Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:25642

ECLI:NL:RBDHA:2026:25642 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / C/09/652910 / FA RK 23-6218
Civiel recht > Personen- en familierecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer) heeft bij beschikking van 5 augustus 2026 het verzoek van [de vader] om een zorgregeling vast te stellen (dat [minderjarige] één dag per week en eens per twee weken op zaterdag van 12:00–16:00 uur bij hem verblijft) afgewezen.

Partijen en procedurele feiten

  • Verzoeker: [de vader], bijgestaan door mr. S. Oedayrajsingh Varma te Zoetermeer.
  • Respondent/belanghebbende: [de moeder], bijgestaan door mr. J.C. Herweijer te Wateringen.
  • Betrokken minderjarige: [minderjarige], die in raadkamer is gehoord.
  • Eerdere beslissing van 6 oktober 2025 had de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vastgesteld en de beslissing over de zorgregeling aangehouden; de Raad voor de Kinderbescherming werd aangewezen voor onderzoek en advies.
  • In het dossier: raadsrapport d.d. 30 maart 2026 (KZ-1-686TIZI) en F-9 formulieren van beide ouders (april en mei 2026). Zitting voortgezet op 8 juli 2026; de Raad was ter zitting vertegenwoordigd.

Feiten en bevindingen Raad

  • Na het vertrek van de moeder uit de echtelijke woning in november 2022 heeft [minderjarige] ruim twee jaar bij de vader gewoond; later hersteld contact waarbij [minderjarige] deels bij de moeder verbleef.
  • Op een gegeven moment koos [minderjarige] volledig bij de moeder te gaan wonen omdat zij zich niet meer veilig voelde bij de vader, naar aanleiding van een incident waarbij de vader erg boos werd en beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag vanuit een vriendinnetje.
  • [Minderjarige] geeft consequent aan geen contact met de vader te willen; sinds het contactverbod is er rust, maar ook spanningen en het gevoel dat niet beide ouders ruimte hebben in haar leven. Ouders communiceren slecht.
  • De Raad adviseert in beginsel contact met beide ouders, maar op dit moment geen gedwongen zorgregeling: dwingen zal averechts werken. Wel ziet de Raad mogelijkheden voor toekomstig, zorgvuldig contactherstel in het tempo van [minderjarige], met passende hulpverlening en ouderbegeleiding (onder meer ouderschapsbemiddeling).

Standpunten ouders

  • Vader: hecht aan contact, begrijpt de situatie niet volledig, erkent dat contact in het tempo van [minderjarige] moet verlopen maar wil een zorgregeling om onzekerheid en mogelijke verstoting te voorkomen; staat open voor hulpverlening.
  • Moeder: vindt contact in beginsel wenselijk maar wil [minderjarige] beschermen; ondersteunt het standpunt dat afdwingen averechts werkt; is (nog) niet bereid tot ouderschapsbemiddeling en verlangt eerst openheid, verantwoordelijkheid en spijt van de vader.

Rechtsopvatting en motivering rechtbank

  • De rechtbank sluit aan bij het raadsrapport en weegt zwaar dat [minderjarige] consequent en duidelijk aangeeft geen contact te willen en zich onveilig voelt. De mening van de minderjarige (gehoord in raadkamer) is bepalend gelet op haar leeftijd/fase.
  • Het dwingen tot contact zou averechts werken en is niet in het belang van [minderjarige]. Het belang van het kind (veiligheid, emotioneel welzijn en zelfbeschikking) prevaleert boven het belang van de vader bij vaststelling van een zorgregeling.
  • De rechtbank handhaaft eerdere overwegingen en wijst het verzoek van de vader af. Zij geeft beide ouders advies en aanbevelingen: inzetten op verbetering van onderlinge communicatie, deelname aan hulpverlening (o.a. via Kenniscentrum Kind & Scheiding) zodra beide bereid zijn; en de vader wordt aangemoedigd de weg naar contact open te houden (bijv. briefjes/kaartjes).

Beslissing

  • Het verzoek van de vader om een zorgregeling wordt afgewezen.
    Beschikking uitgesproken door mr. A.M. van der Vliet (kinderrechter), griffier mr. L.N. van Megesen.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:17281
Civiel recht > Personen- en familierecht
19-09-2025 90% soortgelijk
Zaakgegevens en partijen Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnr. FA RK 19‑1105 / zaaknr. C/09/568267, beschikking van 15 juli 2025. Verzoeker: [de vader], bijgestaan door mr. F. Arslan. Belanghebbende: [de moeder], bijgestaan...
ECLI:NL:RBDHA:2026:23783
Civiel recht > Personen- en familierecht
24-08-2026 89% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (Enkelvoudige Kamer), rekestnr. FA RK 26-4300 / zaaknr. C/09/704311 — beschikking 24 juli 2026 Partijen en vertegenwoording - Verzoeker: [de vader], woonadres bij rechtbank bekend; in het schriftelijk verzoek...
ECLI:NL:RBDHA:2026:19150
Civiel recht > Personen- en familierecht
11-07-2026 89% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), beschikking d.d. 10 juni 2026 (rekestnr. FA RK 26-2256; zaaknr. C/09/700880). Verzoeker: [de vader], bijgestaan door mr. L.C.T.M. Geurts te Den Haag. Belanghebbende/respondent: [de moeder], bijgestaan door...
ECLI:NL:RBDHA:2025:25934
Civiel recht
05-01-2026 88% soortgelijk
De rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer, kinderrechter mr. A.M. Brakel; griffier mr. M.A. Wien) heeft op 5 december 2025 het verzoek van [de vader] (adv. mr. T. Venneman) om een omgangsregeling met...
ECLI:NL:RBDHA:2026:3981
Civiel recht > Personen- en familierecht
28-02-2026 88% soortgelijk
Rechtbank Den Haag (Enkelvoudige kamer), rekestnr. FA RK 24-6627 / zaaknr. C/09/672511, beschikking 28 januari 2026 — samenvatting: Partijen - verzoekster: [de moeder], wonende op bij de rechtbank bekende adres; eerdere advocaat...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 23-6218 Zaaknummer: C/09/652910 Datum beschikking: 5 augustus 2026

