ECLI:NL:HR:2026:1473 Hoge Raad , 15-09-2026 / 24/01817
Samenvatting
Hoge Raad, Strafkamer, nr. 24/01817, arrest 15 september 2026. Verdachte (geboren 1992, naam in vonnis weggelaten) was in hoger beroep geconfronteerd met een proces-verbaal van bevindingen van twee verbalisanten ([verbalisant 1] en [verbalisant 2]) over waarnemingen bij een Toyota RAV4 op de [a-straat] en later herkenning van drie mannen in een Volkswagen Polo (met vermeld kenteken). De verdediging vroeg bij pleidooi in hoger beroep, kort gezegd, primair vrijspraak en subsidiair om de twee verbalisanten als getuigen te horen; dit verzoek was niet eerder bij de politierechter of in schrifturen gedaan en de verdediging had ook niet gereageerd op een brief van het hof van 20 september 2023 waarin werd verzocht eventuele onderzoekswensen binnen twee weken kenbaar te maken.
Het gerechtshof Amsterdam (arrest 3 mei 2024) wees het verzoek tot het horen van de verbalisanten af. Het hof motiveerde dat afwijzing door te oordelen dat de verdediging geen navolgbare reden had gegeven waarom het verzoek pas bij pleidooi werd gedaan, dat eerdere gelegenheden om het verzoek in te dienen onbenut waren gebleven en dat het verzoek derhalve misbruik van procesrecht was bedoeld om het hof te dwingen gunstig te beslissen. Desondanks gebruikte het hof het proces-verbaal van de verbalisanten als bewijs. In de feitenvaststelling stelde het hof vast dat drie mannen uit de Polo waren uitgestapt, dat één van hen een schroevendraaier had, dat platen werden verwisseld en dat twee uur later diezelfde drie mannen in dezelfde Polo werden aangetroffen; de verdachte werd als bijrijder herkend. Het hof sprak de verdachte vrij van de primaire diefstal-tenlasteleggingen, maar achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan opzetheling (de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten) en legde een straf op.
De verdachte bezocht cassatie; advocaat J. Kuijper nam het cassatiemiddel aan en de advocaat-generaal B.F. Keulen concludeerde tot verwerping. De Hoge Raad beoordeelde het cassatiemiddel en zette de juridische kaders uiteen, mede verwijzend naar een eerder arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1519). In dat arrest is vastgesteld dat een rechter van de verdediging kan verlangen dat zij toelicht waarom zij pas laat vraagt om (nadere) getuigenverhoren, vooral wanneer de verdediging eerder uitdrukkelijk is gevraagd naar onderzoekswensen en niet heeft gereageerd; en dat, mits de verdediging bekend kon zijn met die eis (bijvoorbeeld door het tussenarrest van 14 oktober 2025 of door duidelijke waarschuwingen), het uitblijven of onvoldoende onderbouwing van die toelichting reden kan zijn om het verzoek af te wijzen.
De Hoge Raad oordeelde hier dat het hof het verzoek terechtzitting vóór 14 oktober 2025 heeft afgewezen zonder voldoende grondslag. Cruciaal is dat het hof het beroep op misbruik van procesrecht verbond aan de omstandigheid dat de verdediging niet eerder had verzocht en niet had gereageerd op de brief van 20 september 2023, maar die brief bevatte geen waarschuwing dat latere verzoeken in rechte nadelige consequenties konden krijgen. Bovendien was het hofarrest gewezen vóór het arrest van 14 oktober 2025, zodat de verdediging niet met die jurisprudentie bekend kon zijn en haar tactiek daarop niet kon afstemmen. Gevolg: de motivering van het hof voor afwijzing van het getuigenverzoek is ontoereikend en niet begrijpelijk. De Hoge Raad benadrukte tevens dat het hof, voordat het het betwiste proces-verbaal als bewijs gebruikte zonder verhoor van de verbalisanten, had moeten nagaan of de procedure in haar geheel voldeed aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (vgl. HR 20 april 2021).
