ECLI:NL:RBDHA:2026:26757 Rechtbank Den Haag , 14-09-2026 / NL26.47633
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg), zaaknummer NL26.52228. Eiser: [eiser] (geboren [datum] 2001, Turkse nationaliteit), gemachtigde mr. M.B. van den Toorn‑Volkers; op zitting bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer; tolk: [tolk]. Verweerder: de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde mr. L. Hartog. Zitting gehouden op 10 september 2026; besluit tot vreemdelingenbewaring genomen op 5 september 2026. Uitspraak gedaan en geanonimiseerd gepubliceerd op 14 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem.
Feiten en besluit
- Op 5 september 2026 legde de minister aan eiser vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000, mede in het kader van de Asiel‑ en migratiebeheerverordening (AMB‑Vo, Verordening (EU) 2024/1351). De kennisgeving van dat besluit werd door de wet gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep (en als verzoek om schadevergoeding).
- In de maatregel vermeldde de minister dat concrete aanwijzingen bestonden dat eiser onder de werkingssfeer van de AMB‑Vo valt en dat een onderduikrisico bestaat, waardoor bewaring nodig zou zijn ter waarborging van overdrachtprocedures.
- Als motiverende gronden werden in de maatregel genoemd: a) niet op voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen/ondanks toezicht onttrokken of zonder toestemming tussen lidstaten gereisd; c) onvoldoende meewerken bij vaststelling identiteit/ nationaliteit; e) zich ontdaan van reis‑/identiteitsdocumenten; p) niet gehouden aan verplichtingen uit hoofdstuk 4 Vb; r) geen vaste woon‑ of verblijfplaats; s) onvoldoende middelen van bestaan.
Toetsingskader
- De rechtbank verwijst naar artikel 44 AMB‑Vo en artikel 59a Vw: detentie voor overdracht aan verantwoordelijke lidstaat is toegestaan bij onderduikrisico of noodzakelijkheid voor nationale veiligheid/openbare orde, op basis van individuele beoordeling, proportionaliteit en wanneer minder dwingende maatregelen niet effectief zijn.
- Ook het Vreemdelingenbesluit (Vb) bepaalt dat voor toepassing bij onderduikrisico minimaal twee in artikel 5.6, tweede lid, genoemde gronden aanwezig moeten zijn; daarnaast moet de minister aantonen dat vrijheidsontneming noodzakelijk is en dat minder ingrijpende maatregelen niet voldoen.
Beoordeling en motivering van de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel. Zij oordeelt dat de in het besluit aangevoerde gronden a, c, p, r en s juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd in de maatregel. Deze vijf grondslagen zijn op zichzelf voldoende om het vereiste onderduikrisico aan te nemen.
- Omdat aan de vereisten van het Vb (aanwezigheid van meerdere gronden) en aan de AMB‑Vo (individuele beoordeling en proportionaliteit) was voldaan en de minister heeft beargumenteerd dat minder dwingende maatregelen niet effectief waren, ziet de rechtbank geen aanwijzing dat de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
- De rechtbank merkt op dat grond e wel in de maatregel is genoemd, maar dat de door de rechtbank aanvaarde gronden a, c, p, r en s reeds voldoende steun geven aan de bewaring.
Uitspraak
- Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.
- Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
- Informatie over hoger beroep: een partij kan binnen één week na verzending/plaatsing van de uitspraak een hogereberoepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Kort samengevat neemt de rechtbank het besluit van de minister tot vreemdelingenbewaring in stand omdat voldoende en specifiek gemotiveerde gronden voor een onderduikrisico zijn vastgesteld en de vereisten van de AMB‑Vo en het Vreemdelingenbesluit inzake proportionaliteit en uitputting van minder dwingende maatregelen zijn nageleefd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring o.g.v. artikel 59a, eerste lid, van de Vw – eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank – ambtshalve toets – beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.52228
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 5 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)
3. Op grond van het Vb
4. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de AMB-Vo. Ook staat erin dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser refereert zich ten aanzien van de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan het oordeel van de rechtbank.
7. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, c, p, r en s juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.