Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:PHR:2026:859

ECLI:NL:PHR:2026:859 Parket bij de Hoge Raad , 23-06-2026 / 24/01817
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad, B.F. Keulen, concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van de verdachte (geboren 1992 te [geboorteplaats]). De zaak betreft een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 mei 2024 (parketnr. 23-001618-23): de verdachte werd veroordeeld voor twee subsidiaire feiten van medeplegen van opzetheling (3 maanden gevangenisstraf, met aftrek voorarrest) en het hof gelastte bewaring van een inbeslaggenomen handschoen. Het cassatieberoep is ingesteld door advocaat J. Kuijper (Amsterdam) en bevat één middel: dat het hof onjuist of onvoldoende gemotiveerd heeft gehandeld door het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om de twee verbalisanten ([verbalisant 1] en [verbalisant 2]) als getuigen op te roepen af te wijzen en dat het hof niet heeft getoetst of de procedure voldeed aan artikel 6 EVRM.

Feiten en bewijs:

  • Volgens de bewezenverklaring had de verdachte in de periode 24–27 februari 2023 samen met anderen een gestolen blauwe [automerk] (kenteken [kenteken 2]) en op 27 februari 2023 kentekenplaten ([kenteken 1]) verworven en voorhanden gehad. De bewijsmiddelen zijn aangiften van benadeelden, een proces‑verbaal van bevindingen van de verbalisanten (28 febr. 2023) en een proces‑verbaal van vondst in de parkeergarage (28 febr. 2023) waarin de Toyota met een valse kentekenplaat [kenteken 1] is aangetroffen.
  • De verbalisanten zagen op 27 februari rond 23:04 uur een grijze Volkswagen Polo (kenteken [kenteken 3]) waarvan twee inzittenden uitstapten en naar de Toyota liepen; een van hen hield een schroevendraaier. De verbalisanten zagen dat de Toyota later met andere (valse) kentekenplaten wegreed; zij konden niet zien wie de Toyota bestuurde. Later, rond 00:40, werd de Polo op de Prins Hendrikkade aangehouden; daarin zaten bestuurder [betrokkene 1], bijrijder de verdachte (geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]) en passagier [betrokkene 2]. Beide verbalisanten herkenden de bijrijder en passagier als de mannen die naar de Toyota waren gelopen.

Verweer van de verdediging:

  • De raadsman betoogde dat de herkenningen van de verbalisanten onbetrouwbaar en oncontroleerbaar zijn (mogelijk achteraf ingevulde signalementen, onduidelijke waarnemingen, onoverzichtelijke straat, geen forensische sporen). Primair verzocht hij vrijspraak; subsidiair verzocht hij voorwaardelijk om alsnog de verbalisanten te horen opdat hun waarnemingen getoetst konden worden.
  • Ter terechtzitting verklaarde de raadsman dat er “geen bijzondere reden” was waarom het verzoek niet eerder was gedaan; hij wilde het hof in de praktijk beperken tot vrijspraak of het horen van de verbalisanten.

Beslissing hof over bewijs en getuigenverzoek:

  • Het hof sprak de verdachte vrij van diefstal (primair tenlastegelegde) maar achtte opzetheling wettig en overtuigend bewezen op grond van de directe waarnemingen en latere herkenningen door de verbalisanten. Het hof trok uit de uiterlijke verschijningsvorm (wisselen van kentekenplaten) af dat de betrokkenen wisten dat de auto van misdrijf afkomstig was.
  • Het voorwaardelijke verzoek om de verbalisanten als getuigen te horen wees het hof af omdat de verdediging die mogelijkheid in eerdere procedurestadia had laten liggen en niet had gereageerd op een expliciet door het hof gevraagde mededeling van onderzoekswensen (brief 20 sept. 2023). Het hof oordeelde dat de verdediging geen gegrond toelichting had gegeven waarom het verzoek pas bij pleidooi was gedaan en beschouwde het verzoek onder die omstandigheden als misbruik van procesrecht.

Juridische toets door de Procureur‑Generaal:

  • De PG bespreekt relevant rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 14 okt. 2025) over het gewicht dat moet worden toegekend aan het niet tijdig kenbaar maken van onderzoekswensen en de verplichting van de verdediging om redenen te geven indien zij “terugkomt” op een eerder ingenomen standpunt. De PG verwijst naar de drie‑ledige EHRM‑toets (reden waarom ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend; gewicht van de verklaring; compenserende factoren).
  • Toegepast op de zaak concludeert de PG dat de door het hof vastgestelde feiten leiden tot het door Uw Raad bedoelde geval (defensie is uitdrukkelijk gevraagd naar onderzoekswensen en heeft niet gereageerd). De verdediging gaf ter zitting geen voldoende verklaring waarom zij alsnog verzocht, zodat het niet‑verlenen van de ondervragingsgelegenheid als redenlijke belemmering geldt. Omdat de verklaringen van de verbalisanten beslissende betekenis hebben voor de bewezenverklaring en er geen compenserende factoren zijn vastgesteld, acht de PG dat art. 6 EVRM niet is geschonden. De PG wijst het middel af en ziet geen andere gronden voor vernietiging; wel merkt hij ambtshalve op dat de redelijke termijn is overschreden maar zonder strafvermindering.

