ECLI:NL:GHARL:2026:5813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.353.540
Samenvatting
Partijen De zaak gaat over [appellante] (de vrouw) uit [woonplaats1], bijgestaan door mr. B.J. Driessen (die zich tijdens de procedure heeft onttrokken), en [geïntimeerde] (de man) uit [woonplaats2], bijgestaan door mr. R.P.V.W. Willems. Partijen hebben een affectieve relatie gehad maar nooit samengewoond. Op 1 mei 2020 kregen zij ieder voor de helft onverdeeld de woning aan [adres1] in [woonplaats2] in eigendom en sloten zij gezamenlijk meerdere hypothecaire geldleningen.
Procesverloop Het hof behandelde het hoger beroep na diverse mondelinge behandelingen; de zaak werd op 6 augustus 2026 meervoudig mondeling behandeld. De rechtbank had de man reeds grotendeels in het gelijk gesteld, onder meer door toedeling van de woning aan hem en veroordeling van de vrouw tot medewerking aan ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid. De vrouw tekende hoger beroep aan; het hof verklaarde haar ontvankelijk gelet op een fout van de rechtbank bij inschrijving in het rechtsmiddelenregister (apparaatsfout), waarna zij geacht werd tijdig te hebben ingeschreven.
Kernpunten en juridische beoordeling
-
Aanhouding: het verzoek van de vrouw tot aanhouding werd afgewezen wegens onredelijke vertraging (beëindiging relatie ruim drie jaar geleden, langdurige procedure).
-
Verdeling woning (art. 3:178 lid 3 BW): de vrouw verzocht primair om handhaving van onverdeeldheid of subsidiair toedeling aan haar. Het hof oordeelt dat haar belangen niet zodanig zwaarder wegen dat de verdeling moet worden uitgesloten; de primaire grief faalt. De eerdere beschikking tot toedeling aan de man blijft onderwerp van nadere beslissing na taxatie.
-
Waardering woning / taxatie (Peildatum): omdat in hoger beroep zowel waardering als verdeling zijn aangevoerd, geldt de uitspraak van het hof als peildatum; het hof benoemt een deskundige (mr. [naam3], makelaar) voor taxatie van de actuele marktwaarde. De taxatie moet plaatsvinden in aanwezigheid van partijen, tenzij dat om moverende redenen niet aanvaardbaar is. Kosten van het deskundigenonderzoek begroot het hof voorlopig op € 795 incl. btw; partijen dragen het voorschot geachtelijk ieder voor de helft. Omdat de vrouw recht heeft op toevoeging, wordt haar aandeel voorlopig ten laste van de Staat voldaan. Het deskundigenbericht moet vóór 17 november 2026 worden ingediend. De man moet binnen twee weken na het arrest het deskundigendossier ontvangen en vóór de peildatum de resterende hypothecaire schuld aan het hof kenbaar maken.
-
Vergoedingsrechten / regres (art. 6:10 BW): de rechtbank had de vrouw veroordeeld tot betaling van € 4.474,14 aan de man, nadat de woning is toegedeeld voor € 415.000, onder overname van de resterende schuld. Het hof overweegt specifiek:
- De waarborgsom (€ 37.500): notariestukken tonen dat de man dat bedrag op 1 mei 2020 had terugontvangen; door doorboeken naar de gezamenlijke rekening op 25 juni 2020 is geen regres voor de waarborgsom aanwezig. De man kan daarvoor geen regresvordering meer aanvoeren.
- Aflossing van € 235.000 op de overbruggingslening: vaststaat dat de man die aflossing heeft verricht en de vrouw niet; partijen hebben onvoldoende concreet aangetoond dat zij hierover een andere afspraak hadden dat de man alle lasten zou dragen. Daarom komt de man een regresvordering toe ter grootte van zijn overschotboven het eigen aandeel; de precieze omvang wordt vastgesteld na vaststelling van de peildatumwaarde en de resterende hypothecaire schuld op die datum.
-
Lening € 14.000: de vrouw voerde aan dat de betalingen fiscaal gezien als ‘lening’ waren opgezet om schenking te voorkomen. Het hof oordeelt dat de stelplicht en bewijs van een dergelijk fiscaal motief door de vrouw onvoldoende is voldaan; bij elke transactie vermeldde de man ‘lening’. Derhalve faalt de grief; de rechtbank‑overweging dat sprake is van lening blijft gelden.
