ECLI:NL:RBDHA:2026:21610 Rechtbank Den Haag , 27-07-2026 / NL26.19346
Samenvatting
Partijen
- Verzoeker: [verzoeker], V-nummer [V-nummer], gemachtigde mr. J.C.M. van Oort.
- Verweerder: de minister van Asiel en Migratie.
- Zaaknummer voorzieningenrechter: NL26.19346. Eerdere voorlopige voorziening (verwant): NL25.61666. ECLI van eerder besluit: NL:RBDHA:2026:20167.
- Beslissers: voorzieningenrechter mr. R.J.A. Schaaf; griffier mr. S. Westerhof.
Feiten en procesgang
- Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een verblijfssticker die de minister op 26 maart 2026 aan hem heeft verstrekt; op die sticker stond de aantekening “arbeid niet toegestaan” en de mededeling dat uitzetting achterwege blijft totdat op een (gerelateerd) verzoek om voorlopige voorziening is beslist. De sticker was geldig tot 26 september 2026, tenzij eerder op die voorlopige voorziening werd beslist.
- Verzoeker had bij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die hem zou toestaan te werken. Dat verzoek was ingediend op 16 december 2025.
- Op 22 juni 2026 is op het gerelateerde verzoek om voorlopige voorziening beslist (ECLI:NL:RBDHA:2026:20167) en dat verzoek is afgewezen.
Rechtsvraag en motivering
- De voorzieningenrechter beoordeelde of toewijzing van de voorlopige voorziening (vergunning om te werken) gerechtvaardigd was. Omdat op het gerelateerde verzoek al een beslissing was genomen (afwijzing op 22 juni 2026), was de grondslag van de door de minister verstrekte sticker komen te vervallen: de tijdelijke schorsing van uitzetting en de voorwaarden verbonden aan de sticker hielden op te bestaan zodra over de voorlopige voorziening was beslist.
- Gelet daarop bestond er geen aanleiding om alsnog een provisioneel recht tot arbeid toe te kennen. De voorzieningenrechter oordeelde het verzoek dan ook kennelijk ongegrond en kon op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb zonder mondelinge behandeling beslissen.
Besluit en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
- De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op 27 juli 2026.
- Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Kern: omdat een eerder gerelateerd verzoek om voorlopige voorziening al op 22 juni 2026 was afgewezen, verviel de verblijfssticker en ontbrak iedere grond om verzoeker provisioneel toestemming te geven tot arbeid; daarom werd het verzoek kennelijk ongegrond en afgewezen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker heeft een verblijfssticker met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat hij mag werken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om dit te doen. De verblijfssticker is namelijk niet langer geldig.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19346
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2. Met het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft de minister aan verzoeker een verblijfssticker verstrekt met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verder heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat hij mag werken.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Aan verzoeker is op 26 maart 2026 een verblijfssticker verstrekt. Hierop staat dat uitzetting achterwege blijft totdat is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is ingediend op 16 december 2025.
2.1. In de uitspraak van 22 juni 2026 is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. In die uitspraak is het verzoek afgewezen.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 juli 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.