Conclusie: De Procureur‑Generaal adviseert de Hoge Raad het cassatiemiddel te verwerpen: het hof heeft terecht het getuigenverzoek afgewezen gelet op het laatheid van het verzoek en het ontbreken van een toereikende verklaring, en de bewezenverklaring steunt op beslissende waarnemingen en herkenningen waarvan de weigering tot nadere ondervraging naar het oordeel van de PG geen schending van artikel 6 EVRM oplevert.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:HR:2026:1473
Strafrecht
14-09-2026 88% soortgelijk
Hoge Raad, Strafkamer, nr. 24/01817, arrest 15 september 2026. Verdachte (geboren 1992, naam in vonnis weggelaten) was in hoger beroep geconfronteerd met een proces-verbaal van bevindingen van twee verbalisanten ([verbalisant 1] en...
ECLI:NL:PHR:2025:648
Strafrecht
04-06-2025 84% soortgelijk
Procureur‑Generaal V.M.A. Sinnige (Hoge Raad, concl. nr. 23/03706, zitting 17 juni 2025) behandelt het cassatieberoep van [verdachte] (geb. 1993 te [plaats]) tegen het arrest van het hof 's‑Hertogenbosch van 22 september 2023...
ECLI:NL:PHR:2026:742
Strafrecht
20-07-2026 84% soortgelijk
Procureur‑generaal D.J.M.W. Paridaens geeft op 25 augustus 2026 een conclusie in zaak nr. 25/00529 tegen [verdachte] (geboren 1995). In eerste aanleg (politierechter, rechtbank Noord‑Holland, vonnis 29‑8‑2024) is de verdachte veroordeeld voor diefstal...
ECLI:NL:PHR:2025:1084
Strafrecht
07-10-2025 83% soortgelijk
De Procureur‑Generaal bij de Hoge Raad, B.F. Keulen, geeft in conclusie in zaak nr. 23/01418 een uitvoerige beoordeling van het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1981) tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden...
ECLI:NL:PHR:2026:274
Strafrecht
18-03-2026 83% soortgelijk
De procureur-generaal bij de Hoge Raad, D.J.C. Aben, geeft in deze conclusie van 24 maart 2026 oordeel over het cassatieberoep van de (bij name niet in het stuk herhaalde) verdachte, geboren 1992,...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd, art. 416 Sr. Afwijzing voorwaardelijk verzoek horen getuigen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01817

Zitting23 juni 2026

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte

  • De verdachte is bij arrest van 3 mei 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001618-23) wegens 1 subsidiair en 2 subsidiair ‘telkens: medeplegen van opzetheling’ veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een inbeslaggenomen handschoen.
  • Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
  • Het middel behelst de klacht dat het hof bij de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen op te roepen een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en/of deze afwijzing onbegrijpelijk dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat het hof bij de bewijsvoering van de bevindingen van deze getuigen gebruik heeft gemaakt zonder dat het er blijk van heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
  • Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring van beide feiten en de bewijsvoering weer. Ook citeer ik het pleidooi dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft gehouden en de overwegingen waarmee het hof het getuigenverzoek heeft afgewezen.
  • Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

feit 1 subsidiair hij in de periode van 24 februari 2023 tot en met 27 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een auto (blauwe [automerk] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 2 subsidiair

hij op 27 februari 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, kentekenplaten ( [kenteken 1] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.’

6. De bewezenverklaring van beide feiten steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘**1. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar op 28 februari 2023, (…). **

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangever:

Ik doe aangifte van de diefstal van een blauwe [automerk] , met [kenteken 2] . Een klant heeft de auto op 24 februari 2023 omstreeks 16:00 uur geparkeerd aan de [a-straat] , ter hoogte van perceel [nummer 1] , in [plaats] . Op 25 februari 2023 rond 8:18 uur kwam de klant erachter dat de auto was weggenomen. Op 27 februari 2023 is via het track and trace systeem van de auto waargenomen dat de auto in de omgeving van de [b-straat] in [plaats] zou staan. Uiteindelijk is de auto aangetroffen in de ondergrondse parkeergarage van het [ziekenhuis] te [plaats] .

**2. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar op 1 maart 2023, (…). **

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangever:

Tussen 27 februari 2023 om 22:00 uur tot 28 februari 2023 om 7:52 uur is mijn kentekenplaat met nummer [kenteken 1] gestolen.

**4. Een proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren op 28 februari 2023, (…). **

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op 27 februari 2023 rond 21:05 uur kregen wij de opdracht te gaan naar de [c-straat] in [plaats] , ter hoogte van perceel [nummer 2] , waar een blauwe [automerk] zou staan, met [kenteken 2] . Wij zagen de Toyota. Het voertuig was leeg en naast de bestuurderszijde was geen ander voertuig geparkeerd en stond achteruit ingeparkeerd, met de voorzijde richting het weggedeelte.

Wij verbalisanten hebben vervolgens ons voertuig bij de uitgang van de straat gepositioneerd met zicht op de Toyota. Wij hadden direct zich op het voertuig en de bestuurdersportier.

Wij zagen omstreeks 23:04 uur dat er een grijze Volkswagen Polo, met [kenteken 3] LS , de straat in reed en op twee meter afstand van ons voertuig stopte. De bijrijder en passagier stapten uit.

De bijrijder kan als volgt worden omschreven:

  • man;
  • 25/30 jaar oud;
  • vadsig postuur;
  • donkere parka jas tot over de heupen;
  • beige/lichtbruine broek. Deze man had een schroevendraaier in zijn hand.