-
Dwangsom opheffing rekeningen: de klacht van de vrouw inzake een dwangsom is moot omdat de rekeningen inmiddels zijn opgeheven en geen verbeurde dwangsommen zijn gebleken.
-
Incidenteel hoger beroep (eigenaarslasten en gebruiksvergoeding): de man vordert € 43.470,26 (de helft van betaalde lasten). Het hof oordeelt dat de man gedurende de relevante periode uitsluitend in de woning woonde en ook het genot heeft gehad; uit redelijkheid en billijkheid blijven deze kosten in beginsel voor zijn rekening. De door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding wordt niet toegewezen wegens strijd met de twee-conclusieleer (te laat ingebracht). Voor de hypothecaire aflossingen geldt dat de man een regresvordering op de vrouw heeft, die nog nader moet worden berekend aan de hand van de peildatum‑waardering en de resterende schuld.
Beslissing (kort) Het hof benoemt mr. [naam3] als deskundige voor taxatie van de actuele marktwaarde; stelt het voorschot op € 795; bepaalt dat de man de helft betaalt (€ 397,50) en dat het aandeel van de vrouw voorlopig door de griffier ten laste van de Staat wordt voldaan; geeft instructies en termijnen (deskundigenbericht vóór 17-11-2026, reactieroldatums 1-12 en 15-12-2026); gelast de man de mededeling van de restant hypothecaire schuld op de peildatum; en houdt alle overige beslissingen aan totdat het deskundigenrapport en de aanvullende informatie zijn ontvangen.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
De vrouw heeft in hoger beroep zowel de waardering als de verdeling van de woning aan de orde gesteld. De woning moet getaxeerd (HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722 ).
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.540 zaaknummer rechtbank Gelderland, 440200
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] advocaat: mr. B.J. Driessen (onttrokken)
en
die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. R.P.V.W. Willems
1 De verdere procedure bij het hof
1.1. In het tussenarrest van 10 juni 2025 is een enkelvoudige mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald op 22 juli 2025. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
1.2. Vervolgens heeft de vrouw een memorie van grieven genomen op 30 september 2025, de man een memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep, tevens vermeerdering van eis en de vrouw een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van eis, tevens aanvullend verzoek. Tot slot zijn de stukken door de vrouw gefourneerd en is een meervoudige mondelinge behandeling bepaald.
1.3. De op 7 mei 2026 geplande meervoudige mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden, omdat de advocaat van de vrouw zich heeft onttrokken.
1.4. Er heeft zich geen nieuwe advocaat namens de vrouw gesteld. Het hof heeft opnieuw een meervoudige behandeling bepaald. Deze heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5. Hierna heeft het hof arrest bepaald.
2 De kern van de zaak
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, maar hebben nooit samengewoond. Zij hebben gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, op 1 mei 2020 de woning aan [adres1] in [woonplaats2] (hierna: de woning) in eigendom gekregen. Zij hebben gezamenlijk als hoofdelijk schuldenaren hypothecaire geldleningen afgesloten bij (destijds [naam1] N.V., maar inmiddels) [naam2] BV onder nummers 1.839.491.101 (lineair), 1.839.491.102 (aflossingsvrij) en 1.838.491.103 (overbrugging). De man heeft de overbruggingslening in november 2020 afgelost voor een bedrag van € 235.000 met de verkoopopbrengst van zijn woning in [plaats1] . De restant schuld bedroeg per 1 augustus 2024 € 151.448,28 en per 1 oktober 2025 € 144.837,18. De man heeft de (lat)relatie in februari 2023 beëindigd.
2.2. De man heeft bij de rechtbank gevorderd toedeling van de woning aan hem voor een waarde van € 415.000, met veroordeling van de vrouw om mee te werken aan de ondertekening van documenten om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen en ook mee te werken aan de notariële verdeling, met in de plaatst treden van het vonnis, indien de vrouw dat laatste weigert. Ook heeft hij vanwege vergoedingsrechten betaling aan hem door de vrouw van € 4.474,14 gevorderd en wegens een lening terugbetaling door de vrouw van € 14.000. Tot slot heeft hij gevorderd dat de rechtbank een dwangsom verbindt aan de veroordeling om mee te werken aan de opheffing van de gezamenlijke betaalrekening en de gezamenlijke spaarrekening. De vrouw heeft, na zuivering van verstek, niet voor antwoord geconcludeerd.