Conclusie Hoge Raad: het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het ziet op de beslissingen omtrent de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten en de daarop gebaseerde strafoplegging, en verwijst die onderdelen van de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en beslissing. De overige onderdelen van het hofarrest (onder meer de vrijspraak van de diefstal-tenlasteleggingen) bleven in stand. Arrest gewezen door vice-president C. Caminada (vz.), raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper; waarnemend griffier H.J.S. Kea.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Medeplegen opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416.1.a Sr. Post-Keskin. Afwijzing van een ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van verbalisanten, op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu sprake is van inactiviteit van verdediging en verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Zijn afwijzing van verzoek tot horen van verbalisanten en gebruik van hun p-v van bevindingen voor bewijs verenigbaar met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1519 m.b.t. vraag welke betekenis toekomt aan omstandigheid dat in eerste aanleg of in h.b. pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om bepaalde persoon als getuige te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium van procedure bij betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen. In dat arrest heeft HR ook geval besproken, waarin verdediging eerder bij betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen heeft (waaronder wens getuigen te horen), waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat niet opgeven van onderzoekswensen wordt opgevat als niet hebben van zulke wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Hof heeft bij pleidooi gedaan verzoek van verdediging tot horen van verbalisanten als getuige afgewezen, omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe heeft hof overwogen dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerdere gelegenheden om dit verzoek te doen, dat verdediging niet heeft gereageerd op brief van hof waarin haar is verzocht eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken en dat verdediging op vraag waarom verzoek pas bij pleidooi is gedaan daarvoor geen navolgbare reden heeft gegeven, zodat hof moet vaststellen dat verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Vervolgens heeft hof het p-v van bevindingen van deze verbalisanten voor bewijs gebruikt. ’s Hofs arrest is gewezen vóór 14-10-2025 zodat verdediging met inhoud van HR:2025:1519 nog niet bekend kon zijn en daarop haar handelen ook niet heeft kunnen afstemmen. Uit ‘s hofs vaststellingen kan ook niet volgen dat het de verdediging op andere manier duidelijk was dat aan onbenut laten van eerdere gelegenheden om getuigenverzoeken te doen en aan niet reageren op brief van verkeerstoren hof, consequenties zouden kunnen worden verbonden voor beoordeling van later alsnog gedaan getuigenverzoek. Brief van verkeerstoren hof houdt over mogelijkheid van zulke consequenties voor beoordeling van later alsnog gedaan verzoek niets in. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat verzoek tot horen als getuige van verbalisanten moet worden afgewezen, niet begrijpelijk. Ook omstandigheid dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. inhoud van het door verdachte betwiste p-v van bevindingen van verbalisanten, zonder dat verdediging hen als getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, is niet begrijpelijk (vgl. HR:2021:576). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **24/01817
Datum15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 mei 2024, nummer 23-001618-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen als getuige van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , en over het gebruik voor het bewijs van hun proces-verbaal van bevindingen zonder dat het hof ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