De passagier kan als volgt worden omschreven:

  • man;
  • 25/30 jaar oud;
  • donkere jas met bontkraag tot op de heupen;
  • donkerkleurige pet;
  • donkere schoudertas.

De bestuurder droeg een donkere pet met witte belettering.

De twee uitgestapte mannen liepen richting de Toyota. Eén van de personen stapte in het voertuig; wij zagen namelijk dat de deur open en dicht ging, en één van de mannen stond achter het voertuig en hield zich kennelijk bezig met de achterzijde van het voertuig. Vervolgens gingen de dimlichten aan en reed het voertuig uit het parkeervak, waarop het voertuig draaide en met de voorzijde ingeparkeerd werd. Wij zagen dat één van de mannen bezig was met de voorzijde van het voertuig.

Vervolgens liep de man met het schoudertasje naar de uitgang van de straat, op één meter afstand langs ons voertuig. Hierna reed de Toyota richting de uitgang. Wij zagen dat op de Toyota andere kentekenplaten waren geplaatst, beginnend met de letter P. Wij reden achter de Toyota aan. Wij zagen de man met de donkere jas en beige/bruine broek niet meer op de parkeerplaats. Wij verbalisanten, konden niet zien wie de Toyota bestuurde. Wij zagen voor de rest geen andere personen nabij de Toyota. De Toyota reed de Jan van Galenstraat op en sloeg rechtsaf richting de A 10. Wij, reden vervolgens richting de A10, en bij het passeren van de kruising van de [b-straat] zag ik [verbalisant 1] , dat de Toyota, rechtsaf de [b-straat] was ingeslagen en langs het ziekenhuis reed. Wij zagen, de Toyota vervolgens niet meer.

Op 28 februari 2023 omstreeks 00:40 uur kregen wij te horen dat de Volkswagen Polo door een eenheid op de Prins Hendrikkade was gezien en dat zij het voertuig stil hadden gehouden. Wij begaven ons ter plaatse en zagen dat er drie mannen in het voertuig zaten:

  • bestuurder: [betrokkene 1] ;
  • bijrijder: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ;
  • passagier: [betrokkene 2] .

Wij herkenden de drie die wij eerder hadden gezien bij de weggenomen Toyota. Wij zagen dat de drie mannen op dezelfde plek zaten in het voertuig. Ik, [verbalisant 2] , herkende de bestuurder. Wij verbalisanten, herkenden de bijrijder en passagier van het voertuig, als de personen die waren uitgestapt en richting de Toyota waren gelopen.

3. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar op 28 februari 2023, (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 28 februari 2023 heb ik onderzoek gedaan in de parkeergarage onder het [ziekenhuis] en daar is de blauwe [automerk] aangetroffen met een valse kentekenplaat, de [kenteken 1] . De kentekenplaat was afkomstig van een grijze [automerk] .

Goed

Categorie omschrijving: Onderdelen voertuig Object: Kentekenplaat

Registratienummer: [kenteken 1]

Voertuig.

Voertuig: Personenauto. Merk/type: [automerk] Kleur: Blauw Kenteken: [kenteken 2] ’ 7. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

‘Bewijs

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet kan worden getoetst en dat de verbalisanten ongefundeerde conclusies trekken. De raadsman heeft subsidiair het voorwaardelijke verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen over hun waarnemingen.

Vrijspraak diefstal

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 primair ten laste is gelegd. Uit het bewijs volgt immers niet dat de verdachte betrokken is geweest bij de (eerder) gepleegde diefstallen. Hij zal daarom daarvan worden vrijgesproken.

Opzetheling

Op grond van de waarnemingen van de twee verbalisanten staat vast dat drie mannen in een Volkswagen Polo, met [kenteken 3] , aan komen rijden en dat de passagier en bijrijder uitstappen. De verbalisanten geven een omschrijving van de drie mannen en daaruit volgt dat een van de twee mannen die uitstappen een schroevendraaier bij zich heeft. De twee mannen lopen naar de Toyota; een van de mannen stapt in het voertuig en de andere man is aan de voor- en achterzijde van het voertuig bezig. Op enig moment loopt de man met het schoudertasje naar de uitgang van de straat. Als het voertuig vervolgens wegrijdt, zien de verbalisanten dat de kentekenplaten zijn verwisseld. Bij het wegrijden zien de verbalisanten de andere man met de donkere jas en beige/bruine broek niet meer op de parkeerplaats. Verbalisanten zagen verder geen andere personen nabij de Toyota. Verbalisanten konden niet zien wie de Toyota bestuurde, maar spreken het vermoeden uit dat de man met de beige/bruine broek de Toyota bestuurde. Het hof gebruikt dit vermoeden van de verbalisanten niet voor het bewijs, maar concludeert net als de verbalisanten dat het de man met de beige/bruine broek zal zijn geweest die de auto heeft bestuurd. De bestuurder van de Volkswagen Polo is immers in de auto blijven zitten en de man met de schoudertas is de straat uitgelopen. Het hof acht de precieze taakverdeling echter niet van belang omdat de bijrijder en de passagier naar de uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar samen bezig zijn met het verplaatsen van een gestolen auto waarbij de originele kentekenplaten worden vervangen. Het hof volgt de verdediging dan ook niet dat het bewijs belangrijke vragen onbeantwoord laat. Geheel ten overvloede merkt het hof nog op dat niet staat vast dat de persoon die de schroevendraaier aanvankelijk bij zich droeg, deze schroevendraaier voortdurend vast heeft gehad en degene is geweest die de kentekenplaten heeft verwisseld.

