Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5801

ECLI:NL:GHARL:2026:5801 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.304.790
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechts­hof Arnhem‑Leeuwarden (afdeling civiel) heeft op 8 september 2026 arrest gewezen in het hoger beroep tussen [appellant] (adv. mr. S.H. van Os) wonende te [woonplaats1], en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (adv. mr. M.J.G.A. Filemon) wonende te [woonplaats2]. Het hof behandelde met name vorderingen van [appellant] tot betaling van zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn vader en zijn legitieme portie uit de nalatenschap van zijn moeder.

Feiten en vorderingen

  • [appellant] vorderde € 84.948,28 als erfdeel uit de nalatenschap van vader (testament 13 nov 1990, ouderlijke boedelverdeling) vermeerderd met “bijgeschreven” rente vanaf 19 oktober 2001 en wettelijke rente vanaf 11 augustus 2017; en € 76.667 als legitieme portie uit de nalatenschap van moeder, met wettelijke rente vanaf de procesinleiding van 20 augustus 2018.
  • In eerste aanleg had de rechtbank deze vorderingen afgewezen omdat de vereffening van moeders nalatenschap wegens gebrek aan baten was opgeheven, zodat de gedaagden betaling niet uit eigen vermogen behoefden te voldoen (art. 4:184 lid 2 onder b en c BW).

Oordeel van het hof

  • Grief IV van [appellant] slaagt: het hof oordeelt dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niet hebben bewezen dat tot de nalatenschap van moeder geen vordering van € 460.000 behoort of dat dat bedrag was geschonken. Daarom moest bij de berekening van de legitimaire massa rekening worden gehouden met een goed ter waarde van € 460.000 (nadere vaststelling van de massa bleek voor toewijzing van de gevorderde bedragen niet langer nodig).
  • De berekeningen van de legitieme portie door partijen (appellant € 90.057,13; geïntimeerden € 77.928,13) liggen beide boven de door [appellant] gevorderde € 76.667. Het hof wijst die gevorderde € 76.667 toe en kent wettelijke rente toe vanaf de procesinleiding van 20 augustus 2018. Het hof motiveert dat deze procesinleiding als ingebrekestelling kan gelden (art. 6:82 lid 2 BW), nu geen aanwijzing bestond dat de gedaagden eerder in verzuim waren en aanmaning nutteloos zou zijn geweest.
  • Ten aanzien van het erfdeel uit vaders nalatenschap: het hof interpreteert “bijgeschreven rente” als de daadwerkelijk op de banktegoeden van de nalatenschap ontvangen rente tussen 19 okt 2001 en het eindvonnis van de rechtbank (9 dec 2009). Omdat [appellant] niet concreet heeft voorgerekend welke rentebijschrijvingen daaruit volgen, neemt het hof het door de gedaagden genoemde bedrag van € 10.263,59 aan. Het erfdeel wordt daarmee € 84.948,28 + € 10.263,59 = € 95.211,87, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 december 2017 (aanmaningsbrief van de advocaat).
  • Artikel 4:184 lid 2 BW (persoonlijke aansprakelijkheid van erfgenamen) — [appellant] stelde dat de gedaagden schulden van moeders nalatenschap uit eigen vermogen moesten voldoen op grond van onder b (verhindering voldoening) en c (opzettelijk onttrekken van goederen). De rechtbank had de bewijslast bij [appellant] gelegd; in hoger beroep vroeg [appellant] omkering van de bewijslast. Het hof herhaalt dat omkering slechts in bijzondere omstandigheden en met motivering mogelijk is. Voor de specifieke stelling dat tot de nalatenschap een vordering van € 460.000 behoort is de bewijslast tijdelijk omgekeerd omdat de feiten grotendeels in het domein van de gedaagden lagen en deze zich geweigerd hadden tot bankonderzoek; dat leidde tot het slagen van grief IV. Dit betekent echter niet dat de bewijslast ook omgekeerd moest worden voor de overige stellingen onder art. 4:184 lid 2 b en c. [Appellant] heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de gedaagden opzettelijk goederen hebben zoekgemaakt of verborgen; de getuigenverklaringen leverden dit niet op. Grieven 2 en 3 falen. De gedaagden zijn derhalve niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap.
  • Overige grieven faalden; grief 1 (bemoeienis met financiën) had geen zelfstandige betekenis.