2.3. De rechtbank heeft de vorderingen van de man toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat alle vorderingen van de man worden afgewezen. De man voert verweer, concludeert tot afwijzing van de grieven van de vrouw en heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij vordert in incidenteel hoger beroep, bij vermeerdering van eis, dat het hof de vrouw veroordeelt om aan hem € 43.470,26 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag waarop zijn memorie is genomen (9 december 2025) tot aan de dag dat volledig is betaald. De vrouw voert verweer en heeft haar eis vermeerderd; zij vordert een gebruiksvergoeding van de man.
2.4. De man heeft uitvoering gegeven aan het vonnis van de rechtbank. Bij notariële akte van verdeling van 27 oktober 2025 is de woning op basis van het vonnis aan de man toegedeeld. De vrouw is ter zake van de hypotheekschuld(en) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
2.5. Het hof zal beslissen dat de actuele waarde van de woning getaxeerd moet worden en houdt voor het overige alle beslissingen aan. Het hof licht dat hierna toe.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
3.1. De vrouw heeft om aanhouding van de zaak gevraagd. Zij vraagt het hof om de zaak vooralsnog niet te behandelen. De man maakt bezwaar tegen aanhouding. Het hof wijst het verzoek van de vrouw af. De relatie van partijen is ruim drie jaar geleden beëindigd en de verdelingsprocedure loopt al bijna twee jaar, waardoor verdere aanhouding een onredelijke vertraging van de procedure meebrengt.
3.2. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vrouw onder meer veroordeeld tot medewerking aan de levering van de woning aan de man en aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en daartoe indeplaatstreding van het vonnis bepaald. Volgens artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register.
3.3. De vrouw heeft de man op 8 april 2025 gedagvaard in hoger beroep. Zij heeft een akte van de rechtbank Gelderland overgelegd waaruit blijkt dat op 25 juli 2025 aantekening is gemaakt van het hoger beroep in het daarvoor bestemde rechtsmiddelenregister. Dat is te laat. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat namens de vrouw tijdig, te weten op 8 april 2025, aan de rechtbank is verzocht om het hoger beroep in te schrijven in het rechtsmiddelenregister. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet meteen gedaan maar eerst op 25 juli 2025. Dat is een ‘apparaatsfout’ van de rechtbank waarvan de vrouw niet de dupe mag worden. De vrouw wordt dan ook geacht haar hoger beroep tijdig te hebben ingeschreven in het rechtsmiddelenregister en is op grond van de artikelen 3:301 lid 2 BW in samenhang met artikel 433 Rv ontvankelijk in haar hoger beroep.
3.4. De vrouw klaagt dat de woning aan de man is toegedeeld. Primair meent zij dat de woning vooralsnog onverdeeld moet blijven, subsidiair dat zij de gelegenheid moet krijgen om de woning aan haar toebedeeld te zien worden. De man voert verweer.
3.5. Volgens artikel 3:178, derde lid, BW kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot eenmaal of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten, als de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. Het hof is van oordeel dat de belangen van de vrouw niet aanmerkelijk groter zijn dan die van de man. Sinds de beëindiging van de relatie is ruim drie jaar verstreken. De man moet weten waar hij aan toe is. Van de man kan dan ook niet worden verlangd dat de onverdeeldheid nog langer blijft voortbestaan. Het primaire deel van de grief van de vrouw faalt en haar verzoek om de vordering tot verdeling van de woning voor een periode van drie jaar uit te sluiten, moet worden afgewezen.
3.6. De vrouw vindt dat de woning opnieuw getaxeerd moet worden. De man is het daar niet mee eens. Het hof overweegt daartoe het volgende. Nu de vrouw in hoger beroep zowel de waardering als de verdeling van de woning aan de orde heeft gesteld moet het hof daarover opnieuw een beslissing geven en geldt de datum van de uitspraak van het hof als tijdstip van verdeling en daarmee in beginsel ook als peildatum voor de waardering van de woning.
