Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5470

ECLI:NL:GHARL:2026:5470 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 25-08-2026 / 200.340.485
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen [appellant] (woonplaats [woonplaats1]) is executeur en erfgenaam van hun vader. De tegenpartijen zijn zijn broer [geïntimeerde1] (woonplaats [woonplaats2]) en zijn zus [geïntimeerde2] (woonplaats [woonplaats1]), hierna gezamenlijk [geïntimeerden]. Het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (arrest 25 augustus 2026) behandelt hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden‑Nederland van 10 januari 2024.

Geschil Het geschil betreft de afwikkeling van de nalatenschap van de vader en daarnaast de vaststelling van vorderingen van partijen uit de nalatenschap van hun moeder. [geïntimeerden] vorderden onder meer verklaring voor recht over omvang van vorderingen uit moeders nalatenschap, vaststelling dat [appellant] onrechtmatig gelden uit vaders nalatenschap heeft onttrokken en vergoeding daarvan. [appellant] voerde verweer en vorderde in reconventie dat [geïntimeerden] tot rekening en verantwoording worden veroordeeld en dat hij diverse bedragen terugbetaald krijgt.

Vonnis rechtbank (kort) De rechtbank stelde onder meer vast dat ieders vordering in de nalatenschap van de moeder €88.750 bedroeg; dat [appellant] ten onrechte €54.752,48 (waarvan €9.014 huursommen) uit de nalatenschap van de vader had onttrokken en veroordeelde hem tot vergoeding met wettelijke rente; de rechtbank bepaalde een wijze van verdeling over een saldo van €131.324,68; de reconventie van [appellant] werd afgewezen; proceskosten voor rekening van [appellant].

Belangrijke klachten in hoger beroep [appellant] stelde het vonnis te vernietigen, wilde onder meer dat [geïntimeerden] niet‑ontvankelijk of afgewezen worden, terugbetaling van door hem betaalde bedragen, veroordeling tot verstrekking van inzicht (rekening en verantwoording) over verkoop opbrengst van een woning, en volledige proceskostenvergoeding. [geïntimeerden] instelden incidenteel appel om het resterende saldo van de nalatenschap hoger te laten vaststellen (tot €143.566,01).

Oordeel van het hof — feiten en rechtsoordelen

  • De door de rechtbank vastgestelde verklaring over de vorderingen uit moeders nalatenschap (€88.750) bleef onbestreden en in stand.
  • De rechtbank had toegekend dat [appellant] bepaalde onttrekkingen had gedaan. [geïntimeerden] betoogden dat het bedrag voor overige onttrekkingen €56.700 moest zijn (in plaats van €55.700); het hof concludeerde na narekening dat inderdaad €1.000 ontbreekt in de berekening en stelde de onttrekking door [appellant] vast op €56.700. Deze grief van [geïntimeerden] slaagde.
  • De door [appellant] geciteerde tegenvorderingen (onder meer kosten verhuur, aandeel in huurinkomsten, terugbetaalde borg, meervoudige opstalpremies) faalden omdat hij deze niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd. Bankafschriften die later werden overgelegd waren ongestructureerd en ongenummerd; het hof wijst erop dat het op de zijde van de partij die zich op feiten beroept ligt deze tijdig en ordelijk te overleggen. Schending van die bewijsverplichting leidde tot verwerping van die verrekeningsclaims.
  • Het beroep op rechtsverwerking (dat [geïntimeerden] te laat om bonnetjes zouden hebben gevraagd) vond geen wettige grondslag; familiaire verhoudingen rechtvaardigen geen afwijkende bewijsvoering.
  • De rechterlijke verwerping van executorsloon door de rechtbank werd door het hof overgenomen: vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie en omdat de afwikkeling nog niet was voltooid, komt [appellant] geen executeursloon toe.
  • Ten aanzien van uitvaartkosten stelde het hof vast dat [geïntimeerde2] €700 uit eigen middelen had voorgeschoten en dat dit bedrag in zijn geheel uit de nalatenschap moet worden voldaan (niet slechts 2/3 zoals de rechtbank had aangenomen).
  • Het hof constateerde een rekenfout van de rechtbank: de erfbelasting van €11.708 was dubbel in aftrek gebracht. Voorts kon het hof de herkomst van een vermindering van €4.559,96 niet terugvinden in stukken; die vermindering dient te vervallen. Het hof verhoogde derhalve fictief het te verdelen saldo met €23.416 (2 x €11.708).
  • Op grond van deze correcties stelde het hof het saldo van de nalatenschap (voor verdeling) vast: bruto posten tezamen €150.240,16 plus de vastgestelde overige onttrekkingen €56.700 (+ rente P.M.), minus €700 uitvaart en fictieve toevoeging erfbelasting leidend tot een totaal te verdelen bedrag van €172.956,16 (+ P.M.).