Beslissing (kort)

  • Het hof vernietigt het bestreden deel van het vonnis en veroordeelt [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] tot betaling aan [appellant] van:
    • € 84.948,28 + € 10.263,59 (bijgeschreven rente) = € 95.211,87, met wettelijke rente vanaf 8 dec 2017;
    • € 76.667 (legitieme portie uit moeder), met wettelijke rente vanaf 20 aug 2018.
  • Verder bekrachtigt het hof het vonnis voor het overige, bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt (partijen hebben deels gelijk en deels ongelijk gekregen) en legt de taxes van de gehoorde getuigen bij [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Arrest gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en J.W.A. Biemans, 8 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:5470
Civiel recht
25-08-2026 91% soortgelijk
Partijen [appellant] (woonplaats [woonplaats1]) is executeur en erfgenaam van hun vader. De tegenpartijen zijn zijn broer [geïntimeerde1] (woonplaats [woonplaats2]) en zijn zus [geïntimeerde2] (woonplaats [woonplaats1]), hierna gezamenlijk [geïntimeerden]. Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (arrest...
ECLI:NL:GHARL:2026:5641
Civiel recht
01-09-2026 90% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem), arrest 1 september 2026, nr. gerechtshof 200.341.172 (appellante) tegen (geïntimeerde). Partijen: [appellante] (woont in [woonplaats1], advocaat mr. M.J. Germs) en [geïntimeerde] (woont in [woonplaats2], advocaat mr. K. Coenders‑El...
ECLI:NL:GHARL:2026:4221
Civiel recht
26-06-2026 90% soortgelijk
[appellant] (privé en als executeur van de nalatenschap van [naam1]) beroept zich in twee zaken tegen zijn zussen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en de Gemeente Groningen als bewindvoerder (GKB). Geschilpunten zijn de verdeling...
ECLI:NL:GHARL:2026:4919
Civiel recht
28-07-2026 90% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem), arrest 28 juli 2026. Partijen: [appellant] als bewindvoerder over alle goederen van [onderbewindgestelde] (appellant en bewindvoerder sinds 22 januari 2026) versus [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (advocaat mr. M. Mos)....
ECLI:NL:GHARL:2026:4578
Civiel recht
15-07-2026 89% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Arnhem (zaaknrs. gh 200.257.239 / rb 525458) behandelt hoger beroep van [erfgenaam1] (bijgestaan door mr. D.P.M. Buijsrogge) tegen uitspraken van de kantonrechter (21‑12‑2016 en 17‑10‑2018) tegen zijn zussen: de...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vaststellen erfdeel in nalatenschap eerder overleden ouder en vaststellen legitieme portie. Bewijslevering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.304.790 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 358991

**arrest van 8 september 2026 **

in de zaak van

[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. S.H. van Os

tegen

1 [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

2.** [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] ) ** die beiden wonen in [woonplaats2] advocaat: mr. M.J.G.A. Filemon

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het verdere procesverloop in dit hoger beroep na het tussenarrest van 27 januari 2026 blijkt uit de akte van [appellant] van 10 maart 2026 en de akte van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van 21 april 2026. Vervolgens is arrest gevraagd.

2 Het verdere oordeel van het hof

2.1. Het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] er niet in zijn geslaagd te bewijzen dat tot de nalatenschap geen vordering van € 460.000 behoort en dat dit bedrag ook niet is geschonken en dat grief IV van [appellant] slaagt.

vorderingen van [appellant]

2.2. Het hof memoreert dat [appellant] in deze procedure betaling vordert van:

  • € 84.948,28 (legitieme portie in de nalatenschap van zijn vader), te vermeerderen met de ‘bijgeschreven’ rente vanaf 19 oktober 2001 (sterfdag vader) en over die beide bedragen de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2017 (sterfdag moeder);
  • € 76.667 (legitieme portie in de nalatenschap van moeder), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de procesinleiding van 20 augustus 2018.

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, omdat de vereffening van de nalatenschap van moeder was opgeheven wegens gebrek aan baten en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] die vorderingen niet ten laste van hun eigen vermogen hoefden te betalen (artikel 4:184 lid 2 onder b en c BW). De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] dan ook geen belang meer had bij vaststelling van zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder.

legitieme portie in de nalatenschap van moeder

2.3. Door het slagen van grief IV van [appellant] is komen vast te staan dat tot de nalatenschap van moeder in elk geval met een ‘goed’ ter waarde van € 460.000 moet worden gerekend dat ook meedoet bij de berekening van de legitimaire massa. Om te kunnen oordelen over de omvang van de legitieme portie van [appellant] in de nalatenschap van moeder is het nodig zicht te krijgen op de legitimaire massa in die nalatenschap volgens de maatstaf van artikel 4:65 BW (waarde goederen nalatenschap + in aanmerking te nemen giften – schulden van artikel 4:7 lid 1 onder a-c en f). Het hof heeft [appellant] de gelegenheid gegeven een beschrijving te geven van de legitimaire massa met een gedocumenteerde onderbouwing van de bestanddelen daarvan. Dat heeft hij gedaan in zijn akte van 10 maart 2026; [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben daarop gereageerd (akte van 21 april 2026).

2.4. [appellant] berekent zijn legitieme portie op € 90.057,13; [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] berekenen die op € 77.928,13. Beide bedragen zijn hoger dan de legitieme portie waarvan [appellant] betaling vordert. Dat is € € 76.667. Het hof zal dat bedrag toewijzen. Een bespreking van de stellingen over en weer over de samenstelling van de legitimaire massa is dan niet meer nodig.

2.5. [appellant] vordert daarover in hoger beroep de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 augustus 2017 (de sterfdag van moeder) dan wel de dag van aanvang van de procedure (procesinleiding van 20 augustus 2018). Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van de procesinleiding in eerste aanleg (20 augustus 2018). Niet is gebleken dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] eerder in verzuim zijn geraakt. Een dagvaarding of in dit geval een procesinleiding kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling indien deze voldoet aan de daaraan in de omstandigheden van het geval op het punt van ingebrekestelling te stellen eisen. Het is duidelijk dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] zich niet verplicht achtten aan [appellant] een legitieme portie te betalen en dat aanmaning nutteloos zou zijn. [appellant] heeft in zijn procesinleiding aanspraak gemaakt op betaling van zijn legitieme portie, vermeerderd met de wettelijke rente, zodat is voldaan aan artikel 6:82 lid 2 BW. Naast de procesinleiding is dan ook geen afzonderlijke ingebrekestelling nodig.

erfdeel van [appellant] in de nalatenschap van vader

2.6. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] zijn verplicht aan [appellant] zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn vader te betalen. Vader heeft in zijn testament van 13 november 1990 een ouderlijke boedelverdeling gemaakt (artikel 4:1167 BW (oud)) en daarin goederen toegedeeld aan moeder en ook aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ; vader heeft [appellant] in de legitieme portie gesteld.

2.7. Rechtbank Arnhem heeft in haar tussenvonnis van 7 mei 2008 geoordeeld:

“ Gedaagden hebben gelijk dat de rente die na de sterfdatum van de erflater is bijgeschreven niet behoort tot de nalatenschap noch tot de legitimaire massa. Maar natuurlijk moet de sinds de sterfdatum bijgeschreven rente wel in de verdeling worden betrokken, en zo zal eiser het ook hebben bedoeld.”