3.7. De rechtbank heeft beslist dat de vrouw aan de man € 4.474,14 moet betalen. Zij komt als volgt tot dit bedrag. De woning is toegedeeld aan de man voor € 415.000 onder de verplichting het restant van de hypothecaire geldlening over te nemen (€ 151.448) en aan de vrouw de overwaarde te vergoeden van € 131.775. Deze schuld kan worden verrekend met de regresvordering van de man op de vrouw van € 136.250, die is ontstaan doordat de man de waarborgsom van € 37.500 heeft betaald en € 235.000 heeft afgelost op de overbruggingslening.
3.8. De vrouw klaagt dat de rechtbank heeft bepaald dat zij vanwege een vergoedingsrecht aan de man € 4.474,14 verschuldigd is, kennelijk op grond van de vordering van de man dat de bepalingen in titel 7 van boek 3 BW van toepassing zijn. Daarmee wordt miskend dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op partijen. Bovendien betwist de vrouw dat de man enige vergoeding toekomt, omdat partijen hebben afgesproken dat de man alle kosten voor de woning voor zijn rekening neemt In de inleidende dagvaarding staat dat de aanbetaling van € 37.500 door de man is terugontvangen met het terugstorten van € 44.842,29 op de gemeenschappelijke rekening van partijen, waarvan de man ten onrechte stelt dat het grootste deel ervan door de vrouw is uitgegeven. Aan de man komt dan ook geen regresvordering toe. De man voert verweer.
3.9. Op de rechtsverhouding tussen partijen is artikel 6:10 BW van toepassing dat bepaalt (samengevat) dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en in de kosten bij te dragen. De schuldenaar die een schuld betaalt voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat heeft een regresvordering op de andere schuldenaar.
3.10. De vrouw heeft aangetoond dat notaris op 1 mei 2020 op de bankrekening van de man bij [naam4] met nummer IBAN: [IBAN] € 44.842,29 heeft gestort. Anderhalve maand later, op 25 juni 2020, maakt de man van zijn rekening bij [naam4] eenzelfde bedrag over naar de gezamenlijke bankrekening van partijen met de omschrijving ‘
3.11. Dat is anders voor wat betreft de door de man gedane aflossing van € 235.000 op de hypothecaire schuld. Vaststaat dat de vrouw geen aflossingen heeft gedaan, maar de man wel. De man stelt dat partijen elk voor de helft moeten bijdragen in deze schuld. De vrouw betwist dat en stelt dat partijen een afspraak hebben gemaakt, en wel dat de man alle lasten van de woning voor zijn rekening zou nemen, zodat zij de man niets verschuldigd is. De man betwist weer dat sprake is geweest van een dergelijke afspraak. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat beiden voor de helft moeten bijdragen in de hypothecaire schulden. De vrouw heeft de stelling van de man – tegen de achtergrond dat de tegenwaarde van de schuld (de eigendom van de woning) aan ieder van partijen bij helfte ten goede is gekomen – onvoldoende gemotiveerd betwist en onvoldoende concrete informatie gegeven over de totstandkoming van de door haar aangevoerde afspraak. Als bekend is wat de (restant) hypothecaire schuld op de getaxeerde datum is, dan zal het hof de omvang van de regresvordering van de man vaststellen. Van de man wordt verwacht dat hij de schuld op de waardepeildatum (dus de datum waarop de deskundige de waarde van de woning vaststelt) inzichtelijk maakt en het hof daarover informeert.
3.12. De vrouw kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank dat zij € 14.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 aan de man moet (terug) betalen wegens geleend geld. De vrouw zegt dat de man haar dit bedrag heeft betaald, maar betwist dat zij deze gelden van de man heeft geleend. Omwille van het voorkomen dat deze overgemaakte bedragen als (belaste) schenkingen zouden worden gezien, werden de betalingen als lening benoemd, aldus de vrouw. De man voert verweer en betwist het door de vrouw gestelde.
