ECLI:NL:RBDHA:2026:26883 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / AWB 26/15428
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam), voorzieningenrechter mr. F.A. Groeneveld (griffier mr. B. Tijssen), zaaknr. AWB 26/15428. Partijen: [verzoeker] (V‑nummer [v‑nummer], gemachtigde D. Yurteri Cetin) tegen de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde mr. C.J. Ohrtmann). Uitspraak d.d. 15 september 2026.
Feiten en procesverloop
- Verzoeker had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking “zoekjaar hoogopgeleiden” (geldig 1‑9‑2025 tot 1‑9‑2026). Op 25 augustus 2026 vroeg hij wijziging van de beperking aan naar “arbeid als kennismigrant”. De minister had die aanvraag nog niet beslist.
- Op 8 september 2026 kreeg verzoeker bij een IND‑loket een sticker in zijn paspoort met de arbeidsmarktaantekening: “Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist.” Op 9 september 2026 maakte verzoeker bezwaar tegen die aantekening en verzocht op dezelfde dag om een voorlopige voorziening.
- Een eerdere verzoek om voorlopige voorziening werd op 11 september 2026 (AWB 26/15209) afgewezen omdat onverwijlde spoed niet voldoende was aangetoond en financiële nood en dreigend ontslag onvoldoende waren onderbouwd.
- Verzoeker diende een nieuw verzoek in op 13 september 2026 en overgelegd werden aanvullende stukken: een verklaring van de werkgever waarin ontslag wordt aangezegd indien verzoeker niet direct kan aantonen dat hij rechtmatig mag werken, een brief van de verhuurder over betalingsachterstand en een overzicht van de financiële situatie.
- De voorzieningenrechter sloot het onderzoek na een schriftelijke reactie van verweerder (15 september 2026) en besloot zonder zitting ex art. 8:83 lid 4 Awb vanwege vermeende onmiddellijke spoed.
Rechtsgrondslag en toetsingskader
- De voorzieningenrechter verwijst naar art. 8:81 Awb (voorlopige voorzieningen bij bezwaar/beroep) en art. 8:83 lid 4 Awb (oordeel zonder zitting bij onverwijlde spoed).
- De voorzieningenrechter merkt op dat een volledige inhoudelijke beoordeling over de vraag of de minister terecht de aantekening “tewerkstellingsvergunning vereist” hanteert, vragen oproept die complex zijn (relatie met het Besluit 1/80 en de standstill‑bepaling, en de mogelijkheid van individuele afwijking). Een dergelijke diepgaande beoordeling is in de voorlopige vreemdelingenpiketprocedure niet geschikt; daarom wordt volstaan met een belangenafweging.
Beoordeling en motivering
- Verschil met eerdere beslissing: nu zijn er concrete en onderbouwde stukken waaruit blijkt dat de werkgever concreet voornemens is het dienstverband te beëindigen wegens de verblijfs-/arbeidsstatus van verzoeker, en dat verzoeker zich in een financieel precaire situatie bevindt (o.a. forse betalingsachterstanden). Daarmee is onverwijlde spoed en een spoedeisend belang aannemelijk geworden.
- Bij de belangenafweging weegt de voorzieningenrechter zwaar dat voortzetting van het dienstverband voor verzoeker van groot financieel belang is en dat toewijzing slechts een tijdelijke maatregel is (verlenging van de feitelijke situatie vóór 1‑9‑2026) totdat op het bezwaar is beslist. De maatregel is dus niet zeer verstrekkend.
- Tegenover dit individuele belang staat het door verweerder genoemde algemene belang bij het voorkomen van misbruik en schijnconstructies op de arbeidsmarkt, waarvoor de minister arbeidsmarktaantekeningen kan gebruiken. De voorzieningenrechter acht dat algemeen belang begrijpelijk, doch in deze concrete individuele situatie minder zwaarwegend dan het belang van verzoeker.
Beslissing (voorlopige voorziening)
- De voorzieningenrechter gelast dat aan verzoeker een nieuwe sticker met verblijfsaantekening wordt verstrekt waarin de arbeidsmarktaantekening luidt: “arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist”. Deze sticker geldt totdat verweerder op het bezwaar van verzoeker heeft beslist.
- Proceskosten: verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker van € 934,- (vaststelling op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht: 1 punt à € 934,-). Omdat verzoeker geen griffierecht heeft betaald, behoeft verweerder dit niet te vergoeden.
- De uitspraak is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op 15 september 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Landelijk piket
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/15428
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Op 8 september 2026 heeft verweerder een sticker met een verblijfsaantekening, met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’, aan verzoeker verstrekt.
Op 9 september 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de sticker, voor zover daarin de arbeidsmarktaantekening is opgenomen dat een tewerkstellingsvergunning is vereist.
Op dezelfde dag heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 11 september 2026 (AWB 26/15209) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker heeft op 13 september 2026 een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft gevraagd of verweerder zich verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.
Verweerder heeft op 15 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken aangezien verzoeker stelt op zeer korte termijn te worden ontslagen.
