ECLI:NL:RBDHA:2026:26868 Rechtbank Den Haag , 15-09-2026 / NL26.52231
Samenvatting
Kort gedingsoverzicht Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg), zaaknummer NL26.52231. Uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 15 september 2026 (mr. E.F. Bethlehem, griffier mr. P. Lukanika). Eiser: [eiser] (V-nummer: [V-nummer]), Turkse nationaliteit, vertegenwoordigd door mr. M.B. van den Toorn-Volkers (op zitting waargenomen door mr. S.A.M. Fikken); tolk: [naam]. Verweerder: de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde mr. L. Hartog.
Feiten en procesverloop
- Verweerder legde bij besluit van 6 september 2026 aan eiser vreemdelingenbewaring op krachtens art. 59 lid 1 Vreemdelingenwet 2000 (Vw), wegens belangen van openbare orde/nationale veiligheid (onderduikrisico). De kennisgeving van dat besluit werd gelijkgesteld met het instellen van beroep (en tevens aangemerkt als verzoek om schadevergoeding). Het beroep werd op 10 september 2026 mondeling behandeld.
- Eiser, geboren in 1990, heeft de Turkse nationaliteit. Zijn verblijfsvergunning was eerder ingetrokken omdat hij niet langer voldeed aan de beperking van hoofdverblijf in Nederland; tegelijk is een terugkeerbesluit opgelegd (voornemen 25 juni 2026; beschikking 16 juli 2026). Die stukken waren naar een in Turkije gelegen adres gestuurd. Uit het proces-verbaal van 6 september 2026 blijkt dat eiser zich op 14 december 2025 uit de BRP liet uitschrijven wegens emigratie naar Turkije en dat hij dat Turkse adres heeft opgegeven.
Beoordeling (rechtsvragen en motivering)
- Toetsingskader: Vreemdelingenbewaring is toegestaan wanneer het belang van openbare orde of nationale veiligheid dit eist en geen minder dwingende maatregel effectief is; bij onderduikrisico is vereist dat ten minste twee van de in art. 5.6 lid 2 Vreemdelingenbesluit (Vb) genoemde gronden zich voordoen. (Par. 2 rechtbank.)
- Rechtsgeldigheid terugkeerbesluit: Eiser stelde dat hij het voornemen en de beschikking nooit had ontvangen en dat uitschrijving uit de BRP zou betekenen dat hij al in Turkije verbleef, zodat het terugkeerbesluit niet meer relevant/ongeldig zou zijn. De rechtbank oordeelde anders: materiaal (proces-verbaal en verklaringen ter zitting) toont dat eiser zich in de feitelijke werkelijkheid niet uit Nederland heeft verwijderd, dat hij in Nederland werkte en dat hij niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan. Het aan hem toegezonden adres in Turkije was het adres dat hij zelf bij uitschrijving heeft opgegeven; het niet ontvangen van stukken komt voor zijn rekening en raakt de rechtsgeldigheid van het terugkeerbesluit niet. Daarom is het terugkeerbesluit rechtsgeldig en van kracht. (Par. 3–4)
- Gronden voor bewaring: In de maatregel vermeldde verweerder aanvankelijk de volgende gronden uit art. 5.6 e.a.: b (eerdere kennisgeving/terugkeerbesluit zonder vrijwillig vertrek), p (niet-naleving van andere verplichtingen uit hoofdstuk 4 Vb), r (geen vaste woon- of verblijfplaats) en t (verdacht of veroordeeld voor enig misdrijf). Tijdens zitting liet verweerder grond t vallen. Eiser betwistte grond b met de stelling dat verzending naar Turkije zou impliceren dat hij al teruggekeerd was. De rechtbank concludeerde dat grond b, evenals p en r, terecht en voldoende gemotiveerd zijn opgenomen. Deze gronden samen vormen voldoende basis voor het aannemen van een onderduikrisico en daarmee voor de rechtvaardiging van vreemdelingenbewaring (ook onder het vereiste dat minimaal twee gronden zich voordoen). (Par. 5–8)
- Ambtshalve toets: de rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot het oordeel te komen dat de bewaring op enig moment onrechtmatig was. (Par. 9)
Beslissing
- Het beroep is ongegrond; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen; eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Beschikking openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending/plaatsing.
Kern: Rechtbank bevestigt rechtsgeldigheid van het eerder opgelegde terugkeerbesluit ondanks verzending naar het door eiser bij uitschrijving opgegeven Turkse adres, oordeelt dat eiser feitelijk in Nederland verbleef en niet aan zijn terugkeerverplichting had voldaan, en acht de overgelegde gronden (met name b, p en r) genoegzaam voor het aannemen van een onderduikrisico en voor de rechtmatigheid van de oplegging van vreemdelingenbewaring.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
vreemdelingenbewaring o.g.v. artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – rechtsgeldigheid terugkeerbesluit – ambtshalve toets – beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.52231
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 6 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Turkse nationaliteit.
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.
3. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat een rechtsgeldig terugkeerbesluit is uitgereikt en dit betekent dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is. Hij stelt dat hij het voornemen van 25 juni 2026 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een terugkeerbesluit, alsmede de beschikking van 16 juli 2026 waarbij daartoe is besloten, nooit heeft ontvangen. Deze stukken zijn door verweerder verzonden naar een adres in Turkije. Daarmee is volgens eiser ook nog eens sprake van een tegenstrijdigheid, omdat ervan wordt uitgegaan dat hij zich reeds in Turkije bevond en dus al aan de terugkeerverplichting had voldaan.
4. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verblijfsvergunning van eiser destijds is ingetrokken omdat hij niet langer voldeed aan de beperking van de verblijfsvergunning, namelijk hoofdverblijf in Nederland. Op dat moment is ook een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Dit staat in rechte vast. Uit het proces-verbaal van gehoor van 6 september 2026 en de overgelegde stukken blijkt dat eiser zich op 14 december 2025 heeft laten uitschrijven uit de BRP
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
6. Verweerder heeft ter zitting grond t laten vallen.
7. Eiser betwist grond b, omdat verweerder het voornemen van 25 juni 2026 en de beschikking van 16 juli 2026 naar een adres in Turkije heeft verzonden en er daarmee van wordt uitgegaan dat hij zich reeds in Turkije bevond en aan de terugkeerverplichting had voldaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden b, p en r terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van grond b verwijst de rechtbank naar hetgeen onder rechtsoverweging 4 is overwogen. Ten aanzien van de gronden p en r is de rechtbank van oordeel dat deze gronden voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.