ECLI:NL:GHARL:2026:5774 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.351.992/01
Samenvatting
Partijen en procedure Appellant is [appellant] (de man) te [woonplaats1], bijgestaan door mr. G.E. Knol. Geïntimeerde is [geïntimeerde] (de vrouw) te [woonplaats2], bijgestaan door mr. M. Elderhuis. Het arrest van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden) is gewezen op 8 september 2026 (zaaknr. gerechtshof 200.351.992/01; rechtbank Noord‑Nederland 221546). In hoger beroep zijn memorie van grieven en memorie van antwoord gewisseld; er vonden mondelinge behandelingen plaats op 23 juni 2025 en 1 juli 2026.
Feiten in het kort Partijen waren in 1988 in algehele gemeenschap gehuwd; de echtscheiding is uitgesproken op 24 november 2020 (inschrijving 11 maart 2021). Zij zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de gezamenlijke woning in [woonplaats1]. De woning is gefinancierd met een hypothecaire lening (hoofdelijke aansprakelijkheid) met een beleggingsverzekering. Tijdens een mediationtraject tekenden partijen op 15 juli 2020 een zogenaamde afstandsverklaring; daarop staat onder meer dat de vrouw afstand doet van “al haar rechten en plichten met betrekking tot [de] woning” en dat de man “per 15-07-2020 alle rechten en plichten ... alleen [zal] uitoefenen”. De mediation strandde; de vrouw vertrok in oktober 2020 en de man ging in de woning wonen. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen keerde in november 2020 ten minste €42.000 aan de man uit wegens aardbevingsschade.
Vordering en uitspraak rechtbank De vrouw vorderde (kort gezegd) verdeling van de woning en betaling van de helft van de overwaarde en van de aan de man toegekende vergoeding wegens aardbevingsschade. De man stelde dat partijen waren overeengekomen dat hij de woning zonder verrekening zou krijgen en vorderde subsidiair onder meer toewijzing van (woon‑)kosten en onderhoudsbedragen. De rechtbank oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de vrouw afstand had gedaan van haar rechten en plichten in de zin dat de woning zonder betaling/verrekening aan de man kon worden toebedeeld. De rechtbank beval binding van taxatie (NVM) en gaf de man gelegenheid de woning over te nemen of anders verkoop aan derde en verdeling bij helfte; zij veroordeelde de man tot betaling van €21.000 (de helft van de aan de man uitgekeerde vergoeding) met rente. Overige vorderingen werden afgewezen; partijen waren elkaar geen woonlasten/onderhoudsvergoedingen verschuldigd.
Grieven en verweren in hoger beroep De man betoogde in hoger beroep dat wel een geldige overeenkomst bestond dat hij de woning zonder verrekening zou krijgen; subsidiair stelde hij rechtsverwerking, misbruik van recht en (kort aangevoerd) redelijkheid en billijkheid in. De vrouw stelde zich behoudend op en heeft geen duidelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Beoordeling hof — uitleg afstandsverklaring Het hof past de Haviltex‑maatstaf toe: bepalend is wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de verklaring mochten toekennen en van elkaar mochten verwachten. Het hof stelt dat afstand van het eigendomsdeel (levering) volgens art. 3:96 en 3:89 BW een notariële akte vergt; een dergelijke notariële levering ontbreekt, zodat geen overdracht van het aandeel heeft plaatsgevonden. Voor een verbintenisrechtelijke verplichting tot overdracht (concluderende overeenkomst) rust op de man de stelplicht en bewijslast (art. 150 Rv). Het hof constateert dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de door hem gewenste uitleg van de afstandsverklaring ondersteunen. Daarbij laat de context meewegen: zowel het conceptconvenant als de afstandsverklaring zijn tijdens mediation opgemaakt en het conceptconvenant bevat bepalingen die juist een gemeenschappelijk eigendom en verdeling bij verkoop (helfte) beogen. Het hof rekent daaraan dat partijen niet beoogden af te wijken van het wettelijk uitgangspunt (art. 3:166 BW) dat eigenaars ieder aanspraak hebben op een gelijk aandeel in de woning en daaraan verwante opbrengsten (zoals schadevergoedingen).
