ECLI:NL:RBDHA:2026:25705 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / C/09/695984 / FA RK 25-9378
Samenvatting
De rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer, kinderrechter mr. A.C. Olland; griffier mr. E.X.R. Yi) heeft op 6 augustus 2026 beschikking gedaan naar aanleiding van het verzoekschrift van [de moeder] (advocaat mr. N. van Amsterdam) dat op 12 december 2025 is ingekomen. De moeder verzocht haar te ontheffen van de uitoefening van het ouderlijk gezag over haar zoon [minderjarige] (geboren [geboortedatum] 2019) en de voogdij te laten overgaan op de oma ([de oma], die schriftelijk heeft verklaard de voogdij te aanvaarden). Als belanghebbende is de oma aangemerkt; als informant treedt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering op. Op 23 juli 2026 vond een gecombineerde zitting plaats, waarbij ook mondeling is beslist de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 26 januari 2027 (schriftelijke uitwerking apart).
Feiten en procespartijen: de moeder is alleen met het ouderlijk gezag belast; [minderjarige] verblijft thans bij [zorginstelling]. Uit de BRP blijkt dat moeder, oma en [minderjarige] de Amerikaanse nationaliteit hebben. Eerdere kinderrechterlijke maatregel: ondertoezichtstelling 26 jan 2026–26 jan 2027; uithuisplaatsing beoogd van 26 jan–26 jul 2026 (later verlengd zoals vermeld). Op de zitting waren aanwezig de moeder (met advocaat en tolk P. Berry), de oma, een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming ([naam 1]) en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling ([naam 2] en [naam 3]).
Standpunt moeder: de moeder stelt dat haar psychische problematiek (geestelijke stoornis) haar verhindert [minderjarige] te verzorgen en belangrijke beslissingen te nemen; de problematiek is niet tijdelijk. Zij zegt niet altijd bereikbaar te zijn voor de oma. De moeder en oma handelen in de praktijk al zo dat de oma alle beslissingen neemt. Voorts wijst de moeder op het autisme en hoge zorgbehoefte van [minderjarige], en op onzekerheid rond haar verblijfsstatus (visum verlopen juli 2025), waardoor zij betoogt dat benoeming van de oma in het belang van het kind is. De oma heeft verklaard de voogdij te aanvaarden.
Juridische toetsing en overwegingen rechtbank: de rechtbank constateert Nederlandse rechtsbevoegdheid (gewone verblijfplaats kind in Nederland) en verwijst naar het wettelijke kader: art. 1:246 BW (onbevoegdheid tot gezag bij zodanige geestvermogensstoornis), en art. 1:295 en 1:299 BW (benoeming voogd). Uit stukken en het raadsrapport van 5 januari 2026 blijken zorgen omtrent de geestelijke toestand van de moeder en de onderlinge relatie tussen moeder en oma (momenteel goed, maar in het verleden kwetsbaar en gespannen; oma mogelijk te bepalend). De rechtbank oordeelt echter dat de beschikbare informatie onvoldoende is om vast te stellen dat de moeder duurzaam niet in staat is het gezag uit te oefenen en evenmin is er voldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de oma. Daarom is onmiddellijke benoeming van de oma niet gerechtvaardigd op basis van het dossier.
Beslissing en vervolg: de rechtbank houdt de beslissing over ontheffing van gezag en benoeming van voogd aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek met rapport en advies uit te brengen. De Raad wordt concreet gevraagd te beantwoorden:
- of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:246 BW (duidelijke en duurzame verstoring van de geestvermogens van de moeder waardoor zij niet in staat is gezag uit te oefenen);
- zo ja, of benoeming van de oma (of een andere derde; en zo ja, welke) in het belang van [minderjarige] is;
- of (nadere) hulpverlening voor moeder, oma en/of [minderjarige] noodzakelijk is en welke hulpverlening wordt geadviseerd;
- of er nog andere zaken van belang zijn voor de beoordeling.
De griffier zendt een afschrift van de processtukken aan de Raad. De behandeling wordt pro forma aangehouden tot uiterlijk 1 februari 2027; uiterlijk dan dient de Raad zo mogelijk het rapport met advies aan de rechtbank te hebben uitgebracht (kopie aan beide ouders en hun advocaten). Na ontvangst zal de rechtbank beslissen of een nadere mondelinge behandeling nodig is en de Raad zonodig laten verschijnen. De beschikking is voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Een beslissing over proceskosten wordt eveneens aangehouden. De beschikking is uitgesproken door mr. A.C. Olland op de openbare zitting van 6 augustus 2026.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Voorziening in de voogdij in verband met geestelijke stoornis. Artikel 1:246 jo. 1:253q BW. Onvoldoende zicht op of de moeder duurzaam in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen. Gelasten raadsonderzoek.
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9378 Zaaknummer: C/09/695984 Datum beschikking: 6 augustus 2026
Voorziening in de voogdij in verband met geestelijke stoornis
(artikel 1:246 jo 1:253q BW)
Beschikking op het op 12 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. N. van Amsterdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de oma],
de oma, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. N. van Amsterdam te Leiden.
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 20 januari 2026 van de advocaat van de moeder, met als bijlage de referteverklaring van de oma.
