ECLI:NL:RBDHA:2026:25639 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / C/09/697944 / HA RK 26-40
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (Enkelvoudige Kamer), beschikking van 5 augustus 2026 (zaak C/09/697944, rekestnummer HA RK 26-40). Verzoekster: [verzoekster], in het paspoort aangeduid als [naam], geboren in 1997 in [geboorteplaats] (VAE), woonachtig in Nederland; gemachtigde: mr. T. Sleeman te Rotterdam. Belanghebbende: de Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), vertegenwoordigd door mr. S.J. Versteeg. Rechter: mr. H.M. Boone; griffier: mr. S. Sluijmer.
Verzoek en procedure: verzoekster verzocht om vaststelling van staatloosheid op grond van artikel 2 Wvs (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, 7 juni 2023). De rechtbank besliste schriftelijk zonder mondelinge behandeling omdat het advies van de Staat overeenkwam met het verzoek. De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift, bijlagen en berichten van de Staat en verzoekster.
Feiten en bewijs: verzoekster is in Nederland woonachtig en daarmee ontvankelijk. Zij beschikte over verblijfsvergunning regulier (studie) 1-9-2023 tot 30-11-2024 en kreeg bij besluit van 6-12-2024 een verblijfsvergunning als familie-/gezinslid met ingang 7-6-2024 tot 7-6-2029. Overgelegde documenten omvatten geboorteakte en paspoort die door het Bureau Documenten van de IND op echtheid zijn onderzocht en positief beoordeeld, daarnaast paspoorten van beide ouders en een verblijfsvergunning van de VAE.
Beoordeling en rechtsmotivering: de rechtbank betrok bij de beoordeling de VAE, de Palestijnse Gebieden en Jordanië. Toetsing geschiedde aan art. 2 Wvs: vaststelling vereist dat niet is gebleken dat betrokkene krachtens de wetgeving van enige staat als onderdaan wordt beschouwd. Voor VAE en Jordanië was tussen partijen niet in geschil dat verzoekster niet hun nationaliteit heeft; de rechtbank vond geen aanwijzingen die daaraan afdoen en stelde vast dat zij niet als onderdaan van die staten wordt beschouwd. Ten aanzien van de Palestijnse Gebieden stelde de rechtbank vast dat verzoekster in het bezit is van een Palestijns paspoort dat door IND-documentonderzoek als authentiek is beoordeeld, waardoor het aannemelijk is dat verzoekster volgens Palestijnse documenten als Palestijn wordt gezien. De rechtbank overwoog echter op basis van het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden (april 2022) en de Werkinstructie 2020/19 dat Nederland de staat Palestina niet erkent en dat Palestijnen zonder andere nationaliteit voor Nederland als staatloos gelden. De rechtbank zag geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit heeft verworven.
Conclusie en beslissing: gelet op de aangevoerde feiten, de authenticiteit van de overgelegde documenten en de beleids- en rechtsnormen omtrent niet-erkenning van Palestina, stelde de rechtbank de staatloosheid van verzoekster vast en besloot het verzoek toe te wijzen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Vaststelling staatloosheid. Relevante landen: de Verenigde Arabische Emiraten, de Palestijnse Gebieden en Jordanië.
Uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 26-40 Zaaknummer: C/09/697944 Datum beschikking: 5 augustus 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 19 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
verzoekster, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Sleeman in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het e-mailbericht van 9 juni 2026 van de Staat;
- het bericht 21 juli 2026 van de Staat, met bijlagen;
- het bericht van 23 juli 2026 van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoekster is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
-
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , de Verenigde Arabische Emiraten.
-
Verzoekster was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd, met als verblijfsdoel ‘studie’, van 1 september 2023 tot 30 november 2024.
-
Verzoekster heeft op 7 juni 2024 een aanvraag ingediend tot wijziging van het verblijfsdoel.
-
Bij besluit van 6 december 2024 is aan verzoekster de verblijfsvergunning ‘verblijf als familie- of gezinslid’ verleend van 7 juni 2024 tot 7 juni 2029.
-
Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten:
-
een kopie van de geboorteakte, die is onderzocht door Bureau Documenten van de IND en positief is beoordeeld;
-
een kopie van het paspoort, die is onderzocht door Bureau Documenten van de IND en positief is beoordeeld;
-
een kopie van het paspoort van de vader van verzoekster;
-
een kopie van het paspoort van de moeder van verzoekster;
-
een kopie van de verblijfsvergunning van de Verenigde Arabische Emiraten.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster een onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Omdat verzoekster in de Verenigde Arabische Emiraten is geboren uit een Palestijnse vader en een Jordaanse moeder, zal de rechtbank de Verenigde Arabische Emiraten, de Palestijnse Gebieden en Jordanië bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Tussen verzoekster en de Staat is niet in geschil dat verzoekster niet de nationaliteit van de Verenigde Arabische Emiraten heeft.
De rechtbank overweegt dat zij in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten heeft gevonden om hier anders over te oordelen en stelt dus vast dat verzoekster niet als onderdaan van de Verenigde Arabische Emiraten wordt beschouwd.
Verzoekster is in het bezit van een Palestijns paspoort, dat door Bureau Documenten van de IND is onderzocht op echtheid en positief is beoordeeld. Gelet daarop is het aannemelijk dat verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft. In dat geval geldt het volgende. Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Tussen verzoekster en de Staat is niet in geschil dat verzoekster niet de nationaliteit van Jordanië heeft.
De rechtbank overweegt dat zij in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten heeft gevonden om hier anders over te oordelen en stelt dus vast dat verzoekster niet als onderdaan van Jordanië wordt beschouwd.
Gelet op al het voorgaande, stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoekster vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 5 augustus 2026.