelt de rechtbank dat [eiser] daarmee onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat en waarom het gaat om schade waarvoor [gedaagde ] vanwege het niet tijdig meewerken aan levering aansprakelijk is. Daar komt bij dat de facturen die [eiser] heeft overgelegd (en die dateren uit de periode augustus tot december 2025) op naam staan van “ [V.O.F. 1] en [V.O.F. 2] ”, “ [V.O.F. 1] en [V.O.F. 2] ”, “ [firma] ”, danwel “ [naam] ”, zonder dat [eiser] heeft onderbouwd waarom de betreffende factuurbedragen voor haar schade vormen.

4.15. Verder heeft [eiser] niet kunnen toelichten waarom de door haar opgevoerde schadepost van ruim € 17.000,00 terzake wettelijke rente die zij heeft berekend over de koopsom, juist voor haar als koper schade vormt, te minder nu gesteld noch gebleken is dat zij die koopsom op 1 maart 2025 al had betaald. De verwijzing door [eiser] naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant ( ECLI:NL:RBOBR:2025:3882 ) noopt niet tot een ander oordeel omdat het in die zaak ging om schade van de verkoper als gevolg van – kort gezegd – latere ontvangst van de koopsom. Het betreft dus geen vergelijkbare zaak.

4.16. Tot slot stelt [eiser] dat haar advocaatkosten van ruim € 8.000,00 onderdeel vormen van haar werkelijke schade, maar onderbouwt zij niet hoe deze kosten zich verhouden tot haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en tot vergoeding van proceskosten. Zonder onderbouwing, die ontbreekt, kan zij in beginsel geen aanspraak maken op vergoeding van meer kosten dan waarvoor de regeling op grond van artikel 6:96 BW danwel het liquidatietarief een vergoeding pleegt in te houden.

4.17. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat het bedrag van de werkelijke schade van [eiser] lager ligt dan het bedrag van de contractuele boete. Onder die omstandigheid en gelet op de verleende korting op de koopsom is de rechtbank van oordeel dat de billijkheid niet eist dat naast de contractuele boete aanvullende schadevergoeding wordt toegekend. De vordering, voor zover deze strekt tot verwijzing naar de schadestaatprocedure, wordt daarom afgewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten en de proceskosten

4.18. [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde ] consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). [eiser] heeft aan [gedaagde ] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat de daarin genoemde termijn van veertien dagen aanvangende de dag na aanmaning, niet in acht is genomen. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.

4.19. [eiser] vordert [gedaagde ] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten ter grootte van € 437,99. Uit de door [eiser] overgelegde factuur blijkt dat dit bedrag betrekking heeft op de deurwaarderskosten (beslaglegging OZ, overbetekening, informatiekosten BRP, inschrijvingskosten Kadaster). Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Daarnaast is op grond van genoemd artikel een bedrag voor griffierecht en salaris advocaat toewijsbaar. Deze veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. De beslagkosten worden begroot op:

  • exploten € 437,99
  • griffierecht € 331,00
  • salaris advocaat € 1.290,00 (1 punt × tarief IV € 1.290,00) Totaal € 2.058,99

4.20. [gedaagde ] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding 146,43 - griffierecht 1.043,00 - salaris advocaat 2.580,00 (2 punt × tarief IV € 1.290,00) - nakosten 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal 3.958,43

4.21. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten alsmede de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 42.250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling een bedrag van € 2.058,99 aan beslagkosten,

5.3. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.958,43 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde ] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslagkosten en over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

954

HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263 , r.o. 3.4.2. HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 .