De drie mannen die door de verbalisanten bij de Toyota zijn gezien, worden ongeveer twee uur later in dezelfde Volkswagen Polo aangetroffen. [verbalisant 2] herkent de bestuurder van de Volkswagen Polo en beide verbalisanten herkennen de bijrijder en passagier van het voertuig, als de personen die waren uitgestapt en richting de Toyota waren gelopen. De verdachte was de bijrijder, één van de personen die naar de Toyota is gelopen en samen met de ander bezig is geweest met het verplaatsen van de auto.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten op de [c-straat] en evenmin aan de bewijswaarde van de latere herkenning, Concrete aanknopingspunten voor twijfel ontbreken. De verdachte heeft slechts erkend dat hij bij de aanhouding zich bevond in de Volkswagen Polo, maar heeft zich op vragen beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd waarin aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor twijfel aan de waarnemingen of de herkenningen. Dit betekent ook dat er geen verklaring is afgelegd die de belastende betekenis van het bewijs wegneemt.

Het hof moet dan ook vaststellen dat de verdachte samen met anderen de [automerk] en de kentekenplaten voorhanden heeft gehad die van misdrijven afkomstig waren. Uit de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat de verdachte en zijn mededaders wisten dat de [automerk] van misdrijf afkomstig was, voordat de auto werd verplaatst werden de originele kentekenplaten immers verwisseld. Enige uitleg over de wijze waarop zij deze goederen voorhanden hebben gekregen en de achtergronden daarvan ontbreekt. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Op grond van de bewijsmiddelen en gezien het ontbreken van enige uitleg door de verdachte is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van zowel de auto als de kentekenplaten wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.

Naar het oordeel van het hof is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen zich schuldig hebben gemaakt aan de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling van de [automerk] en de kentekenplaten.’

8. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 3 mei 2024, het woord tot verdediging gevoerd en daarbij het volgende aangevoerd:

‘Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op bladzijde 37 e.v. van het dossier, is mijns inziens het meest essentiële stuk in deze zaak. Hieruit volgt dat de verbalisanten de melding krijgen dat er een gestolen auto staat in de [c-straat] in [plaats] . De weergave van de signalementen in dit proces-verbaal zijn problematisch. Zo is onduidelijk of de signalementen ten tijde van de waarnemingen van de verbalisanten ook al zo specifiek waren of dat deze achteraf, bij het aantreffen van de drie mannen in de Volkswagen Polo, in de herinnering van de verbalisanten zijn ingevuld. Niet uitgesloten kan worden dat sprake is geweest van onbewuste beïnvloeding door het latere contact en om die reden is het lastig om de betrouwbaarheid van de herkenningen te toetsen. Daarnaast zijn de waarnemingen van de gebeurtenissen onduidelijk. De verbalisanten verklaren dat ze twee mensen uit de Volkswagen Polo zien stappen: de bijrijder en de passagier. Deze twee mensen lopen vervolgens richting de [automerk] . De verbalisanten zien de deur open en dicht gaan en concluderen vervolgens dat ze iemand in een auto hebben zien stappen. Ook zagen ze dat iemand bezig was aan de voorzijde van het voertuig, maar van deze persoon wordt geen omschrijving gegeven. Er wordt gezegd dat mijn cliënt voldoet aan het signalement van de bijrijder die uitstapt en een schroevendraaier bij zich heeft, maar er wordt geen beschrijving gegeven van wie dat is. De verbalisanten zien op enig moment de man met het schoudertasje naar het einde van de straat lopen, maar waar komt die man plotseling vandaan? De Toyota rijdt naar de uitgang van de straat, maar er wordt niet vastgesteld of de man met het schoudertasje de auto in is gestapt. Men lijkt dus feitelijk niet te kunnen concluderen welke man wat heeft gedaan en – als de herkenning van mijn cliënt betrouwbaar is – wat hij dan precies zou hebben gedaan. Ze hebben mijn cliënt immers niet in de auto zien stappen, kentekenplaten zien wisselen, richting de uitgang van de straat zien lopen of met de auto zien wegrijden. Het zijn slechts conclusies, die onvoldoende ondersteund worden door concrete waarnemingen. De [c-straat] is bovendien onoverzichtelijk, mede omdat de straat een lus-vorm heeft. Dit is weliswaar een doodlopende straat, maar deze is niet afgesloten voor voetgangers. Het is dus mogelijk dat er personen zijn aangekomen of zijn vertrokken zonder dat de verbalisanten dat hebben gezien. Niet vastgesteld kan worden dat de man die als eerste wordt beschreven iets heeft gedaan met de auto. Er zijn geen forensische sporen, zoals DNA of vingerafdrukken. Primair verzoek ik om de vrijspraak van mijn cliënt. Indien het hof van oordeel is dat een bewezenverklaring kan volgen op grond van het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dan verzoek ik voorwaardelijk om de aanhouding van de zaak teneinde de twee verbalisanten te horen over hun waarnemingen, zodat duidelijk wordt wat de verschillende personen hebben gedaan. Bij een afwijzing van dit voorwaardelijke getuigenverzoek, verzoek ik om de oplegging van een taakstraf, zodat mijn cliënt zijn werk kan voortzetten en zijn baan niet kwijtraakt.’