3. Verzoeker had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘zoekjaar hoogopgeleiden’. Deze verblijfsvergunning had een geldigheidsduur van 1 september 2025 tot 1 september 2026. Verzoeker heeft op 25 augustus 2026 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning naar ‘arbeid als kennismigrant’. Verweerder moet hierop nog een beslissing nemen. Verzoeker heeft op 8 september 2026 bij een IND-loket in Den Haag een sticker in zijn paspoort gekregen waarop is vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft en mag werken, maar dat er wel een tewerkstellingsvergunning vereist is. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afgifte van deze sticker, omdat zijn werkgever het hem niet zou toestaan om te werken zolang hij geen sticker heeft die hem het onvoorwaardelijk recht geeft om te werken.
4. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft een eerder verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 11 september 2026 afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet was gebleken van onverwijlde spoed bij de gevraagde voorziening. Verzoeker had zijn stelling dat zijn werkgever hem, als hij geen gunstiger sticker zou krijgen, binnen twee dagen zou ontslaan en dat daarmee zijn (op 17 augustus 2026 aangevangen) arbeidsrelatie definitief zou worden beëindigd, namelijk niet onderbouwd. Daarnaast had verzoeker evenmin met documenten onderbouwd dat een financiële noodsituatie zou dreigen indien zijn werkgever toch over zou gaan tot ontslag.
5. Verzoeker heeft op 13 september 2026 een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening ingediend met dezelfde strekking als het verzoek van 9 september 2026. Verzoeker heeft daarbij diverse documenten ter onderbouwing van zijn spoedeisende belang overgelegd, waaronder begrepen een verklaring van zijn werkgever waarin een ontslag wordt aangezegd wanneer verzoeker niet direct kan aantonen dat hij rechtmatig werk mag verrichten, een brief van zijn verhuurder omtrent een betalingsachterstand en een overzicht van zijn huidige financiële situatie.
6. De voorzieningenrechter ziet in de thans door verzoeker ingebrachte stukken, anders dan in de uitspraak van 11 september 2026, aanleiding om nu wel aan te nemen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Met de overgelegde stukken wordt namelijk onderbouwd dat er een concreet voornemen bestaat bij verzoekers werkgever om het dienstverband te beëindigen gelet op zijn ‘verblijfs-/arbeidsstatus’ en dat er tevens sprake is van een financieel precaire situatie die mede veroorzaakt wordt ofwel op korte termijn aanzienlijk zal verslechteren door de op handen zijnde beëindiging van het dienstverband. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat verzoeker diverse en forse betalingsachterstanden heeft, onder meer bij de verhuurder van zijn huurwoning.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van het vreemdelingenpiket zich niet voor een grondige beoordeling van de vraag in welke situatie verweerder gebruik maakt van zijn bevoegdheid om arbeid, zonder tewerkstellingsvergunning, aan de verzoeker toe te staan. In dit kader is van belang dat op zeer korte termijn het dienstverband van verzoeker zeer wel mogelijk zal worden beëindigd en dat de rechtsvragen die moeten worden beantwoord aanzienlijk complex zijn. Zo zal onder meer worden beoordeeld of verweerder in een zaak als onderhavige al dan niet terecht als uitgangspunt de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’ verstrekt, in hoeverre dit zich verhoudt met het Besluit 1/80 en daarin opgenomen standstill-bepaling en of er individuele omstandigheden zijn die tot een afwijking van dat uitgangspunt nopen. De voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van het vreemdelingenpiket acht de voorzieningenrechter voor beantwoording hiervan niet geschikt, zodat hij zal volstaan met een belangenafweging.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is hiervoor allereerst relevant dat verzoeker een zwaarwegend (financieel) belang heeft om zijn dienstverband voort te kunnen zetten. Verder geldt dat een toegewezen verzoek slechts inhoudt dat verzoeker tijdelijk, in afwachting van een beslissing op zijn bezwaar, mag werken, zonder dat een tewerkstellingsvergunning vereist is. Dat is in feite een voortzetting van de situatie zoals die voor 1 september 2026 aan de orde was. Een toewijzing van het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarmee niet zeer verstrekkend. Daarbij komt dat verweerder zelf in de hand heeft hoe lang die periode duurt. Verweerder heeft naar voren gebracht dat er een wettelijke plicht bestaat om misbruik en schijnconstructies op de arbeidsmarkt te voorkomen en dat dit belang onder meer wordt gediend met het verstrekken van arbeidsmarktaantekeningen met al dan niet daarbij opgenomen dat een tewerkstellingsvergunning in voorkomend geval wordt verlangd. Hoewel de voorzieningenrechter in algemene zin zeker begrip heeft voor dit standpunt, acht hij dit belang in het voorliggende individuele geval van verzoeker minder zwaarwegend dan dat van verzoeker.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande bepaalt de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening dat een nieuwe sticker met een verblijfsaantekening, met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’, aan verzoeker wordt verstrekt, die geldig is totdat verweerder op het bezwaar van verzoeker heeft beslist.
10. Omdat verzoeker geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder dat niet te vergoeden.
11. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat een nieuwe sticker met een verblijfsaantekening, met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist’, aan verzoeker wordt verstrekt, die geldig is totdat op het bezwaar van verzoeker is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op 15 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: