ECLI:NL:RBDHA:2026:25636 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / C/09/707688 / FA RK 26-6336
Samenvatting
Rechtbank Den Haag (enkelvoudige kamer), rekestnr. FA RK 26-6336, zaaknr. C/09/707688; beschikking 5 augustus 2026. Verzoeker: [de vader], bijgestaan door mr. K. Hoesenie te Rotterdam. Belanghebbende: [de moeder], bijgestaan door mr. F. Pool (in zitting vertegenwoordigd door mr. N. Schiettekatte). Namens de Raad voor de Kinderbescherming verscheen [naam]. Stukken betroffen onder meer het verzoekschrift, het verweerschrift en een F9-formulier d.d. 1 juli 2026. Zitting vond plaats op 21 juli 2026. Kinderrechter: mr. C.G. Meerder; griffier: mr. I.M. Kroon.
Feiten en gezag: partijen zijn gezamenlijke ouders en oefenen gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] (geboren 2025). De hoofdverblijfplaats is bij de moeder.
Verzoek en verweer: de vader verzocht om een voorlopige zorg- en opvoedingstakenregeling waarin [minderjarige] bij hem verblijft op dinsdag en donderdag 16:00–20:00 en elk weekend van vrijdag 18:00 tot zondag 12:00, met ophalen en terugbrengen door de vader. Tevens verzocht hij om een dwangsom van €500 per keer (max. €10.000) indien de moeder niet meewerkt. De moeder wees dit af; zij stelde dat vanwege de leeftijd van het kind, de beperkte betrokkenheid van de vader en een voorgeschiedenis waarin zij (onder meer) huiselijk geweld vermeldt, onbegeleide omgang niet in het belang van het kind is. Zij wilde wel dat contact mogelijk blijft mits veilig en voorlopig begeleid (door een neutrale bekende of professionele instantie). De Raad adviseerde inzet van hulpverlening (o.a. SKT) en benadrukte belang van regelmatig contact.
Beoordeling en motivering: de rechtbank nam mee dat zowel moeder als vader bereid zijn mee te werken met begeleiding van het Sociaal Kernteam (SKT). De rechtbank vindt dat in afwachting van hulpverlening het kind en de vader de gelegenheid moeten krijgen een band op te bouwen en dat regelmatig contact daarvoor noodzakelijk is; tijdens contactmomenten kan de vader aan opvoedvaardigheden werken, met mogelijke ondersteuning door het SKT. Het SKT en (eventuele) omgangsbegeleiding zijn passend geacht door de Raad en partijen.
Overeenkomst en definitieve opbouw: partijen bereikten ter zitting gedeeltelijke overeenstemming over een gefaseerde opbouw. De rechtbank heeft die opbouw concreet vastgelegd en bepaalt dat de vader [minderjarige] zal ophalen en thuisbrengen. De door de rechtbank vastgestelde voorlopige opbouw (uitvoerbaar bij voorraad) is:
- vanaf 24 juli 2026: viermaal, begeleid door oma moederszijde, vrijdag- en dinsdagmiddag 16:00–18:00;
- vanaf 7 augustus 2026: viermaal, zonder begeleiding bij vader thuis, vrijdag- en dinsdagmiddag 16:00–18:00;
- vanaf 21 augustus 2026: zesmaal, vrijdag, zondag en dinsdagmiddag 16:00–18:00;
- vanaf 4 september 2026: zesmaal, vrijdag 16:00–18:00, zondag 13:00–18:00 en dinsdag 16:00–18:00;
- vanaf 18 september 2026: structureel vrijdag 16:00–18:00, zondag 11:00–18:00 en dinsdag 16:00–18:00.
Dwangsom: het verzoek tot oplegging van een dwangsom wordt afgewezen. De rechtbank motiveert dat dwangsommen de noodzakelijke medewerking aan begeleiding niet bevorderen, terwijl partijen bereid zijn ouderschapsbemiddeling en SKT-hulp te aanvaarden.
Proceskosten en slot: elke ouder draagt eigen proceskosten. Overige (meer of anders) verzochte voorzieningen worden afgewezen. De beschikking is uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. C.G. Meerder.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6336 Zaaknummer: C/09/707688 Datum beschikking: 5 augustus 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 22 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. K. Hoesenie te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het F9-formulier van 1 juli 2026, ingediend namens de vader, met bijlage.
Op 21 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en mr. N. Schiettekatte (waarnemend voor mr. F. Pool);
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats],
- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt te bepalen:
- dat de voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarige als volgt zal zijn: [minderjarige] verblijft bij de vader op dinsdag en donderdag van 16.00 – 20.00 uur, en om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 12.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] telkens bij de moeder ophaalt en haar weer bij de moeder terugbrengt;
- dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer dat zij niet (volledig) meewerkt aan de uitvoering van de onder 1 vermelde voorlopige regeling, met een maximum van € 10.000;
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De vader ziet graag dat er op korte termijn regelmatig omgang is met [minderjarige]. De vader benoemt dat de omgang plaats kan vinden in de woning van de oma vaderszijde, waar ook hij verblijft. De vader vindt het noodzakelijk om een dwangsom te koppelen aan de zorgregeling, uit vrees dat de moeder de zorgregeling niet na zal komen.
De moeder kan zich niet verenigen met het verzoek van de vader en stelt dat de regeling, gelet op de leeftijd van [minderjarige], de beperkte betrokkenheid van de vader en de voorgeschiedenis tussen partijen, waarin volgens de moeder onder meer sprake is geweest van huiselijk geweld, niet in het belang van [minderjarige] is. Dit neemt niet weg dat de moeder het van belang acht dat [minderjarige], indien dit op een veilige en verantwoorde wijze kan plaatsvinden, een band met de vader kan opbouwen en onderhouden. De moeder vindt het noodzakelijk dat de omgang voorlopig begeleid plaatsvindt, hetzij onder begeleiding van een neutraal en geschikte bekende, hetzij via een professionele instantie.
De Raad vindt de inzet van hulpverlening en ondersteuning noodzakelijk. De inzet van het SKT zou hiervoor passend zijn. De Raad benoemt daarnaast dat regelmatig en frequent contact tussen [minderjarige] en de vader belangrijk is voor haar ontwikkeling.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting is de problematiek die speelt besproken. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij contact heeft opgenomen met het Sociaal Kernteam (SKT). Het SKT kan begeleiding bieden aan de ouders, onder meer in het verbeteren van de onderlinge communicatie en kan hen aanmelden voor omgangsbegeleiding indien noodzakelijk. Beide ouders hebben aangegeven bereid te zijn mee te werken met de begeleiding van het SKT. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders dit daadwerkelijk zullen doen.
De rechtbank overweegt verder dat, in aanloop op hulpverlening, de vader en [minderjarige] in de gelegenheid moeten worden gesteld om een band met elkaar op te bouwen en daarvoor is regelmatig contact noodzakelijk. Tijdens de contactmomenten kan de vader werken aan zijn opvoedvaardigheden. Mogelijk kan zonodig het SKT daar ondersteuning bij bieden.
De ouders zijn ter zitting tot een gedeeltelijke overeenstemming gekomen ten aanzien van de zorgregeling. Ze zijn overeengekomen dat de vader en [minderjarige] viermaal op vrijdagmiddag en dinsdagmiddag van 16:00 uur tot 18:00 uur omgang zullen hebben in aanwezigheid van oma moederszijde, ingaande per 24 juli 2026. Daarna zullen de vader en [minderjarige] viermaal op vrijdagmiddag en dinsdagmiddag van 16:00 uur tot 18:00 uur omgang hebben waarbij de omgang plaats zal vinden bij de vader thuis en zonder begeleiding. De vader heeft aangegeven bereid te zijn [minderjarige] op te halen en haar weer thuis te brengen. De ouders zijn nog verdeeld over een verdere opbouw van de zorgregeling, althans zijn hier op de gang niet aan toegekomen.
De rechtbank zal een nadere invulling geven aan de opbouw van de zorgregeling en zal in de beslissing de zorgregeling vaststellen, waarbij de vader [minderjarige] zal ophalen en thuisbrengen.
Het is aan de ouders om – zonodig in samenspraak met hun advocaten en het SKT – vorm te geven aan een definitieve zorgregeling met overnachting van [minderjarige] bij haar vader.
Door de vader is verzocht om de medewerking van de moeder aan de zorgregeling af te dwingen door middel van een dwangsom. De rechtbank zal geen dwangsom opleggen. De ouders zijn bereid om ouderschapsbemiddeling te volgen dan wel andere hulpverlening die door het SKT noodzakelijk wordt geacht. Het opleggen van dwangsommen bevordert dit niet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader voor het opleggen van een dwangsom zal afwijzen.
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige:
**- ** [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats];
- met ingang van 24 juli 2026: viermaal – in aanwezigheid van de oma moederszijde – op vrijdagmiddag en dinsdagmiddag van 16:00 uur tot 18:00 uur;
- met ingang van 7 augustus 2026: viermaal, op vrijdagmiddag en dinsdagmiddag van 16:00 uur tot 18:00 uur, zonder begeleiding bij vader thuis;
- met ingang van 21 augustus 2026: zesmaal, op vrijdagmiddag, zondagmiddag en dinsdagmiddag van 16:00 uur tot 18:00 uur;
- met ingang van 4 september 2026: zesmaal, op vrijdag van 16:00 uur tot 18:00 uur, zondag van 13:00 uur tot 18:00 uur en dinsdag van 16:00 uur tot 18:00 uur;
- met ingang van 18 september 2026: op vrijdag van 16:00 uur tot 18:00 uur, zondag van 11:00 uur tot 18:00 uur en dinsdag van 16:00 uur tot 18:00 uur. en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de ouders ieder de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.