3.13. Het hof neemt na eigen onderzoek de overweging van de rechtbank onder 3.11 van het bestreden vonnis over en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep is niet komen vast te staan dat de bedragen tegemoetkomingen zijn geweest in de vaste lasten van de vrouw die niet door haar hoefden te worden terugbetaald. Bij iedere transactie heeft de man in de bankomschrijving vermeld ‘lening’. Dat sprake is geweest van een fiscaal gedreven motief is door de vrouw, tegenover de betwisting van de man, niet aannemelijk gemaakt. Als van zo’n fiscaal motief wel sprake zou zijn geweest, maakt dat nog niet dat dan sprake is schenkingen. De grief faalt.
3.14. De vrouw klaagt dat de rechtbank haar heeft veroordeeld tot een dwangsom als zij niet meewerkt aan het opheffen van de twee gezamenlijke bankrekeningen. De man voert verweer. De bankrekeningen zijn inmiddels opgeheven en er is niet gebleken dat dwangsommen zijn verbeurd, zodat de grief van de vrouw, bij gebrek aan belang, geen inhoudelijke bespreking meer behoeft.
3.15. De man vordert in hoger beroep van de vrouw de helft van de door hem betaalde lasten. Hij vordert totaal € 43.470,26, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 9 december 2025 totdat geheel is betaald. De man specificeert de helft van de lasten als volgt: hypothecaire aflossingen van € 35.692,52, rentebetalingen van € 5.327,43, kosten opstal van € 1.340,28 en onroerendezaakbelasting van € 1.110,03. De vrouw voert verweer en vordert een gebruiksvergoeding van de man.
3.16. De man woonde in de periode waarover hij de bijdrage in de hypotheekrente en de eigenaarslasten (kosten opstal en onroerendezaakbelasting) van de vrouw vordert, alleen in het huis. De vrouw had gedurende die periode haar eigen woonlasten elders. Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat in dit geval deze kosten voor rekening van de man moeten blijven. Hij heeft ook het woongenot gehad en de vrouw niet. Zo komen de kosten die zijn toe te rekenen aan het gebruik ook voor rekening van de gebruiker. De door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding kan weliswaar niet toegewezen worden omdat deze te laat (en dus in strijd met de twee-conclusieleer) is gevorderd, maar dat maakt niet dat deze posten niet tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
3.17. Voor de hypothecaire aflossingen geldt wat is geoordeeld over de aflossing op de overbruggingslening. Daarvoor verwijst het hof naar wat hiervoor onder r.o. 3.10 is overwogen. De man heeft voor die aflossingen een nog nader te bepalen (regres)vordering op de vrouw.
4 De beslissing
Het hof:
alvorens verder te beslissen:
4.1. Benoemt de heer [naam3] , makelaar bij [makelaarskantoor] , [adres2] , [postcode2] in [plaats2] , telefoon [nummer1] en [nummer2] , tot deskundige, om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de actuele marktwaarde van de woning aan [adres1] in [woonplaats2] ( [postcode1] ), met inachtneming van wat onder r.o. 3.6 is overwogen over de al dan niet aanwezigheid van partijen bij de uitvoering van de taxatie.
4.2. Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 795 (inclusief btw).
4.3. Bepaalt dat de man de helft van het voorschot van € 795 moet betalen, dus € 397,50.
4.4. Aan de vrouw is een toevoeging verleend, zodat de griffier het aandeel van de vrouw in de kosten van de deskundige, dus het voorschot van € 397,50, voorlopig in debet gesteld, ten laste van de Staat.
4.5. Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen.
4.6. Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de
4.7. Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. J.H. Lieber als raadsheer-commissaris.
4.8. De deskundige moet het deskundigenbericht vóór 17 november 2026 sturen naar het hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem).
4.9. Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan de man een voorschotfactuur sturen van € 397,50 (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.
4.10. De advocaat van de man moet uiterlijk
4.11. Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.
4.12. Op dinsdag 1 december 2026 (roldatum) kan de advocaat van de man op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 15 december 2026 (roldatum) mag de advocaat van de vrouw daarop reageren.
4.13. De man moet in deze akte het hof informeren over de restant hypothecaire schuld op de peildatum (de datum waarop de deskundige de waarde van de woning vaststelt, zie slotzin van r.o. 3.11).
4.14. Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, J.U.M. van der Werff en L. Hamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.