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 3 mei 2024, houdt daarna het volgende in:

‘De raadsheer vraagt de raadsman wat hem heeft tegengehouden om het verzoek tot het horen van getuigen eerder te doen, in eerste aanleg bij de politierechter, in de appelschriftuur, in reactie op de brief of er onderzoekswensen waren, of voorafgaand aan de rolzitting. De raadsman heeft een brief ontvangen met het expliciete verzoek om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Het hof heeft hier geen reactie op ontvangen. Wat is de aanleiding om nu pas te vragen om het horen van de verbalisanten?

De raadsman antwoordt dat daar geen bijzondere reden voor is. De verdediging meent dat op basis van dit dossier geen bewezenverklaring kan volgen en dat het hof de verdachte kan vrijspreken.

De raadsheer merkt op dat de raadsman bij pleidooi de keuzes van het hof dus beperkt tot het vrijspreken van de verdachte of het horen van de verbalisanten.

De raadsman antwoordt hierop bevestigend.’

10. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de verbalisanten in het bestreden arrest als volgt afgewezen:

‘De verdediging heeft verzocht om het horen van getuigen voor het geval het hof wel tot een bewezenverklaring zou komen. Het hof overweegt daarover het volgende.

De verdediging heeft in de procedure bij de politierechter niet verzocht om het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen. Ook in de appelschriftuur heeft de verdediging niet gevraagd om het horen van de verbalisanten. Bij brief van 20 september 2023 heeft het hof de verdediging expliciet verzocht om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. De raadsman heeft op deze brief niet gereageerd.

Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, aan de verdediging gevraagd waar het op de zitting over zou moeten gaan en vervolgens de feiten en de persoonlijke omstandigheden met de verdachte besproken. Pas in reactie op het requisitoir heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de verbalisanten. Op de vraag van het hof wat de raadsman heeft tegengehouden het verzoek eerder te doen, antwoordde hij dat daar geen bijzondere reden voor is en dat de verdediging meent dat de verdachte moet worden vrijgesproken en dat onder die omstandigheden het horen van de verbalisanten niet nodig is.

Het hof is zich ervan bewust dat de bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs van belang zijn. De verdediging is niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium – bij de politierechter of bij het hof – om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek waarschijnlijk zijn toegewezen. Dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om een verzoek te doen een getuige te horen, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een ‘inactiviteit’ van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.

Het hof is echter van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van ‘inactiviteit’ van de verdediging zoals wordt bedoeld in de rechtspraak over het eerlijke proces. Er zijn niet alleen eerdere gelegenheden geweest, het hof heeft de verdediging ook expliciet gevraagd of er onderzoekswensen waren. Ook heeft het hof gevraagd naar de redenen dat het verzoek pas bij pleidooi is gedaan. Het hof onderkent dat ontwikkelingen tijdens een strafproces met zich kunnen brengen dat de wens om getuigen te horen pas later ontstaat of dat een inzicht pas later doorbreekt. De verdediging heeft op vragen van het hof echter geen reden uitleg gegeven waaruit volgt dat de wens of het inzicht om een navolgbare reden pas later is ontstaan. Het hof moet dan ook vast stellen dat het verzoek uitsluitend is bedoeld om het hof te dwingen tot een beslissing die voor de verdachte gunstig is. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat het voorwaardelijke verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen, moet worden afgewezen omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Het hof wijst het verzoek dan ook af.’

11. De brief van 20 september 2023 waar het hof naar verwijst houdt onder meer het volgende in:

‘Teneinde de planning efficiënt te laten verlopen is het van belang dat het gerechtshof beschikt over eventuele onderzoekswensen van de verdediging. Indien u deze nog niet eerder of nog niet volledig heeft doorgegeven verzoekt de verkeerstoren u uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief deze per mail ( [e-mailadres] ) aan het gerechtshof door te geven.

Mocht de zittingsplanning van het hof binnen deze termijn geen reactie van u hebben ontvangen, dan gaat het gerechtshof ervan uit dat er geen onderzoekswensen zijn en zal de zaak direct voor een inhoudelijke behandeling worden gepland. U krijgt daarvan op de gebruikelijke wijze bericht.’

12. Uw Raad heeft in een arrest van 14 oktober 2025 onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

`Het onbenut laten van mogelijkheden om onderzoekswensen kenbaar te maken: vraagstelling

3.4 In deze zaak is onder meer de vraag aan de orde welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat in eerste aanleg of in hoger beroep pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op het onderzoek op de terechtzitting door de verdediging wordt verzocht om een bepaalde persoon als getuige te horen, terwijl de verdediging al in een eerder stadium van de procedure bij de betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen. Het gaat daarbij om zowel a) gevallen waarin de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken (meer) te hebben, als b) gevallen waarin de verdediging eerder bij de betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij getuigen wil horen, waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet verzoeken van getuigen wordt opgevat als het niet hebben van getuigenverzoeken, en op die vraag door de verdediging niet is gereageerd. Eenzelfde vraag is aan de orde als het openbaar ministerie zo’n mogelijkheid heeft gehad om een vordering te doen tot het horen van een persoon als getuige en het openbaar ministerie desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld daarvan af te zien, dan wel op de uitdrukkelijke vraag naar onderzoekswensen niet heeft gereageerd. In het navolgende gaat de Hoge Raad in het bijzonder in op onderzoekswensen in de vorm van een verzoek van de verdediging om een bepaalde persoon als getuige te horen.