Beoordeling hof — rechtsverwerking en misbruik van recht Het hof overweegt dat rechtsverwerking (art. 6:2 lid 2 BW) bijzondere omstandigheden vereist; tijdsverloop alléén volstaat niet. De man wees op het feit dat hij na vertrek van de vrouw woonlasten en noodzakelijk onderhoud betaalde, maar het hof vindt dat dit niet zodanig onverenigbaar is met het later geldend maken van haar rechten dat rechtsverwerking volgt — mede omdat de man ook genoot van het alleengebruik. Bovendien maakte de vrouw haar aanspraken reeds op 11 juli 2022 geltend, minder dan twee jaar na de afstandsverklaring (15 juli 2020), zodat tijdsverloop geen doorslaggevende factor is. Voor het uiterste toetsingskader van misbruik van recht (art. 3:13 BW) heeft de man onvoldoende feiten gesteld; geen bewijs dat de vrouw uitsluitend tot misbruik handelde of dat er een onevenredige belangenbotsing bestond. Het afzonderlijk beroep op redelijkheid en billijkheid is onvoldoende uitgewerkt en wordt niet behandeld.
Conclusie en dispositief Het hoger beroep faalt; het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 20 november 2024, met de aanpassing dat termijnen voor uitvoering van de verdeling vanaf de dag van dit arrest (8 september 2026) gaan lopen. Iedere partij draagt zijn eigen kosten. Het arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
In hoger beroep ligt de vraag voor of de vrouw afstand heeft gedaan van haar onverdeelde helft in de overwaarde van de woning, van haar aandeel in een bedrag dat de man heeft ontvangen aan vergoeding van aardbevingsschade en van haar aandeel in lopende schadeclaims voor aardbevingsschade aan de woning. Het hof legt de (ook) door de vrouw getekende afstandsverklaring uit aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Geen afstand van recht, geen rechtsverwerking en geen misbruik van recht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.992/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 221546
**arrest van 8 september 2026 **
in de zaak van
die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. G.E. Knol
en
die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. M. Elderhuis
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1. Na het arrest van 29 april 2025 heeft op 23 juni 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.2. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
1.3. Vervolgens heeft op 1 juli 2026 en mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.
1.4. Hierna heeft het hof opnieuw arrest bepaald.
2 De kern van de zaak
2.1. Partijen zijn ex-echtelieden en zij zijn het niet eens over wat er moet gebeuren met hun voormalige echtelijke woning. De vrouw heeft bij de rechtbank verdeling van de woning gevorderd en betaling van de helft van de overwaarde van de woning. Daarnaast heeft zij de helft van een aan de man toegekende vergoeding van aardbevingsschade aan de woning gevorderd. De man heeft zich daartegen verzet. De man stelt dat hij met de vrouw is overeengekomen dat hij de woning zonder verrekening toebedeeld krijgt. De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Subsidiair heeft de man, na aanvulling van zijn vordering bij akte, bij de rechtbank gevorderd voor recht te verklaren:
- dat partijen ieder de helft van een eventuele onderwaarde ter zake de woning zullen dragen, nader te bepalen;
- dat de man een vordering uit woon- en eigenaarslasten ter zake de woning heeft op de vrouw van (ten tijde van het instellen van de vordering) € 13.391,62 dan wel een bedrag en vanaf een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- dat de man een vordering heeft op de vrouw uit kosten herstel en onderhoud van € 12.605,71 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en dat dit bedrag primair in mindering dient te worden gebracht op de vergoeding uit aardbevingsschade en subsidiair bij helfte dient te worden verrekend met de vrouw.
De vrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de man en zover de man een bedrag toekomt uit hoofde van woon- en eigenaarslasten of kosten van herstel en onderhoud, wil zij dat wordt bepaald dat haar een gebruiksvergoeding toekomt ter hoogte van dat bedrag.
2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar rechten en plichten ten aanzien van de woning in die zin dat de woning zonder betaling/verrekening aan de man kan worden toebedeeld. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de woning gelast. De rechtbank heeft bepaald dat partijen de woning bindend laten taxeren door een in onderling overleg aan te wijzen NVM-makelaar en dat de man de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen en, als hij daartoe niet in staat is, partijen de woning aan een derde verkopen en de verkoopopbrengst bij helfte verdelen. Verder heeft de rechtbank de man veroordeeld om aan de vrouw € 21.000, - met rente te betalen. Dat is de helft van het bedrag dat de man aan vergoeding van aardbevingsschade aan de woning heeft ontvangen. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat partijen elkaar in het kader van de woonlasten, de kosten van herstel en de gebruiksvergoeding niets verschuldigd zijn.
2.3. De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de toegewezen vorderingen van de vrouw alsnog worden afgewezen en dat zijn afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De vrouw heeft niet met zoveel woorden incidenteel hoger beroep ingesteld. In haar stellingen in hoger beroep leest het hof ook niet, in ieder geval niet met voldoende duidelijkheid, dat zij wel heeft beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen.
2.4. Het hof zal oordelen dat niet is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de man de woning zonder betaling/verrekening toebedeeld krijgt. Verder zal het hof oordelen dat de vrouw recht heeft op de helft van de aan de man uitbetaalde vergoeding vanwege aardbevingsschade aan de woning. Het hof komt daarmee tot de slotsom dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigd moet worden. Het hof zal dat hierna toelichten.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
3.1. Partijen zijn [in] 1988 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Op 24 november 2020 heeft de rechtbank Noord Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, partijen bevolen hun huwelijksgoederengemeenschap te verdelen en een boedelnotaris en een onzijdig persoon benoemd tot wie partijen zich kunnen wenden als zij het over de verdeling niet eens worden. Op 11 maart 2021 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in het daartoe bestemde register van de gemeente [gemeentenaam] .
3.2. Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats1] (hierna: de woning). De aankoop van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze geldlening. Aan deze lening is een beleggingsverzekering verbonden.
3.3. Op enig moment zijn partijen een online mediationtraject gestart waarin zij met elkaar overleg hebben gepleegd over (onder meer) de regeling van hun onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen. In een ongedateerd en ongetekend concept echtscheidingsconvenant is in artikel 4.5. opgenomen dat de woning buiten de scheiding en deling wordt gehouden, zodat deze woning ook na de echtscheiding aan partijen in gezamenlijk eigendom blijft toebehoren. Artikel 4.8. van het concept convenant bepaalt dat bij verkoop van de woning de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.
3.4. In het kader van het mediationtraject zijn partijen op 15 juli 2020 bijeengekomen en hebben zij een schriftelijk stuk (hierna: de afstandsverklaring) ondertekend met de volgende tekst:
“
Twee anderen, aangeduid als “getuige”, hebben dit stuk ondertekend.
3.5. Op enig moment na ondertekening van de afstandsverklaring is de mediation afgebroken omdat de man een probleem had met het betalen van partneralimentatie.
3.6. De vrouw is in oktober 2020 uit de woning vertrokken. De man heeft vervolgens de woning betrokken.
3.7. De vrouw heeft aanvragen ingediend bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) tot vergoeding van schade aan de woning als gevolg van aardbevingen. In november 2020 heeft het IMG een vergoeding van in ieder geval € 42.000 uitgekeerd aan de man.
3.8. De man is op enig moment een procedure gestart tot wijziging van de door de rechtbank eerder vastgestelde partneralimentatie.
3.9. Grieven zijn volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle gronden die een appellant aanvoert om tot vernietiging van de bestreden uitspraak te komen. De appellant hoeft deze gronden niet expliciet als ‘grief’ te benoemen of te nummeren. Wel moeten de gronden zo duidelijk naar voren worden gebracht dat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en de wederpartij. De wederpartij moet immers kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Daarbij biedt de herkansingsfunctie van het hoger beroep partijen de mogelijkheid om de gronden voor hun vorderingen of verweren te wijzigen of aan te vullen.
3.10. De man heeft een voldoende kenbare grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar rechten en plichten ten aanzien van de woning in die zin dat de woning zonder betaling/verrekening aan de man kan worden toebedeeld. Daarnaast voert de man in hoger beroep als voldoende kenbare nieuwe (subsidiaire) verweren tegen de oorspronkelijke vorderingen van de vrouw aan dat zij haar aanspraken op de woning heeft verwerkt althans dat zij misbruik maakt van recht.
3.11. Dat een en ander ook voldoende kenbaar was voor de vrouw blijkt uit het verweer dat zij hiertegen heeft gevoerd. Het hof zal daarom ingaan op deze stellingen van de man.
3.12. De man noemt in zijn memorie van grieven ook nog de redelijkheid en billijkheid en verbindt daaraan de conclusie dat de vrouw haar rechten niet langer geldend kan maken in de zin van artikel 3:13 BW (welke bepaling op misbruik van recht ziet). Voor zover de man de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als afzonderlijk nieuw verweer naast rechtsverwerking en misbruik van recht had willen aanvoeren, heeft hij dat verweer met onvoldoende scherpte naar voren gebracht. Daarop zal het hof daarom verder niet ingaan.
3.13. Voor zover de man stelt dat de vrouw met de afstandsverklaring haar vermogensrechtelijke belang bij de voormalige echtelijke woning heeft prijsgegeven, overweegt het hof dat voor afstanddoening vereist is de overdracht van het aandeel van de vrouw aan de man of een derde. Art. 3:96 BW bepaalt dat de levering van een aandeel in een goed geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat goed. Dat betekent, gelet op artikel 3:89 BW, dat voor afstanddoening van het aandeel in een woning een notariële akte nodig is.
3.14. De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat hij de woning zonder betaling/verrekening toebedeeld zou krijgen, wat de vrouw betwist. De man verwijst in dat verband naar de inhoud van door hem overgelegde afstandsverklaring, die door beide partijen is ondertekend. De vrouw betwist dat de afstandsverklaring die betekenis heeft.
3.15. Het hof begrijpt de stelling van de man zo dat hij stelt dat de vrouw in de afstandsverklaring afstand heeft gedaan van haar onverdeelde helft in de overwaarde van de woning, van haar aandeel in het bedrag van tenminste € 42.000 dat de man heeft ontvangen aan vergoeding van aardbevingsschade aan de woning en ook van haar aandeel in lopende schadeclaims voor aardbevingsschade aan de woning. De vrouw, zo begrijpt het hof, stelt dat de afstandsverklaring alleen inhield dat zolang de woning nog niet verdeeld was, de man alle lasten en lusten van de woning zou dragen en dat zij dus afstand deed van de lusten (zoals recht op (belasting)teruggaven) van de woning.
3.16. Het hof stelt vast dat partijen van mening verschillen over de inhoud van de overeengekomen afstandsverklaring. Dat betekent dat het hof de bepalingen uit de afstandsverklaring moet uitleggen om te kunnen vaststellen wat tussen partijen moet gelden als overeengekomen. Het hof zal dat doen met gebruikmaking van de maatstaf die de Hoge Raad daarvoor heeft ontwikkeld in het Haviltex-arrest
3.17. De man beroept zich op de rechtsgevolgen van de inhoud van de afstandsverklaring. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan de man om feiten en omstandigheden te stellen (en bij een gemotiveerde betwisting te bewijzen) die met toepassing van het Haviltex-criterium tot het oordeel kunnen leiden dat een overeenkomst met de door de man verdedigde uitleg tot stand is gekomen.
3.18. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn uitleg van de afstandsverklaring en dat daarom niet van de uitleg van de man kan worden uitgegaan. Dit heeft twee redenen.
3.19. In de eerste plaats is relevant dat de afstandsverklaring is ondertekend in de periode waarin het mediationtraject werd gevolgd dat partijen in de zomer van 2020 aangingen om de financiële gevolgen van hun echtscheiding te regelen. De rechtbank heeft dit vastgesteld en daartegen is geen grief gericht zodat ook het hof daarvan uitgaat. De mediation is zonder resultaat geëindigd. Gelet daarop kan dan niet zonder meer worden aangenomen dat de deelafspraak over de woning zoals neergelegd in de afstandsverklaring een definitieve wilsovereenstemming over de verdeling van de woning tussen partijen weergeeft.
3.20. Ten tweede sluit het concept van het echtscheidingsconvenant niet aan bij de afstandsverklaring zoals de man die uitlegt, maar wel bij de betwisting door de vrouw van de stelling van de man dat hij de woning zonder betaling/verrekening toebedeeld zou krijgen. In het concept convenant staat dat de gezamenlijke woning buiten de scheiding en deling wordt gehouden, zodat deze woning ook na de echtscheiding aan partijen in gezamenlijk eigendom blijft toebehoren. Verder staat in het concept convenant dat bij verkoop van de woning de overwaarde tussen partijen bij helft wordt verdeeld. Als gezegd, zijn zowel het concept convenant als de afstandsverklaring opgesteld gedurende het mediationtraject, dus aangenomen mag worden dat zij ook in datzelfde traject zijn opgesteld.
3.21 In deze situatie gaat het hof ervan uit dat partijen niet hebben beoogd om met de afstandsverklaring af te wijken van het in art. 3:166 BW vastgelegde uitgangspunt dat partijen die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning beiden aanspraak hebben op een gelijk aandeel in (de waarde van) de woning, en van andere opbrengsten die daarmee verband houden (zoals vergoedingen voor aardbevingsschade).
3.21. Van rechtsverwerking kan pas sprake als de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (artikel 6:2 lid 2 BW). De rechter moet bij de toepassing van dit wetsartikel terughoudend zijn. Enkel tijdsverloop levert niet een toereikende grond op, daarvoor is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een aanspraak niet (meer) geldend zou worden gemaakt, hetzij de positie van een partij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval die aanspraak alsnog geldend zou worden gemaakt. Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij de beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.
3.22. In zijn toelichting bij dit verweer verwijst de man naar zijn stellingen die hij aan zijn uitleg van de afstandsverklaring ten grondslag heeft gelegd. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de verklaringen en gedragingen van partijen niet dat de vrouw in de afstandsverklaring afstand heeft gedaan van haar aandeel in de onverdeelde helft van (de onder- of overwaarde van) de woning en van haar aandeel in de schadevergoeding(claims) voor aardbevingsschade aan de woning.
3.23. De omstandigheid dat de man na het vertrek van de vrouw uit de woning alleen de woon- en eigenaarslasten heeft betaald en kosten heeft gemaakt voor noodzakelijk onderhoud, levert, anders dan de man kennelijk vindt, geen bijzondere omstandigheid op die een beroep op rechtsverwerking kan dragen. De man ziet er bovendien aan voorbij dat tegenover die lasten ook de lust van het alleengebruik van de woning stond. Van onevenredige benadeling van de man bij het geldend maken van haar aanspraken door de vrouw is dan ook geen sprake.
3.24. Verder heeft de vrouw al op 11 juli 2022 aanspraak gemaakt op verdeling van de woning. Dit is nog geen twee jaar na ondertekening van de afstandsverklaring op 15 juli 2020. Ook het tijdsverloop is dus (volstrekt) onvoldoende om rechtsverwerking te kunnen aannemen.
3.25 De man heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld voor zijn beroep op rechtsverwerking. Het beroep slaagt dus niet.
3.25. De man heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waarop kan worden gebaseerd dat aan de strenge toets van misbruik van recht is voldaan. Niet is gebleken dat de vrouw haar aanspraken geldend maakt met geen ander doel dan de man te schaden of met een ander doel dan waarvoor het is bedoeld of dat sprake is van een onevenredigheid tussen het belang van de vrouw bij de uitoefening van haar rechten en het belang van de man dat daardoor wordt geschaad. Daarom wijst het hof het beroep van de man op misbruik van recht af.
3.26. Het hoger beroep slaagt niet. Nu niet is gebleken dat partijen op onderdelen al uitvoering hebben gegeven aan het bestreden vonnis, zal het vonnis bekrachtigd worden. Voor termijnen die in dat vonnis zijn bepaald voor handelingen ter uitvoering van de gelaste wijze van verdeling, zal daarbij worden bepaald dat die termijnen gaan lopen vanaf de dag van deze uitspraak. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
4 De beslissing
Het hof:
4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 20 november 2024, met dien verstande dat de in dat vonnis bepaalde termijnen waarbinnen bepaalde handelingen moet zijn verricht ter uitvoering van de wijze van verdeling, gaan lopen vanaf de dag van deze uitspraak;
4.2. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.