Rechtbank Arnhem heeft in haar eindvonnis van 9 december 2009 beslist:

“stelt de omvang van het erfdeel van eiser vast op een bedrag van € 84.948,28,

vermeerderd met de vanaf de sterfdatum bijgeschreven rente;”

Zowel [appellant] als [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] gaan ervan uit dat moeder verplicht was dit bedrag aan [appellant] te betalen en dat dit bedrag conform het testament van vader in beginsel pas opeisbaar was bij haar overlijden en zonder bijberekening van rente.

2.8. Volgens [appellant] is met ‘bijgeschreven rente’ bedoeld de bancaire rente tussen de sterfdag van vader (19 oktober 2001) en de sterfdag van moeder (11 augustus 2017). [appellant] becijfert de ‘bijgeschreven rente’ op 3,57% per jaar. De bijgeschreven (samengestelde) rente in die periode is volgens [appellant] € 62.996,71 en zijn vordering op de sterfdag van moeder € 147.944,99.

2.9. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] stellen dat het gaat om de daadwerkelijk bijgeschreven rente in de periode tussen 19 oktober 2001 en 9 december 2009. Zij becijferen die rente op 2,67% per jaar en berekenen die over de periode van 19 oktober 2001 tot 15 februari 2006; na die datum hebben geen noemenswaardige bijschrijvingen van rente plaatsgevonden. Zij komen dan uit op een bedrag aan bijgeschreven rente van € 10.263,59.

2.10. Het hof is van oordeel dat uit de vonnissen van de rechtbank volgt dat met ‘bijgeschreven rente’ niets anders kan zijn bedoeld dan de (‘daadwerkelijke’) rente die in de periode tussen het overlijden van vader en het eindvonnis van de rechtbank is ontvangen op bankrekeningen die tot de nalatenschap van vader behoorden. Uit het eindvonnis van de rechtbank van 9 december 2009 blijkt dat tot de nalatenschap van vader banktegoeden behoorden van € 140.571. In het dossier heeft het hof afschriften van drie bankrekeningen aangetroffen (productie H7 van [appellant] bij zijn memorie van grieven), waaronder een bonus spaarrekening op naam van vader en/of moeder bij de ABN AMRO Bank met een saldo van € 134.450,75 op 16 oktober 2001. Op de twee andere bankrekeningen staan relatief kleine bedragen en van een van die bankrekeningen is het oudste afschrift van 13 januari 2003 (waarop is vermeld een saldo van € 2.021,13 op 31 december 2002). Het minste dat [appellant] had kunnen doen is aan de hand van die afschriften optellen welke bedragen van 19 oktober 2001 tot 9 december 2009 daadwerkelijk zijn bijgeschreven. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Het hof kan dan ook niet vaststellen welk bedrag precies aan rente is bijgeschreven en zal daarom uitgaan van het bedrag van € 10.263,59 dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] noemen, omdat partijen het ten minste over dat bedrag eens zijn.

2.11. Het erfdeel van [appellant] in de nalatenschap van zijn vader bedraagt dan € 84.948,28 + € 10.263,59 = € 95.211,87, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2017. Op die dag heeft de advocaat van [appellant] een brief gestuurd aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] en hen aangemaand aan [appellant] zijn erfdeel in de nalatenschap van vader, dat opeisbaar was geworden op 11 augustus 2017, te betalen.

Moeten [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] de schulden ten laste van hun eigen vermogen voldoen?