Mogelijkheden tot nader onderzoek in het Nederlandse strafprocesrecht

3.5.1 Voor de beantwoording van de onder 3.4 genoemde vragen is onder meer van belang hoe de procedure als geheel is verlopen en op welk moment (of welke momenten) de verdediging in de gelegenheid is gesteld om kenbaar te maken welk (nader) onderzoek, zoals het horen van getuigen, zij nodig vond. Het Wetboek van Strafvordering voorziet erin dat zo’n gelegenheid op verschillende momenten in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep kan worden geboden. De Hoge Raad wijst in dit verband op onder meer de volgende mogelijkheden.

3.5.2 Voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, dus tijdens het voorbereidende onderzoek, kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie en op verzoek van de verdediging onderzoekshandelingen verrichten. Als tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep is ingesteld, maar het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep nog niet is aangevangen, kan de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris nader onderzoek verrichten op vordering van het openbaar ministerie en op verzoek van de verdediging. Als de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris (op deze of een andere manier) in de zaak is betrokken, kan hij ook een zogenoemde ‘regiebijeenkomst’ beleggen om de stand van zaken in het onderzoek te bespreken met de officier van justitie en de verdediging, en hun standpunten te vernemen over eventueel nog te verrichten onderzoek. Bij gelegenheid van of in aansluiting op de regiebijeenkomst kan de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris het openbaar ministerie en de verdediging een termijn stellen voor het indienen van een vordering of verzoek tot verrichten van onderzoekshandelingen, of voor de onderbouwing daarvan.

3.5.3 Wanneer het rechtsgeding in eerste aanleg een aanvang heeft genomen doordat de dagvaarding is betekend, kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie bevelen om – met als doel te waarborgen dat het onderzoek op de terechtzitting deugdelijk en volledig voorbereid is – voordat het onderzoek op de terechtzitting een aanvang neemt, nader omschreven onderzoek te (doen) verrichten en om getuigen op te roepen voor de terechtzitting. In hoger beroep heeft de voorzitter van het gerechtshof een vergelijkbare bevoegdheid. De voorzitter van de rechtbank of het gerechtshof kan zich in verbinding stellen met het openbaar ministerie en de verdediging om hen in de gelegenheid te stellen om binnen een door hem te bepalen termijn een duidelijk standpunt over de eventuele toepassing van deze bevoegdheden kenbaar te maken, alsmede om aan te geven welk (nader) onderzoek zij nog nodig vinden. Waar het gaat om het hoger beroep, verdient daarbij opmerking dat in de totstandkomingsgeschiedenis – zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002 – van de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 (Wet stroomlijnen hoger beroep) onder meer naar voren komt dat de wetgever het redelijk acht om van degene die hoger beroep heeft ingesteld, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis en dat van de procespartijen in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding mag worden gevergd, waardoor dubbel en nodeloos werk kan worden voorkomen. Zo kan de procesvoering in hoger beroep zich voornamelijk richten op wat de procespartijen expliciet aan de orde willen stellen.

3.5.4 Ook de zittingsrechter heeft binnen het wettelijk stelsel de mogelijkheid om, bijvoorbeeld aan het begin van het onderzoek op de terechtzitting, te inventariseren welk (nader) onderzoek – waarbij is te denken aan onder meer het horen van een bepaalde persoon als getuige – het openbaar ministerie en de verdediging nog nodig vinden, gelet op de stukken en op wat tot dan toe op het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gekomen. Zo’n inventarisatie kan erop neerkomen dat de zittingsrechter het openbaar ministerie en de verdediging de gelegenheid biedt om (al dan niet binnen een door de zittingsrechter te bepalen termijn) een vordering of verzoek te doen tot het verrichten van welomschreven nader onderzoek.

3.5.5 Het hangt echter niet alleen van de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging af of (nader) onderzoek wordt verricht. Ook als door hen geen wens tot (nader) onderzoek kenbaar wordt gemaakt, kan de zittingsrechter in eerste aanleg en in hoger beroep immers overgaan tot het (doen) verrichten van nader onderzoek op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikel 348 en 350 Sv – en de eisen van een eerlijk proces. Met het oog daarop is van belang dat de voorzitter de leiding van het onderzoek op de terechtzitting heeft en daartoe de nodige bevelen kan geven. Zo kan de zittingsrechter ambtshalve de oproeping van een getuige bevelen en daaraan voorafgaand het openbaar ministerie en de verdediging in de gelegenheid stellen om binnen een door hem te bepalen termijn hun standpunt daarover kenbaar te maken. Verder kan de zittingsrechter die oproeping bevelen na een daartoe strekkende vordering van het openbaar ministerie of een verzoek van de verdediging. Ook heeft de zittingsrechter de mogelijkheid om de stukken in handen te stellen van de rechter-commissaris en in hoger beroep eventueel van de raadsheer-commissaris om nader onderzoek te verrichten. Mede afhankelijk van de omvang van de betreffende aan de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris verstrekte onderzoeksopdracht, kan de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris vervolgens handelen zoals weergegeven onder 3.5.2.