2.2.1 De procesgang in deze zaak, de stukken, de bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 11. De procesgang houdt – kort samengevat – in dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep het verzoek heeft gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuige te horen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2024 houdt daarover in: “De raadsman voert het woord tot verdediging: Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op bladzijde 37 e.v. van het dossier, is mijns inziens het meest essentiële stuk in deze zaak. Hieruit volgt dat de verbalisanten de melding krijgen dat er een gestolen auto staat in de [a-straat] in [plaats] . De weergave van de signalementen in dit proces-verbaal zijn problematisch. Zo is onduidelijk of de signalementen ten tijde van de waarnemingen van de verbalisanten ook al zo specifiek waren of dat deze achteraf, bij het aantreffen van de drie mannen in de Volkswagen Polo, in de herinnering van de verbalisanten zijn ingevuld. Niet uitgesloten kan worden dat sprake is geweest van onbewuste beïnvloeding door het latere contact en om die reden is het lastig om de betrouwbaarheid van de herkenningen te toetsen. Daarnaast zijn de waarnemingen van de gebeurtenissen onduidelijk. De verbalisanten verklaren dat ze twee mensen uit de Volkswagen Polo zien stappen: de bijrijder en de passagier. Deze twee mensen lopen vervolgens richting de Toyota RAV4. De verbalisanten zien de deur open en dicht gaan en concluderen vervolgens dat ze iemand in een auto hebben zien stappen. Ook zagen ze dat iemand bezig was aan de voorzijde van het voertuig, maar van deze persoon wordt geen omschrijving gegeven. Er wordt gezegd dat mijn cliënt voldoet aan het signalement van de bijrijder die uitstapt en een schroevendraaier bij zich heeft, maar er wordt geen beschrijving gegeven van wie dat is. De verbalisanten zien op enig moment de man met het schoudertasje naar het einde van de straat lopen, maar waar komt die man plotseling vandaan? De Toyota rijdt naar de uitgang van de straat, maar er wordt niet vastgesteld of de man met het schoudertasje de auto in is gestapt. Men lijkt dus feitelijk niet te kunnen concluderen welke man wat heeft gedaan en - als de herkenning van mijn cliënt betrouwbaar is - wat hij dan precies zou hebben gedaan. Ze hebben mijn cliënt immers niet in de auto zien stappen, kentekenplaten zien wisselen, richting de uitgang van de straat zien lopen of met de auto zien wegrijden. Het zijn slechts conclusies, die onvoldoende ondersteund worden door concrete waarnemingen. De [a-straat] is bovendien onoverzichtelijk, mede omdat de straat een lus-vorm heeft. Dit is weliswaar een doodlopende straat, maar deze is niet afgesloten voor voetgangers. Het is dus mogelijk dat er personen zijn aangekomen of zijn vertrokken zonder dat de verbalisanten dat hebben gezien. Niet vastgesteld kan worden dat de man die als eerste wordt beschreven iets heeft gedaan met de auto. Er zijn geen forensische sporen, zoals DNA of vingerafdrukken. Primair verzoek ik om de vrijspraak van mijn cliënt. Indien het hof van oordeel is dat een bewezenverklaring kan volgen op grond van het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dan verzoek ik voorwaardelijk om de aanhouding van de zaak teneinde de twee verbalisanten te horen over hun waarnemingen, zodat duidelijk wordt wat de verschillende personen hebben gedaan. Bij een afwijzing van dit voorwaardelijke getuigenverzoek, verzoek ik om de oplegging van een taakstraf, zodat mijn cliënt zijn werk kan voortzetten en zijn baan niet kwijtraakt.
De raadsheer vraagt de raadsman wat hem heeft tegengehouden om het verzoek tot het horen van getuigen eerder te doen, in eerste aanleg bij de politierechter, in de appelschriftuur, in reactie op de brief of er onderzoekswensen waren, of voorafgaand aan de rolzitting. De raadsman heeft een brief ontvangen met het expliciete verzoek om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Het hof heeft hier geen reactie op ontvangen. Wat is de aanleiding om nu pas te vragen om het horen van de verbalisanten?
De raadsman antwoordt dat daar geen bijzondere reden voor is. De verdediging meent dat op basis van dit dossier geen bewezenverklaring kan volgen en dat het hof de verdachte kan vrijspreken.
De raadsheer merkt op dat de raadsman bij pleidooi de keuzes van het hof dus beperkt tot het vrijspreken van de verdachte of het horen van de verbalisanten.
De raadsman antwoordt hierop bevestigend.”
2.2.2 Het hof heeft het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuige afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd: “De verdediging heeft verzocht om het horen van getuigen voor het geval het hof wel tot een bewezenverklaring zou komen. Het hof overweegt daarover het volgende.
De verdediging heeft in de procedure bij de politierechter niet verzocht om het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen. Ook in de appelschriftuur heeft de verdediging niet gevraagd om het horen van de verbalisanten. Bij brief van 20 september 2023 heeft het hof de verdediging expliciet verzocht om eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. De raadsman heeft op deze brief niet gereageerd.
Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, aan de verdediging gevraagd waar het op de zitting over zou moeten gaan en vervolgens de feiten en de persoonlijke omstandigheden met de verdachte besproken. Pas in reactie op het requisitoir heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de verbalisanten. Op de vraag van het hof wat de raadsman heeft tegengehouden het verzoek eerder te doen, antwoordde hij dat daar geen bijzondere reden voor is en dat de verdediging meent dat de verdachte moet worden vrijgesproken en dat onder die omstandigheden het horen van de verbalisanten niet nodig is.
Het hof is zich ervan bewust dat de bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs van belang zijn. De verdediging is niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium - bij de politierechter of bij het hof - om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek waarschijnlijk zijn toegewezen. Dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om een verzoek te doen een getuige te horen, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een ‘inactiviteit’ van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Het hof is echter van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van ‘inactiviteit’ van de verdediging zoals wordt bedoeld in de rechtspraak over het eerlijke proces. Er zijn niet alleen eerdere gelegenheden geweest, het hof heeft de verdediging ook expliciet gevraagd of er onderzoekswensen waren. Ook heeft het hof gevraagd naar de redenen dat het verzoek pas bij pleidooi is gedaan. Het hof onderkent dat ontwikkelingen tijdens een strafproces met zich kunnen brengen dat de wens om getuigen te horen pas later ontstaat of dat een inzicht pas later doorbreekt. De verdediging heeft op vragen van het hof echter geen reden uitleg gegeven waaruit volgt dat de wens of het inzicht om een navolgbare reden pas later is ontstaan. Het hof moet dan ook vast stellen dat het verzoek uitsluitend is bedoeld om het hof te dwingen tot een beslissing die voor de verdachte gunstig is. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat het voorwaardelijke verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen, moet worden afgewezen omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Het hof wijst het verzoek dan ook af.”
2.2.3 De brief van 20 september 2023 waarnaar het hof verwijst houdt in: “Teneinde de planning efficiënt te laten verlopen is het van belang dat het gerechtshof beschikt over eventuele onderzoekswensen van de verdediging. Indien u deze nog niet eerder of nog niet volledig heeft doorgegeven verzoekt de verkeerstoren u uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief deze per mail (verkeerstoren.hof. amsterdam @rechtspraak.nl) aan het gerechtshof door te geven.
Mocht de zittingsplanning van het hof binnen deze termijn geen reactie van u hebben ontvangen, dan gaat het gerechtshof ervan uit dat er geen onderzoekswensen zijn en zal de zaak direct voor een inhoudelijke behandeling worden gepland. U krijgt daarvan op de gebruikelijke wijze bericht.”
2.2.4 Het hof heeft het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voor het bewijs gebruikt en heeft in zijn arrest het volgende overwogen: “Bewijs Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet kan worden getoetst en dat de verbalisanten ongefundeerde conclusies trekken. De raadsman heeft subsidiair het voorwaardelijke verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen over hun waarnemingen.
Vrijspraak diefstal Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 primair ten laste is gelegd. Uit het bewijs volgt immers niet dat de verdachte betrokken is geweest bij de (eerder) gepleegde diefstallen. Hij zal daarom daarvan worden vrijgesproken.