Zorgregeling

Beschikking op het op 25 augustus 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.C. Herweijer te Wateringen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma te Zoetermeer.

Procedure

Bij beschikking van 6 oktober 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en een beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • het raadsrapport van 30 maart 2026, met kenmerk KZ-1-686TIZI;
  • het F-9 formulier van 14 april 2026, met bijlagen, van de vader;
  • het F-9 formulier van 17 april 2026, van de moeder;
  • het F-9 formulier van 4 mei 2026, van de moeder.

Op 8 juli 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de advocaat van de vader en [naam] namens de Raad.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Het nog voorliggende verzoek

De vader heeft zelfstandig verzocht een zorgregeling vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] één dag per week bij de vader verblijft en daarnaast eenmaal per twee weken op zaterdag van 12:00 uur tot 16:00 uur bij de vader zal verblijven, althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

Raadsrapport

Uit het raadsrapport – is samengevat – het volgende gebleken.

Nadat de moeder in november 2022 de voormalig echtelijke woning had verlaten, heeft [minderjarige] ruim twee jaar bij de vader gewoond. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verliep in beginsel moeizaam, omdat [minderjarige] zich door de moeder in de steek gelaten voelde. Uiteindelijk is het contact tussen hen hersteld, waarna [minderjarige] elke woensdag en om het weekend bij de moeder verbleef. Omdat [minderjarige] zich op een gegeven moment niet meer veilig bij de vader voelde, heeft zij ervoor gekozen volledig bij de moeder te wonen en het contact met de vader te verbreken. De aanleiding hiervoor was een incident dat tussen hen had plaatsgevonden, waarbij de vader erg boos op [minderjarige] is geworden. Ook zijn er vanuit een vriendinnetje van [minderjarige] beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag richting de vader geuit, waardoor [minderjarige] geen contact met de vader wil. De Raad maakt zich zorgen om [minderjarige] en de impact van deze gebeurtenissen. Hoewel er rust is ontstaan sinds [minderjarige] geen contact meer met de vader heeft, leidt de contactbreuk tegelijkertijd tot spanningen bij [minderjarige]. De Raad heeft dan ook de indruk dat [minderjarige] niet de ruimte voelt dat beide ouders een rol in haar leven mogen spelen. Dit gevoel wordt volgens de Raad versterkt doordat de ouders niet met elkaar communiceren.

Hoewel de Raad het in beginsel in het belang van [minderjarige] acht dat zij met beide ouders contact heeft, acht de Raad het – gelet op de gevoelens die bij [minderjarige] spelen – op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om haar te dwingen tot contact met de vader. [minderjarige] voelt zich namelijk niet veilig bij de vader en zij geeft ook duidelijk aan geen contact met hem te willen. Om deze reden vreest de Raad dat het dwingen van [minderjarige] tot contact met de vader averechts zal werken. De Raad adviseert dan ook op dit moment geen zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen. De Raad ziet echter wel mogelijkheden om – met inzet van passende hulpverlening – op langere termijn het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen. Hierbij is van belang dat het contactherstel zorgvuldig en in het tempo van [minderjarige] plaatsvindt. Eerst dient te worden gewerkt aan het herstel van het vertrouwen in de vader en het verminderen van de spanningen rondom het contact. Op het moment dat bij [minderjarige] ruimte ontstaat voor contact, kan hier in overleg met de betrokken hulpverlening naar toe worden gewerkt. Tot slot acht de Raad hulpverlening voor de ouders wenselijk. Onder begeleiding van een hulpverlener kunnen zij worden ondersteund bij het beter afstemmen op de behoeften van [minderjarige], verbetering van de onderlinge communicatie en het verminderen van de spanningen rondom het ouderschap.

Op de zitting heeft de Raad benadrukt dat het gelet op de leeftijd van [minderjarige] ongewenst is om een beslissing te nemen waarbij geen rekening met de mening van [minderjarige] wordt gehouden. [minderjarige] bevindt zich op dit moment in een belangrijke fase van haar leven en geeft duidelijk aan dat zij momenteel geen contact met de vader wil. Het dwingen van [minderjarige] tot contact met de vader zal volgens de Raad dan ook tot veel onrust leiden. De Raad heeft echter wel de verwachting dat het contact tussen de vader en [minderjarige] in de toekomst hersteld kan worden. Zo kan de vader bijvoorbeeld een brief schrijven aan [minderjarige] en kaarten versturen op belangrijke momenten.

