ECLI:NL:PHR:2026:583 Parket bij de Hoge Raad , 16-06-2026 / 24/03083
Samenvatting
De conclusie van procureur‑generaal D.J.C. Aben betreft het cassatieberoep van [verdachte] (geboren 1994) tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 31 juli 2024 (parketnr. 21‑000106‑24). Het hof had de verdachte veroordeeld voor afpersing (in vereniging, tijdens de nachtrust, met braak) en een gevangenisstraf van zes jaar opgelegd; daarnaast werden vorderingen van de benadeelde partij ([slachtoffer], met partner [medeslachtoffer]) behandeld en was een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd. Advocaten van de verdachte: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo. Het cassatieberoep is ingesteld op 7 augustus 2024.
Feiten (kort): Op 14 januari 2022 drongen meerdere gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer] binnen, bedreigden en bonden hem (poging), eisten “the keys, safe, money” en dwongen hem een portemonnee af te geven (enige honderden euro’s) en een kluis te openen. Aangever verklaarde dat hij twee bakken à €10.000 uit de kluis gaf (totaal €20.000). Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte samen met anderen een portemonnee met inhoud en een “grote hoeveelheid” geld afkomstig uit de kluis heeft afgenomen en zich toegang had verschaft door braak. Voor de bewezenverklaring gebruikte het hof onder meer de aangifte van de aangever.
Vorderingen: de benadeelde vorderde €23.000 (€20.000 materiële schade, €3.000 immateriële). Het hof kende in eerste aanleg alleen €2.000 immateriële schade toe en verklaarde de benadeelde niet‑ontvankelijk voor het materiële deel, omdat het bedrag van €20.000 onvoldoende was onderbouwd (alleen eigen opgave), terwijl de verdachte dit gemotiveerd betwistte.
Eerste middel in cassatie: betoogde innerlijke tegenstrijdigheid van het arrest in twee onderdelen: (i) in het kwalificatieve deel van de tenlastelegging stond “(grote) hoeveelheid geld”, maar in de bewezenverklaring is bij het kwalificatieve deel het woord “grote” weggelaten terwijl het feitelijke deel wel spreekt van “een grote hoeveelheid”; (ii) het hof gebruikte de verklaring van de aangever voor het bewijs van afgenomen €20.000, maar wees tegelijkertijd de materiële vordering van diezelfde €20.000 af.
Overwegingen procureur‑generaal: de eerste deelklacht faalt wegens gebrek aan belang en omdat de termen ‘hoeveelheid’ en ‘grote hoeveelheid’ niet onverenigbaar zijn; het per abuis weglaten van ‘grote’ in het kwalificatieve deel leidt niet tot cassatie. Ten aanzien van de tweede deelklacht wijst de procureur‑generaal op het verschil tussen strafrechtelijke bewijswaardering en civielrechtelijke bewijsregels voor schadevorderingen: de feitenrechter is in het strafproces vrij in selectie en waardering van bewijs (dus het hof mocht de aangifte gebruiken om vast te stellen dat een grote hoeveelheid geld is weggenomen), maar bij de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij geldt het civielrechtelijke stelsel van stelplicht en bewijslast (art. 150 Rv en HR 28 mei 2019). Het hof heeft het materiële deel afgewezen omdat de benadeelde onvoldoende had onderbouwd en de verdachte dit had betwist. Tegen die beslissing inzake de vordering zijn in cassatie geen klachten ingebracht, zodat de procureur‑generaal daarover niet hoeft uit te weiden. Omdat verschil in toepasselijke standaarden niet per se leidt tot vernietiging van het bewijsoordeel, faalt ook deze deelklacht.
Tweede middel: klacht dat de inzendtermijn in cassatie (zes maanden) is overschreden. Het dossier is pas op 22 oktober 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen, ruim na de termijn. De procureur‑generaal verklaart dit middel gegrond.