Op 23 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Het betrof een gecombineerde behandeling van onderhavige procedure en de procedure ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, ingeschreven onder zaak- en rekestnummer C/09/707301 / JE RK 26-1069. Op laatstgenoemd verzoek is op de zitting mondeling beslist, in die zin dat de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd tot 26 januari 2027, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De schriftelijke uitwerking daarvan is in een afzonderlijke beschikking vastgelegd.
Op de zitting van 23 juli 2026 zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk P. Berry;
- de oma;
- [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);
- [naam 2] en [naam 3], namens de gecertificeerde instelling.
Feiten
- Uit het huwelijk van de moeder en de vader, [de vader], is het volgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna: [minderjarige]).
- De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- [minderjarige] verblijft momenteel bij [zorginstelling].
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de moeder, de oma en [minderjarige] de Amerikaanse nationaliteit hebben.
- Bij beschikking van 26 januari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 26 januari 2026 tot 26 januari 2027 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 januari 2026 tot 26 juli 2026.
Verzoek
De moeder heeft verzocht:
- te bepalen dat de moeder wordt ontheven van de uitoefening van het gezag over [minderjarige];
- te bepalen dat de oma voortaan de voogdij over [minderjarige] zal uitoefenen; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De oma heeft een verklaring ingediend waarin zij heeft verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
Beoordeling
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Een ouder is op grond van artikel 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet bevoegd het gezag uit te oefenen wanneer zijn/haar geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat die in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is. Op grond van artikel 1:295 BW benoemt de rechtbank een voogd over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wiens voogdij nog niet op wettige wijze is voorzien. Gelet op artikel 1:299 BW benoemt de rechtbank een voogd op verzoek, dat onder meer door bloed- of aanverwanten kan worden ingediend.
De moeder heeft verzocht om de oma met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zij heeft aangegeven dat zij vanwege haar psychische problematiek niet in staat is om [minderjarige] te verzorgen en om belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen. De moeder is niet altijd bereikbaar voor de oma. De problematiek van de moeder is niet van tijdelijke aard. Daarom hebben de moeder en de oma onderling afgesproken dat de oma in de praktijk alle beslissingen over [minderjarige] neemt. Het is in het belang van [minderjarige] om de oma te belasten met de voogdij, temeer nu [minderjarige] autisme en daarmee een verhoogde zorgbehoefte heeft. Ook is het visum van de moeder in juli 2025 verlopen en is haar verblijfsstatus in Nederland en daarmee die van [minderjarige] onzeker. Verder verblijft de moeder af en toe bij de oma, maar heeft zij geen eigen woning. De moeder kan [minderjarige] geen structureel onderdak bieden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de moeder met haar verzoek voornamelijk beoogt te bereiken dat de verblijfsstatus van [minderjarige] in Nederland zeker is en hij permanent in Nederland kan verblijven. De moeder woont momenteel in Nederland, maar het is nog onduidelijk of zij hier ook in de toekomst kan blijven. De moeder heeft toegelicht dat het verblijf van [minderjarige] aan het verblijfsrecht van de moeder is gekoppeld. Daarnaast is uit het raadsrapport van 5 januari 2026 en op de zitting is besproken gebleken dat de relatie tussen de moeder en de oma op dit moment goed is, maar er in het verleden wel zorgen waren over hun onderlinge relatie. Hun relatie was kwetsbaar, waarbij er ook een periode spanningen waren toen [minderjarige] nog thuis woonde. Ook zou de oma in hun relatie mogelijk te bepalend zijn geweest.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:246 BW: een verstoring van de geestvermogens waardoor de gezaghebbende ouder duurzaam niet in staat is het gezag uit te oefenen. Uit de stukken, waaronder het raadsrapport van 5 januari 2026 in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, is gebleken dat er zorgen zijn over de geestelijke toestand van de moeder. Er is echter nog onvoldoende zicht op of zij daardoor duurzaam in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen. Daarbij is ook nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de oma. Op dit moment heeft de rechtbank dan ook onvoldoende informatie om een beslissing te nemen op dit verzoek. Voordat een beslissing wordt genomen over het gezag/de voogdij over [minderjarige] zal de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken een onderzoek te doen en daarover rapport en advies uit te brengen. Dit is op de zitting ook met de betrokkenen besproken. De Raad wordt verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
- Is er sprake van een situatie bedoeld in artikel 1:246 BW: een verstoring van de geestvermogens van de moeder waardoor zij duurzaam niet in staat is het gezag uit te oefenen?
- Zo ja, is benoeming van de oma tot voogd in het belang van [minderjarige] en/of is het in het belang van [minderjarige] dat een derde tot voogd wordt benoemd (en zo ja, welke derde)?
- Is (nadere) hulpverlening voor de moeder, de oma en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
- Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag/de voogdij zal pro forma worden aangehouden tot na te melden pro formadatum. Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad zal de rechtbank bezien of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Indien de behandeling ter zitting wordt voortgezet, zal ook de Raad voor deze zitting worden opgeroepen.
Nu de rechtbank een beslissing over het gezag/de voogdij zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient antwoord te geven op de hiervoor vermelde vragen ten aanzien van het gezag/de voogdij over [minderjarige];
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot na te melden pro formadatum; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag/de voogdij en de proceskosten aan tot