Standpunten ouders

De vader geeft aan dat hij altijd een goede band met [minderjarige] heeft gehad. Hij heeft immers een lange periode de volledige zorg voor [minderjarige] op zich genomen. De vader begrijpt dan ook niet waarom het contact plotseling is beëindigd en maakt zich zorgen om [minderjarige]. Volgens de vader dient het contact in het belang van [minderjarige] op korte termijn te worden hersteld. Het contactherstel moet hierbij in het tempo van [minderjarige] plaatsvinden en [minderjarige] moet niet worden gedwongen tot contact met de vader. De vader vraagt zich af hoe aan het advies van de Raad uitvoering zal worden gegeven. Volgens de vader bevindt [minderjarige] zich namelijk in een loyaliteitsconflict. Doordat [minderjarige] bij de moeder woont en geen contact met de vader heeft, wordt haar beeld over de vader enkel door de moeder gevormd. Vanwege de houding van de moeder en het gebrek aan emotionele toestemming, heeft de vader er dan ook weinig vertrouwen in dat de moeder het contact tussen hem en [minderjarige] zal stimuleren. Ook is hij bang voor verstoting vanuit [minderjarige] en dat het contact met [minderjarige] mogelijk niet meer tot stand zal komen. Om deze onzekerheid te verminderen, wenst de vader dat een zorgregeling wordt vastgesteld. Op deze manier is er duidelijkheid voor de vader en bestaat er houvast op het moment dat [minderjarige] ruimte voelt voor contact. De vader staat tot slot open voor alle door de Raad geadviseerde vormen van hulpverlening, waaronder het traject Ouderschapsbemiddeling. De vader acht het namelijk van belang dat de ouders zich inzetten om de onderlinge communicatie te verbeteren.

De moeder geeft aan dat het in beginsel van belang is dat [minderjarige] en de vader contact met elkaar hebben. De moeder stelt dat zij niet voor het verbreken van het contact tussen hen is, maar dat zij [minderjarige] wil beschermen. Volgens de moeder is het op dit moment namelijk niet in het belang van [minderjarige] dat zij met de vader wordt geconfronteerd. Zo heeft [minderjarige] volgens de moeder zelf uitgesproken dat zij behoefte heeft aan rust en geen contact wil met de vader. De moeder sluit zich – net als de Raad – aan bij het standpunt dat het afdwingen van contact enkel averechts zal werken. De moeder is dan ook van mening dat de vader de wens van [minderjarige] dient te respecteren. Anders dan de vader stelt, zal de moeder het contact met de vader stimuleren zodra [minderjarige] hier klaar voor is. Volgens de moeder zou de vader dan geleidelijk het contact met [minderjarige] kunnen herstellen door bijvoorbeeld het sturen van kaartjes. De moeder staat op dit moment niet open voor het traject Ouderschapsbemiddeling. Zij ervaart namelijk nog veel onduidelijkheid en emoties rondom de gebeurtenissen en de beschuldigingen jegens de vader. Volgens de moeder dient de vader eerst openheid van zaken te geven, verantwoordelijkheid te nemen, spijt te betuigen, uit de slachtofferrol te stappen en aan zichzelf te werken.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat bij [minderjarige] weerstand bestaat tegen omgang met de vader. [minderjarige] geeft al langere tijd duidelijk en consequent aan dat zij geen contact met de vader wil hebben. Ook tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] opnieuw aan de kinderrechter verteld dat zij op dit moment geen contact met de vader wil en dat zij hiertoe ook niet verplicht wil worden. De rechtbank is het met de Raad eens dat het dwingen van [minderjarige] tot contact met de vader een averechtse werking zal hebben. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank – hoe verdrietig dit ook voor de vader is – het vastleggen van een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige]. Het verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen. De rechtbank wil aan beide ouders meegeven dat het voor [minderjarige] van belang is dat ze proberen om een manier te vinden om de onderlinge verstandhouding te verbeteren. Een hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling kan daarbij helpend zijn, maar daarvoor is wel nodig dat beide ouders bereid zijn zich daarvoor in te zetten. Zodra beide ouders daarvoor open staan, kunnen zij zich aanmelden bij het Kenniscentrum Kind & Scheiding voor deelname aan zo’n hulpverleningstraject. Wanneer [minderjarige] ervaart dat het haar ouders lukt om weer (beter) met elkaar te communiceren, kan zij op enig moment ook weer de ruimte voelen om contact met de vader aan te gaan. Verder geeft de rechtbank de vader mee, in lijn met het advies van de Raad, om de weg naar contact met [minderjarige] open te houden door het sturen van een brief en kaartjes op belangrijke momenten, zodat het voor [minderjarige] makkelijker wordt om, wanneer zij hier klaar voor is, ook weer contact met de vader te zoeken.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van de zorgregeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2026.