Opzetheling Op grond van de waarnemingen van de twee verbalisanten staat vast dat drie mannen in een Volkswagen Polo, met [kenteken] , aan komen rijden en dat de passagier en bijrijder uitstappen. De verbalisanten geven een omschrijving van de drie mannen en daaruit volgt dat een van de twee mannen die uitstappen een schroevendraaier bij zich heeft. De twee mannen lopen naar de Toyota; een van de mannen stapt in het voertuig en de andere man is aan de voor- en achterzijde van het voertuig bezig. Op enig moment loopt de man met het schoudertasje naar de uitgang van de straat. Als het voertuig vervolgens wegrijdt, zien de verbalisanten dat de kentekenplaten zijn verwisseld. Bij het wegrijden zien de verbalisanten de andere man met de donkere jas en beige/bruine broek niet meer op de parkeerplaats. Verbalisanten zagen verder geen andere personen nabij de Toyota. Verbalisanten konden niet zien wie de Toyota bestuurde, maar spreken het vermoeden uit dat de man met de beige/bruine broek de Toyota bestuurde. Het hof gebruikt dit vermoeden van de verbalisanten niet voor het bewijs, maar concludeert net als de verbalisanten dat het de man met de beige/bruine broek zal zijn geweest die de auto heeft bestuurd. De bestuurder van de Volkswagen Polo is immers in de auto blijven zitten en de man met de schoudertas is de straat uitgelopen. Het hof acht de precieze taakverdeling echter niet van belang omdat de bijrijder en de passagier naar de uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar samen bezig zijn met het verplaatsen van een gestolen auto waarbij de originele kentekenplaten worden vervangen. Het hof volgt de verdediging dan ook niet dat het bewijs belangrijke vragen onbeantwoord laat. Geheel ten overvloede merkt het hof nog op dat niet vast staat dat de persoon die de schroevendraaier aanvankelijk bij zich droeg, deze schroevendraaier voortdurend vast heeft gehad en degene is geweest die de kentekenplaten heeft verwisseld. De drie mannen die door de verbalisanten bij de Toyota zijn gezien, worden ongeveer twee uur later in dezelfde Volkswagen Polo aangetroffen. [verbalisant 2] herkent de bestuurder van de Volkswagen Polo en beide verbalisanten herkennen de bijrijder en passagier van het voertuig, als de personen die waren uitgestapt en richting de Toyota waren gelopen. De verdachte was de bijrijder, één van de personen die naar de Toyota is gelopen en samen met de ander bezig is geweest met het verplaatsen van de auto.
Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten op de [a-straat] en evenmin aan de bewijswaarde van de latere herkenning, Concrete aanknopingspunten voor twijfel ontbreken. De verdachte heeft slechts erkend dat hij bij de aanhouding zich bevond in de Volkswagen Polo, maar heeft zich op vragen beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd waarin aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor twijfel aan de waarnemingen of de herkenningen. Dit betekent ook dat er geen verklaring is afgelegd die de belastende betekenis van het bewijs wegneemt.
Het hof moet dan ook vaststellen dat de verdachte samen met anderen de Toyota RAV4 en de kentekenplaten voorhanden heeft gehad die van misdrijven afkomstig waren. Uit de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat de verdachte en zijn mededaders wisten dat de Toyota RAV4 van misdrijf afkomstig was, voordat de auto werd verplaatst werden de originele kentekenplaten immers verwisseld. Enige uitleg over de wijze waarop zij deze goederen voorhanden hebben gekregen en de achtergronden daarvan ontbreekt. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Op grond van de bewijsmiddelen en gezien het ontbreken van enige uitleg door de verdachte is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van zowel de auto als de kentekenplaten wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.
Naar het oordeel van het hof is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen zich schuldig hebben gemaakt aan de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling van de Toyota RAV4 en de kentekenplaten.”
2.3.1 In zijn arrest van 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519 is de Hoge Raad ingegaan op de vraag welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat in eerste aanleg of in hoger beroep pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting door de verdediging wordt verzocht om een bepaalde persoon als getuige te horen, terwijl de verdediging al in een eerder stadium van de procedure bij de betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen. Daarbij heeft de Hoge Raad ook het geval besproken, zoals dat in deze zaak aan de orde is, waarin de verdediging eerder bij de betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen heeft (waaronder de wens getuigen te horen), waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet opgeven van onderzoekswensen wordt opgevat als het niet hebben van zulke wensen, en op die vraag door de verdediging niet is gereageerd. De Hoge Raad heeft daarover bepaald dat de rechter in zo’n geval van de verdediging mag vergen dat zij toelicht welke (nieuwe) ontwikkeling ertoe heeft geleid dat zij een verzoek tot (nader) onderzoek doet, terwijl zij eerder niet reageerde op de uitdrukkelijke vraag of zij nog onderzoekswensen had. Als gelegenheid is geboden voor zo’n toelichting, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat een toelichting uitblijft of dat de opgegeven redenen van onvoldoende gewicht zijn (vgl. rechtsoverweging 3.6.1).
2.3.2 Over deze mogelijkheid voor de rechter om een toelichting te vergen over de veranderde opstelling van de verdediging en om consequenties eraan te verbinden als zo’n toelichting uitblijft of de opgegeven redenen van onvoldoende gewicht zijn, heeft de Hoge Raad uiteengezet dat dit verband houdt met het belang van een goede, geordende en tijdige procesvoering, waaronder ook het door de wetgever onderstreepte belang van een goede regievoering. Het stellen van die eis is in overeenstemming met de (in dat arrest onder 3.5 weergegeven) “formal requirements and time-limits” van het Nederlandse strafprocesrecht, die niet alleen zien op een efficiënte procesvoering maar die ook de waarheidsvinding dienen (door getuigen zo tijdig mogelijk te horen) en die waarborgen dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. rechtsoverweging 3.7.2).
2.3.3 Ook houdt dit arrest van de Hoge Raad in dat, wil de rechter in de gevallen zoals in dat arrest bedoeld van de verdediging een toelichting kunnen vergen op het alsnog doen van een getuigenverzoek en aan het uitblijven van een toelichting van voldoende gewicht consequenties kunnen verbinden, de verdediging dan wel ermee bekend moet kunnen zijn geweest dat aan haar die eis kon worden gesteld op straffe van de bedoelde consequenties. Die bekendheid kan worden aangenomen als zij kennis heeft kunnen nemen van het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2025, of doordat haar op een andere manier duidelijk was dat aan het niet reageren op de vraag of zij onderzoekswensen had consequenties zouden kunnen worden verbonden voor de beoordeling van een later in te nemen andersluidend standpunt (vgl. rechtsoverweging 3.6.2 en 3.9.3).
2.4 Het hof heeft het bij pleidooi gedane verzoek van de verdediging tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuige afgewezen, omdat naar het oordeel van het hof sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerdere gelegenheden om dit verzoek te doen, dat de verdediging niet heeft gereageerd op de onder 2.2.3 weergegeven brief van het hof van 20 september 2023 waarin haar is verzocht eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken, en dat de verdediging op de vraag waarom het verzoek pas bij pleidooi is gedaan daarvoor geen navolgbare reden heeft gegeven, zodat het hof moet vaststellen dat het verzoek uitsluitend is bedoeld om het hof te dwingen tot een beslissing die voor de verdachte gunstig is. Vervolgens heeft het hof het proces-verbaal van bevindingen van deze verbalisanten voor het bewijs gebruikt.
2.5.1 Het arrest van het hof is gewezen vóór 14 oktober 2025 zodat de verdediging in deze zaak met de inhoud van het hiervoor onder 2.3 bedoelde arrest van de Hoge Raad nog niet bekend kon zijn en daarop haar handelen ook niet heeft kunnen afstemmen. Uit de vaststellingen van het hof kan ook niet volgen dat het de verdediging op een andere manier duidelijk was dat aan het onbenut laten van eerdere gelegenheden om getuigenverzoeken te doen, en aan het niet reageren op de brief van 20 september 2023 van de verkeerstoren van het hof, consequenties zouden kunnen worden verbonden voor de beoordeling van een later alsnog gedaan getuigenverzoek. De brief van de verkeerstoren van het hof houdt over de mogelijkheid van zulke consequenties voor de beoordeling van een later alsnog gedaan verzoek niets in. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat het verzoek tot het horen als getuige van de genoemde verbalisanten moet worden afgewezen niet begrijpelijk. De klacht van het cassatiemiddel die daarop betrekking heeft slaagt.
2.5.2 Dat geldt ook voor de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft aangenomen mede op grond van de inhoud van het door de verdachte betwiste proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten, zonder dat de verdediging hen als getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl het hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 ).
2.6 Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam , opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van