Beoordeling van een alsnog gedaan verzoek tot nader onderzoek

3.6.1 In bepaalde gevallen mag van het openbaar ministerie en de verdediging worden verwacht dat wordt toegelicht waarom alsnog een getuigenverzoek wordt gedaan. Het gaat dan om het geval waarin a) het openbaar ministerie of de verdediging bij een onder 3.5 bedoelde gelegenheid desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht, of het geval waarin b) aan het openbaar ministerie en de verdediging in een eerder stadium van de betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen hebben waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen wordt opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door het openbaar ministerie of de verdediging niet is gereageerd. In deze gevallen mag van de betreffende procespartij worden gevergd dat, als zij in de betreffende aanleg alsnog een vordering of verzoek tot nader onderzoek (zoals een getuigenverzoek) doet, zij toelicht waarom zij terugkomt van het eerder ingenomen standpunt. Als gelegenheid is geboden voor zo’n toelichting, kan de rechter de vordering of het verzoek afwijzen op de grond dat een toelichting uitblijft. Als de betreffende procespartij wel zo’n toelichting geeft, moet de rechter beoordelen of de opgegeven redenen van voldoende gewicht zijn. Zijn die redenen volgens de rechter van onvoldoende gewicht, dan kan hij de vordering of het verzoek eveneens afwijzen.

3.6.2 Voor (de uitkomst van) die beoordeling door de zittingsrechter van de opgegeven redenen is van belang of er na het moment waarop het hiervoor onder a) of b) bedoelde geval zich heeft voorgedaan, sprake is van relevante nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot (het verloop van de procedure en de mogelijke uitkomst van) de strafzaak. Het ligt op de weg van de betreffende procespartij om die nieuwe ontwikkelingen bij haar vordering of verzoek aan te duiden. Bij de beoordeling daarvan door de rechter speelt onder meer een rol of de betreffende procespartij bekend kon zijn met de in dit arrest genoemde consequenties van de procesopstelling zoals omschreven in de gevallen a) en b). Verder kan bij die beoordeling van belang zijn of de verdachte op het onder a) of b) bedoelde moment was voorzien van rechtsbijstand.

Het vereiste om redenen op te geven voor een alsnog gedaan verzoek

3.7.1 In de onder 3.3.1 weergegeven uitspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek, maar dat dat niet wegneemt dat zo’n inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Die overweging van de Hoge Raad heeft betrekking op een geval waarin de verdediging niet uit eigen beweging gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die de wet biedt om een ondervragingsgelegenheid te bewerkstelligen. Dat is een ander geval dan het geval zoals omschreven in 3.4, waarin de verdediging expliciet daarnaar gevraagd (uitdrukkelijk) heeft aangegeven niet een verzoek te doen, dan wel niet heeft gereageerd op de uitdrukkelijke vraag of zij nog onderzoekswensen had.

3.7.2 In 3.6 is beschreven dat de rechter aan het openbaar ministerie en de verdediging de eis kan stellen dat zij toelichten welke (nieuwe) ontwikkeling ertoe heeft geleid dat zij een vordering of verzoek tot (nader) onderzoek doen terwijl zij a) dat uitdrukkelijk niet al deden op een eerder moment waarop hun die mogelijkheid werd geboden, dan wel b) zij niet reageerden op de uitdrukkelijke vraag of zij nog onderzoekswensen hadden. Die eis houdt verband met het belang van een goede, geordende en tijdige procesvoering, waaronder ook het door de wetgever onderstreepte belang van een goede regievoering. Het stellen van die eis is in overeenstemming met de onder 3.5 weergegeven “formal requirements and time-limits” van het Nederlandse strafprocesrecht, die niet alleen zien op een efficiënte procesvoering maar die ook de waarheidsvinding dienen (door getuigen zo tijdig mogelijk te horen) en waarborgen dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

3.7.3 Tegen de achtergrond van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland is in dit verband van belang dat met het bovenstaande geen verandering optreedt ten aanzien van de omstandigheid dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dat belang als zodanig mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Dat uit dit (potentiële) gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige het belang bij het ondervragen van die getuige ook zonder nadere toelichting voortvloeit, neemt niet weg dat – als zich een geval voordoet als onder 3.4 genoemd – van de verdediging kan worden gevergd dat zij toelicht welke (nieuwe) ontwikkeling ertoe heeft geleid dat zij alsnog een verzoek tot (nader) onderzoek doet, waarna de rechter beoordeelt of de opgegeven redenen voor het alsnog doen van dit verzoek van voldoende gewicht zijn.

Beoordeling van de eerlijkheid van de procedure als geheel

3.8.1 In de onder 3.3 weergegeven rechtspraak komt naar voren dat de rechter voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Deze manier van beoordelen sluit aan bij de drie onder 3.3 weergegeven stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen: (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, waarbij dus ook een rol kan spelen de reden die de verdediging heeft opgegeven waarom zij op het onder a) of b) bedoelde moment geen verzoek tot het horen van die getuige heeft gedaan, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.