Slotsom en advies van de procureur‑generaal: het eerste middel faalt; het tweede middel slaagt. Door overschrijding van de redelijke termijn in cassatie moet dit leiden tot strafvermindering. De conclusie strekt ertoe het arrest van het hof te vernietigen uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en die straf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf; voor het overige (o.a. de bewezenverklaring en de afwijzing van het materiële schadevordering) wordt het beroep verworpen. De procureur‑generaal verwijst in zijn motivering naar relevante rechtspraak over bewijswaardering en de toepassing van civiele bewijslastregels op benadeeldevorderingen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Woningoverval. 1. Middel over innerlijke tegenstrijdigheden in (i) bewezenverklaring en (ii) tussen bewijsvoering en beslissing over de vordering BP. 2. Middel over overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vermindering gevangenisstraf in verband met overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03083
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 juli 2024 (parketnr. 21-000106-24) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel houdt in dat “
4. Ten eerste wordt geklaagd over de partiële vrijspraak van ‘(grote)’ waar was ten laste gelegd: “
5. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het hof de verklaring van de aangever, namelijk dat een geldbedrag van € 20.000,- uit de kluis is weggenomen, voor het bewijs heeft gebruikt, maar tegelijkertijd ten aanzien van de vordering van de aangever als benadeelde partij expliciet heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat dit bedrag daadwerkelijk is weggenomen (als gevolg waarvan dit gedeelte van de vordering niet is toegewezen).
De relevante delen van het arrest
6. De tenlastelegging (met onderstrepingen mijnerzijds) bevat het verwijt aan de verdachte dat:
“
zich, voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk over/voor zijn/hun hoofd/gezicht getrokken sjaal(s)/doek(en) en/of (bivak)muts(en)/capuchon(s), althans (in ieder geval) voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) en/of voorzien van een of meer knuppels en/of (een) stalen pijp(en), althans een of meer slagwapens, naar/in de woning van die [slachtoffer] , gelegen aan de [a-straat 1] , heeft/hebben begeven, (vervolgens) zich naar/in de slaapkamer - waar op dat moment die [slachtoffer] en diens partner, genaamd [medeslachtoffer] , lagen (te slapen) - heeft/hebben begeven,
(vervolgens) (wederom) in de richting van die [slachtoffer] en/of die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen/geschreeuwd: “The keys, safe, money, money”,
(vervolgens) die [slachtoffer] (fysiek) heeft/hebben gedwongen naar beneden (naar de kelder) (mee) te lopen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen de (in de kelder aanwezige) kluis te openen,
7. De bewezenverklaring (met onderstrepingen mijnerzijds) houdt in dat de verdachte:
“
8. Het hof heeft onder meer de aangifte van [slachtoffer] voor het bewijs gebruikt. Die houdt in (onderstrepingen door mij, D.A.):
“
9. Over de vordering die de aangever heeft ingediend als benadeelde partij heeft het hof overwogen:
“
Materiële schade
De bespreking van het middel
10. Op zichzelf constateren de stellers van het middel met juistheid dat het woord “
11. Deze deelklacht faalt echter bij gebrek aan belang. Alleen al doordat de begrippen ‘hoeveelheid’ en ‘grote hoeveelheid’ niet onverenigbaar zijn, bevat de bewezenverklaring op zichzelf geen tegenstrijdigheid en hoeft het abusievelijke wegstrepen van ‘grote’ in het kwalificatieve deel van de bewezenverklaring niet tot cassatie te leiden.
12. Het hof heeft bewezen verklaard dat de aangever is gedwongen tot de afgifte van ‘een grote hoeveelheid geld’ die uit zijn kluis afkomstig is. Voor het bewijs hiervan heeft het hof gebruikgemaakt van de verklaring van de aangever, te weten dat hij € 20.000 uit zijn kluis heeft gepakt en aan de daders heeft gegeven. Het hof heeft die verklaring kennelijk betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs geacht. Dat stond het hof vrij omdat de feitenrechter volgens het strafrechtelijk bewijsrecht degene is die gaat over de selectie en waardering van het bewijs.
13. Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij heeft de rechter niet dezelfde vrijheid, maar is hij gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslastverdeling uit het civiele recht, aldus overweegt de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij uit 2019. De Hoge Raad vervolgt:
“
14. In dit verband heeft het hof overwogen: “
15. Tegen deze beslissing op de vordering van de benadeelde partij en tegen de motivering ervan zijn in cassatie echter géén klachten geformuleerd. Ik hoef mij zodoende niet uit te laten over de manier waarop het hof het hierboven geciteerde civiele kader heeft toegepast, mede in het licht van de feiten die met het oog op de bewijsvraag zijn vastgesteld.
16. Gelet hierop zou de verdachte bij cassatie uitsluitend belang hebben indien de aangevoerde “
17. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het tweede middel
18. Dit middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
19. Het cassatieberoep is ingesteld op 7 augustus 2024. Het procesdossier is pas op 22 oktober 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden (aanzienlijk) is overschreden.
20. Het middel slaagt.
Slotsom
21. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
22. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG