ECLI:NL:HR:2026:1443 Hoge Raad , 15-09-2026 / 24/03083
Samenvatting
Hoge Raad, Strafkamer, zaaknummer 24/03083, arrest van 15 september 2026. Beroep in cassatie door [verdachte] (geboren 1994 te [geboorteplaats]) tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 31 juli 2024 (nr. 21‑000106‑24). In cassatie traden op advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo; de advocaat‑generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de gevangenisstraf en tot vermindering daarvan tot de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling eerste cassatiemiddel: de Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de verdachte tegen het hof niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat beantwoording van de vragen niet nodig is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie).
Beoordeling tweede cassatiemiddel (redelijke termijn, art. 6 lid 1 EVRM): het middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn is overschreden doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De Hoge Raad acht dit middel gegrond. Bovendien heeft de Hoge Raad vastgesteld dat in deze zaak — waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt — meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep voordat de Hoge Raad uitspraak deed. Deze feiten samen brengen een schending van de in artikel 6 lid 1 EVRM gewaarborgde redelijke termijn mee.
Gevolg en dispositief: de Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend inzake de duur van de opgelegde gevangenisstraf, vermindert die straf met zes jaren en stelt de duur vast op vijf jaren en zes maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door vice‑president M.J. Borgers (voorzitter) en raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, griffier E. Schnetz.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Medeplegen nachtelijke woningoverval waarbij aangever is gedwongen tot afgifte van grote hoeveelheid geld (€ 20.000) uit kluis, art. 317.3 jo. 312.2 Sr. Innerlijke tegenstrijdigheid ’s hofs arrest. Is arrest innerlijk tegenstrijdig, nu hof de verklaring van aangever dat geldbedrag van € 20.000 uit kluis is weggenomen voor bewijs heeft gebruikt maar t.a.v. vordering benadeelde partij (van diezelfde aangever) heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag daadwerkelijk is weggenomen? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
**Nummer **24/03083
Datum15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2024, nummer 21-000106-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van