3.8.2 Zoals onder 3.3.2 en 3.8.1 naar voren kwam, moet de afwijzing door de rechter op de onder 3.6.1 en 3.6.2 besproken grond van een vordering of een verzoek tot het horen van een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt – als reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot die getuige – bij de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, worden bezien in onderling verband met de beide andere beoordelingsfactoren. In dat verband verdient nog opmerking dat in het geval waarin de verdediging in een eerder stadium de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om onderzoekswensen kenbaar te maken en zich nadien een nieuwe ontwikkeling heeft voorgedaan die het horen van een bepaalde persoon als getuige noodzakelijk maakt, de rechter vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting, zo nodig ambtshalve tot het doen oproepen van de betreffende persoon kan overgaan.

3.8.3 Als de rechter in eerste aanleg een vordering of een verzoek tot het horen van een getuige afwijst op de grond dat die vordering of dat verzoek niet al is gedaan op een eerder moment waarop de betreffende procespartij die mogelijkheid werd geboden, dan staat het de betreffende procespartij in hoger beroep vrij opnieuw zo’n vordering of verzoek te doen. De rechter in hoger beroep kan die vordering of dat verzoek niet afwijzen op de enkele grond dat in eerste aanleg de vordering of het verzoek tot het horen van de getuige al is afgewezen. De beoordeling in hoger beroep zal moeten gebeuren aan de hand van de daarvoor geldende (wettelijke) maatstaven, waarbij de rechter in hoger beroep de onder 3.5 en 3.6 beschreven mogelijkheden ter beschikking staan.’ 13. Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging in de procedure bij de politierechter niet heeft verzocht om het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen en dat de verdediging ook in de appelschriftuur niet gevraagd heeft om het horen van de verbalisanten. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdediging bij brief van 20 september 2023 expliciet is verzocht om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken en dat de raadsman niet op deze brief heeft gereageerd. Die brief houdt onder meer in dat ingeval de zittingsplanning van het hof binnen twee weken na dagtekening van de brief geen reactie van de raadsman heeft ontvangen, het hof ervan uitgaat dat er geen onderzoekswensen zijn. Het hof heeft tenslotte vastgesteld dat het bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de verdediging heeft gevraagd waar het op de zitting over zou moeten gaan. 13. Uit deze vaststellingen kan naar het mij voorkomt worden afgeleid dat zich het door Uw Raad in de geciteerde rechtsoverweging 3.6.1 onder b geformuleerde geval voordoet. Aan de verdediging is in ‘een eerder stadium van de betreffende instantie’ uitdrukkelijk gevraagd of zij onderzoekswensen heeft; uit de brief blijkt voorts dat er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen wordt opgevat als het niet hebben van die wensen. Daarmee doet zich een geval voor waarin van de verdediging mag worden gevergd dat zij toelicht waarom zij ‘terugkomt van het eerder ingenomen standpunt’.

15. Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat volgens het hof sprake is van misbruik van procesrecht. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat dit oordeel berust op de vaststelling dat de verdediging geen redelijke uitleg heeft gegeven waaruit volgt dat de onderzoekswens om een navolgbare reden pas later is ontstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman ter terechtzitting heeft aangegeven dat er ‘geen bijzondere reden’ is waarom het verzoek niet eerder is gedaan, en bevestigend heeft gereageerd op de opmerking dat de raadsman bij pleidooi ‘de keuzes van het hof dus beperkt tot het vrijspreken van de verdachte of het horen van de verbalisanten’. Dat de raadsman geen redelijke uitleg heeft gegeven waaruit volgt dat de onderzoekswens om een navolgbare reden pas later is ontstaan is, zo kan uit de geciteerde overwegingen worden afgeleid, naar het oordeel van Uw Raad een toereikende ‘reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend’ (vgl. in het bijzonder rov. 3.8.1). 15. De reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend moet, zo volgt uit de geciteerde overwegingen, ‘bij de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, worden bezien in onderling verband met de beide andere beoordelingsfactoren’ (rov. 3.8.2). Wat het gewicht van de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] betreft, kan worden vastgesteld dat zij van beslissende betekenis zijn voor de bewezenverklaring. Dat de verdachte één van de drie mannen was die op de [c-straat] bij het verwisselen van de kentekenplaten betrokken was, en later met twee andere mannen in de Toyota is aangetroffen, is enkel op de waarnemingen van en herkenning door beide verbalisanten gebaseerd, zo volgt ook uit de bewijsoverweging van het hof. Dat er factoren zijn die (toereikende) compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, heeft het hof niet vastgesteld en blijkt ook niet. De afstand van het ondervragingsrecht die uit het door het hof omschreven nalaten van de raadsman kan worden afgeleid, brengt naar het mij voorkomt evenwel mee dat art. 6 EVRM desalniettemin niet is geschonden.

17. Het middel faalt en kan in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. 17. Ambtshalve merk ik op dat op 6 mei 2024 cassatieberoep is ingesteld en dat Uw Raad meer dan twee jaar nadien arrest zal wijzen. Dat hoeft echter niet tot strafvermindering te leiden, er kan worden volstaan met constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519 , NJ 2026/33 m.nt. Jörg. Anders lag het in HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1555 , NJ 2026/34 m.nt. Jörg; HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1556 , NJ 2026/35 m.nt. Jörg; HR 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:502 . Ik neem daarbij in aanmerking dat afstand van verdedigingsrechten ook in de context van procesafspraken mogelijk is, en dat het EHRM daarbij geen uitzondering maakt voor getuigen waarvan de verklaring ‘decisive’ is. Vgl. EHRM 29 april 2014, nr. 9043/05 (Natsvlishvili en Togonidze/Georgië). Zie HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492 , rov. 3.2.