ECLI:NL:RBDHA:2026:26873 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.22246
Samenvatting
Eisers ([naam], V-nummer: [nummer] en [naam], V-nummer: [nummer], gemachtigde mr. J. Oosterhof) hebben tegen de minister van Asiel en Migratie beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvraag van 17 februari 2024. In een eerdere procedure (rechtbank Zwolle) was de minister al veroordeeld tot het binnen zestien weken beslissen en was bij overschrijding een dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) opgelegd. Dit geding betreft het opvolgend beroep omdat de minister opnieuw niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank (Den Haag, zittingsplaats Groningen; enkelvoudige kamer, mr. H. Hanssen-Telman) oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Juridische uitgangspunten die de rechtbank toepast: voorafgaand aan een eerste beroep tegen niet-tijdig beslissen is een ingebrekestelling vereist (artikelen 6:12 Awb e.a.), maar bij een volgend beroep op dezelfde aanvraag is geen nieuwe ingebrekestelling noodzakelijk. De rechtbank constateert dat de in juli 2025 opgelegde beslistermijn van zestien weken niet is nagekomen.
De rechtbank past vervolgens haar beoordelingskader voor termijnen aan. Sinds 12 juni 2026 is het EU Asiel- en migratiepact (Verordening (EU) 2024/1348) van kracht; de zogenaamde voornemenprocedure is vervallen, waardoor na het gehoor sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. Waar de zittingsplaats voorheen het 8+8-wekenmodel hanteerde (8 weken voor het gehoor, daarna 8 weken voor besluitvorming), wordt dit gewijzigd naar een 8+4-wekenmodel (8 weken voor het gehoor, 4 weken na het gehoor). Gelet op de overschrijding van de wettelijke bovengrens van 21 maanden (artikel 35, zevende lid Procedureverordening) acht de rechtbank in dit geval een nog kortere termijn passend: de minister krijgt als uitgangspunt zes weken om alsnog een besluit te nemen, met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
Ten aanzien van een dwangsom beslist de rechtbank uitsluitend een rechterlijke dwangsom op te leggen en sluit zich onverkort aan bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB, aanbeveling van 21 mei 2026) geformuleerde richtlijn voor uniformering. De minister wordt veroordeeld tot betaling van €50 per dag dat de nieuwe beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000 (waarmee wordt afgeweken van de eerdere €100-per-dag maatregel uit het vorige vonnis). De rechtbank merkt op dat bij opvolgend beroep geen hogere dwangsom wordt opgelegd, zoals de LOVB aanbeveelt. De proceskosten van eisers worden vastgesteld op €467 en de minister wordt daartoe veroordeeld.
De uitspraak vernietigt het feitelijke niet-tijdig nemen van een besluit, verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen zes weken na publicatie een besluit op de aanvraag bekend te maken; bij nalaten volgt de genoemde dwangsom. De uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, griffier A.W. Landman. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Opvolgend BNT asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22246
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer]
Gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard.
1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 17 februari 2024.
1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.
3. In de uitspraak van 29 juli 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.