ECLI:NL:OGHACMB:2023:315 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 16-02-2023 / H-146/21
Samenvatting
Op 16 februari 2023 heeft het Hof in hoger beroep uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1978 en woonachtig in Curaçao. De zaak betreft een verkeersovertreding waarbij de verdachte als bestuurder van een kleine bus zonder autogordel heeft gereden. Het Gerecht in eerste aanleg had de verdachte op 15 september 2021 veroordeeld tot een geldboete van NAf 225,00, met vervangende hechtenis van vier dagen bij niet-betaling. De verdachte heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Tijdens de zitting heeft de procureur-generaal, mr. M. Angela, gevorderd om het vonnis van het Gerecht te bevestigen. De verdachte voerde echter aan dat hij mogelijk onder een uitzondering op de gordelplicht valt, zoals vastgelegd in de Eilandverordening Personenvervoer. Hij stelde dat het dragen van een gordel in kleine bussen fysiek belastend is en dat de noodzaak ervan ter discussie staat gezien de gereden snelheden. Het Hof heeft het onderzoek geschorst om de procureur-generaal de gelegenheid te geven zijn visie op deze juridische kwestie te geven. De procureur-generaal concludeerde dat chauffeurs van kleine bussen zich niet succesvol op deze uitzondering kunnen beroepen.
De verdachte erkende na het onderzoek dat hij onder de gordelplicht valt en heeft aangegeven voortaan de gordel te dragen. Hij is van plan om een vrijstelling van de gordelplicht aan te vragen op basis van de Wegenverkeersverordening 2000, wat ook andere chauffeurs zou kunnen helpen.
Het Hof heeft de geldboete, die normaal gesproken in dergelijke zaken wordt opgelegd, voorwaardelijk vastgesteld op NAf 250,00 met een proeftijd van zes maanden. Dit betekent dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de verdachte zich binnen deze periode opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht in zoverre vernietigd en opnieuw recht gedaan, terwijl het vonnis voor de rest is bevestigd.
De beslissing is genomen door de leden van het Hof, mrs. W.J. Geurts-de Veld, R. Veldhuisen en R.L.M. van Opstal, in aanwezigheid van griffier mr. J. Mulder.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Gordelplicht, chauffeur kleine bus
Uitspraak
Zaaknummer: H-146/21
OPV-nummer: 790-117526 Uitspraak: 16 februari 2023Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 15 september 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[VERDACHTE],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats], thans wonende op het adres [adres] in [woonplaats].
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van NAf 225,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen vervangende hechtenis.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M. Angela, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de straf en de motivering daarvan, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding door als bestuurder van een kleine bus aan het verkeer deel te nemen terwijl hij geen gebruik heeft gemaakt van de voor hem beschikbare autogordel. Door zo te handelen heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid in het verkeer veronachtzaamd.
De verdachte heeft ter terechtzitting onder verwijzing naar (de totstandkoming van) bestaande regelgeving de vraag opgeworpen of hij, als chauffeur van een kleine bus, valt onder één van de uitzonderingen die op de gordelplicht wordt gemaakt op grond van de Eilandverordening Personenvervoer. Hij heeft daarbij ook de belangen aangeroepen van zijn collega’s die net als hij dagelijks beroepshalve dergelijke bussen besturen. Het belang is volgens de verdachte gelegen in het feit dat het dragen van een autogordel in dergelijke bussen als fysiek belastend wordt ervaren, terwijl gelet op de gereden snelheden vraagtekens kunnen worden geplaatst bij nut en noodzaak van het dragen van een autogordel. De vraag naar het al dan niet bestaan van een deugdelijke juridische grondslag voor een ‘autogordelplicht‘ bij kleine bussen als in het onderhavige geval heeft, gelet op de complexiteit daarvan, het Hof ertoe gebracht het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te schorsen, teneinde de procureur-generaal de gelegenheid te bieden zijn zienswijze daarover te kunnen geven. De procureur-generaal heeft uiteengezet dat, hoewel de – geldende – inhoud van deze uitzonderingsbepaling niet gemakkelijk is te achterhalen, chauffeurs van kleine bussen zich hierop niet met succes kunnen beroepen, ook de verdachte dus niet.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na het lezen van het uitgevoerde onderzoek door de procureur-generaal inziet dat voor hem een gordelplicht geldt. Ook heeft hij aangegeven de gordel thans wel te dragen. Hij heeft voorts verklaard een vrijstelling van de gordelplicht aan te zullen vragen binnen de mogelijkheden die het wettelijke systeem daarvoor biedt, op grond van de Wegenverkeersverordening 2000 zelf. Een mogelijk verkregen vrijstelling voor hemzelf zou dan ook voor andere chauffeurs van kleine bussen de weg vrij maken om via een vrijstelling niet te hoeven voldoen aan de gordelplicht.
In het vorenstaande, en in het bijzonder in wat de verdachte in deze strafzaak aan de orde heeft willen stellen, ziet het Hof aanleiding om de geldboete die gewoonlijk in dit soort zaken wordt opgelegd, voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen met een proeftijd van zes maanden.
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:54, 1:55 en 1:58 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 78 en 119 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van
bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.J. Geurts-de Veld, R. Veldhuisen en R.L.M. van Opstal, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 16 februari 2023 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.