2.12. In de procedure bij de rechtbank heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] verplicht zijn schulden van de nalatenschap van moeder ten laste van hun eigen vermogen te voldoen. [appellant] noemde daarvoor twee gronden die zijn terug te vinden in artikel 4:184 lid 2 BW: (1) [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben de voldoening van schulden aan hem in de nalatenschap van moeder verhinderd en hun kan daarvan een verwijt worden gemaakt (artikel 4:184 lid 2 onder b BW); (2) [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben opzettelijk goederen van de nalatenschap zoek gemaakt, verborgen of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers van de nalatenschap onttrokken (artikel 4:184 lid 2 onder c BW). De rechtbank heeft beslist dat [appellant] dat moet bewijzen (artikel 150 Rv) en daarin niet is geslaagd. [appellant] maakt daartegen bezwaar. In grief 2 bestrijdt hij de beslissing van de rechtbank over de bewijslast. In grief 3 bestrijdt hij de beslissing van de rechtbank dat hij niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling voor onderdeel (2). Hij richt geen grief tegen de beslissing van de rechtbank dat hij niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling voor onderdeel (1). Dat [appellant] zijn stelling (1) niet heeft bewezen is in dit hoger beroep dan ook niet meer aan de orde.

2.13. [appellant] heeft de bewijslast van zijn hiervoor genoemde stellingen. [appellant] bepleit omkering van de bewijslast. Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Toepassing van deze laatste uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. De beslissing tot omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden gemotiveerd, waarbij de rechter de omstandigheden moet vaststellen die hem tot dit oordeel hebben geleid en inzicht moet geven in de gedachtegang die hij daarbij heeft gevolgd.

2.14. Het hof is van oordeel dat noch uit enige bijzondere regel noch uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast ook hier moet worden omgekeerd. Die omkering heeft wel plaatsgehad bij de bewijslast voor de stelling van [appellant] dat tot de nalatenschap van moeder nog een vordering tot terugbetaling van € 460.000 behoort of dat dit bedrag is geschonken. De reden daarvoor was dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hardnekkig weigerden zelf nader onderzoek te doen bij de bank en zelfs weigerden [appellant] te machtigen dat onderzoek te doen wat de vraag opriep of zij er toch niet meer van weten. Daar kwam bij dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] anders dan [appellant] dagelijks contact hadden met erflaatster en samen met haar zijn opgetrokken in de procedure tegen [appellant] over de nalatenschap van hun vader. Wat moest worden bewezen bevond zich veel meer in het domein van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] dan dat van [appellant] . Omdat [appellant] zo in een onredelijk zware bewijspositie was geraakt voor het bewijzen van feiten en omstandigheden die grotendeels in het domein van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] lagen, achtte het hof daar omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid geboden.

2.15. Dat de bewijslast in dat geval is omgekeerd, betekent nog niet dat dit ook geboden is voor het bewijs van de stellingen in verband met artikel 4:184 lid 2 BW die onder (1) en (2) zijn genoemd. [appellant] kan voor het bewijs van die stellingen ervan uitgaan dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] er niet in zijn geslaagd te bewijzen dat tot de nalatenschap geen vordering van € 460.000 behoort en dat dit bedrag ook niet is geschonken. Zijn bewijspositie is wat die stellingen betreft niet onredelijk zwaar. Grief 2 van [appellant] faalt.

2.16. Grief 3 gaat dan over de vraag of [appellant] zijn stelling (2) heeft bewezen of nog mag bewijzen. [appellant] heeft ook in hoger beroep aangeboden te bewijzen dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] op de hoogte waren van de opname van € 460.000 in 2006 en dat zij weten wat er met dat bedrag of delen daarvan is gebeurd. Dit is een relevant bewijsaanbod. [appellant] zegt niet of het hier gaat om bewijs door getuigen of anderszins. De vraag is of het bewijsaanbod in hoger beroep dan ook specifiek genoeg is. In hoger beroep mag van [appellant] in beginsel worden verwacht dat hij niet alleen voldoende concreet aangeeft op welke van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft, maar ook, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Dat laatste heeft [appellant] niet gedaan en dat had hij wel moeten doen. Hij krijgt dan ook niet meer de gelegenheid nog getuigen te horen of nadere bewijsstukken over te leggen.

2.17. De volgende vraag is dan of [appellant] zijn stelling heeft bewezen. In dit geding zijn wel [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] en ook [getuige] als getuigen gehoord over de vraag wat er is gebeurd met de opnames van € 10.000 en € 450.000 in verband met de stelling van [appellant] dat tot de nalatenschap een vordering van € 460.000 behoort en dat dit bedrag ook niet is geschonken. In dat verband hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] als getuigen desgevraagd onder ede verklaard dat zij niets weten van de opname door moeder van € 460.000; [getuige] heeft daarover verklaard dat hij deze opname wel met moeder, maar niet met anderen heeft besproken vanwege zijn geheimhoudingsplicht. Het hof oordeelt dat [appellant] niet heeft bewezen dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] opzettelijk goederen van de nalatenschap zoek gemaakt, verborgen of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers van de nalatenschap hebben onttrokken (artikel 4:184 lid 2 onder c BW) en daardoor schulden van de nalatenschap ten laste van hun eigen vermogen moeten voldoen. Dat bewijs ontbreekt; de getuigen die daarover zijn gehoord hebben verklaard daarvan niets te weten. Wel is het zo dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hardnekkig hebben geweigerd zelf nader onderzoek te doen bij de bank en zelfs hebben geweigerd [appellant] te machtigen dat onderzoek te doen. Dat heeft, zoals het hof eerder heeft overwogen, de vraag opgeroepen of zij er toch niet meer van weten, zeker omdat zij dagelijks contact hadden met erflaatster en samen met haar zijn opgetrokken in de procedure tegen [appellant] over de nalatenschap van hun vader. Dat hun gedrag vragen heeft opgeroepen was voldoende voor een omkering van de bewijslast voor de stelling van [appellant] dat tot de nalatenschap van moeder een vordering van € 460.000 behoort en dat dit bedrag ook niet is geschonken. Het is mede gelet op hun verklaringen als getuigen onvoldoende om te bewijzen dat zij op de hoogte waren van de opname van € 460.000 in 2006 en dat zij weten wat er met dat bedrag of delen daarvan is gebeurd. Grief 3 van [appellant] faalt. Een en ander betekent dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] niet verplicht zijn om de schulden aan [appellant] ten laste van hun eigen vermogens te voldoen.

grief 1: hadden [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] bemoeienis met de financiën van moeder?

2.18. Grief 1 gaat over de vraag of [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] enige bemoeienis hadden met de financiën van moeder en is voor zover nodig aan de orde gekomen bij de behandeling van grief 4. Deze grief hoeft geen bespreking meer en heeft geen zelfstandige betekenis naast de grieven 2-4.

Slotsom.

2.19. Grief 4 van [appellant] slaagt; zijn overige grieven falen. Het hoger beroep slaagt voor een deel. Het hof zal het bestreden vonnis in reconventie bekrachtigen en in conventie vernietigen en de vorderingen van [appellant] toewijzen als volgt.

2.20. Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels gelijk en ongelijk hebben gekregen. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] moeten de taxes van de getuigen die zijn gehoord dragen.

2.21. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3 De beslissing

Het hof:

3.1. vernietigt de beslissing in 2.1. in het vonnis dat de rechtbank op 7 juli 2021 tussen partijen in conventie heeft gewezen en beslist:

3.2. veroordeelt [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] aan [appellant] te betalen:

  • € 84.948,28 (erfdeel in de nalatenschap van vader), te vermeerderen met de ‘bijgeschreven’ rente ten bedrage van € 10.263,59 en met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 8 december 2017;
  • € 76.667 (legitieme portie in de nalatenschap van moeder), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2018;

3.3. bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

3.4. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt en dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] de taxes van de getuigen die zijn gehoord dragen;

3.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.6. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en J.W.A. Biemans, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 289. HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8445 . HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529 . HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009 , rov. 3.5