Definitieve verdeling en veroordeling

  • Het hof verklaarde voor recht dat [appellant] (naast de huursommen ad €9.014) €56.700 aan de nalatenschap heeft onttrokken, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum rechtshandeling tot voldoening.
  • Verdeling: [geïntimeerde2] ontvangt afgerond €57.652,06 (plus haar 1/3 deel van de rente over de overige onttrekkingen); [geïntimeerde1] en [appellant] ontvangen elk afgerond €45.944,05 (beide verminderd met €11.708 omdat erfbelasting voor hen uit de nalatenschap was voorgeschoten, en elk vermeerderd met 1/3 deel van de rente over de €56.700).
  • De reconventie van [appellant] (rekening en verantwoording door de erfgenamen) bleef afgewezen: geen wettelijke grondslag omdat de erfgenamen niet het beheer van de nalatenschap voerden.
  • Proceskosten: [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] (griffierecht €349 en salaris advocaat €8.232). Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Slot Het hof bekrachtigde het vonnis voor het overige en vernietigde onderdelen van de rechtbank ten aanzien van de verklaring voor recht en de wijze van verdeling, om deze op de hiervoor beschreven wijze te vervangen. Het arrest is gewe

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2025:5499
Civiel recht
09-09-2025 91% soortgelijk
[appellant] (eerste appelant), [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn drie broers en gezamenlijke erfgenamen van hun vader, [de erflater] (overleden 30-8-2005). Het geschil betreft de verdeling van de nalatenschap, vooral de onroerende zaken aan...
ECLI:NL:GHARL:2026:5641
Civiel recht
01-09-2026 91% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem), arrest 1 september 2026, nr. gerechtshof 200.341.172 (appellante) tegen (geïntimeerde). Partijen: [appellante] (woont in [woonplaats1], advocaat mr. M.J. Germs) en [geïntimeerde] (woont in [woonplaats2], advocaat mr. K. Coenders‑El...
ECLI:NL:GHARL:2026:5801
Civiel recht
08-09-2026 91% soortgelijk
Gerechts­hof Arnhem‑Leeuwarden (afdeling civiel) heeft op 8 september 2026 arrest gewezen in het hoger beroep tussen [appellant] (adv. mr. S.H. van Os) wonende te [woonplaats1], en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (adv. mr. M.J.G.A....
ECLI:NL:GHARL:2026:4578
Civiel recht
15-07-2026 91% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Arnhem (zaaknrs. gh 200.257.239 / rb 525458) behandelt hoger beroep van [erfgenaam1] (bijgestaan door mr. D.P.M. Buijsrogge) tegen uitspraken van de kantonrechter (21‑12‑2016 en 17‑10‑2018) tegen zijn zussen: de...
ECLI:NL:GHARL:2026:2228
Civiel recht
15-04-2026 90% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem), zaaknrs. gerechtshof 200.343.115 / rechtbank Midden‑Nederland 517710, arrest 14 april 2026. Partijen - Appellant: [appellant] ([naam1]) te [woonplaats1], bijgestaan door mr. E.M.G. Pouls. - Geïntimeerde 1: [geintimeerde1] ([naam2])...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Onttrekkingen door (latere) executeur. Ontbreken deugdelijke administratie. Niet ordelijk en overzichtelijk verwezen naar producties.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.340.485 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 527428

**arrest van 25 augustus 2026 **

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats1] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie hierna: [appellant] advocaat: mr. J. Witvoet

tegen

1 [geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats2]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats1] die bij de rechtbank optraden als eisers in conventie en verweerders in reconventie hierna: samen [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] advocaat: mr. E.M.G. Pouls

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , op 10 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep (14-03-2024)
  • de memorie van grieven tevens vordering in het schorsingsincident (09-07-2024)
  • de memorie van antwoord in het schorsingsincident (23-07-2023)
  • het arrest in het schorsingsincident van 3 september 2024
  • de memorie van antwoord tevens incidenteel appel (15-10-2024)
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte houdende overlegging producties (21 januari 2025)
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 september 2025 is gehouden

2 De kern van de zaak

2.1 Partijen zijn broers en zus van elkaar. De zaak tussen partijen gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader, waarbij de vordering van partijen op de vader met betrekking tot de nalatenschap van hun moeder uit de wettelijke verdeling ook een rol speelt. [appellant] is executeur in de nalatenschap van vader.

2.2 [geïntimeerden] heeft bij de rechtbank, onder meer verklaringen voor recht en de verdeling van de nalatenschap gevorderd. [geïntimeerden] wil daarbij vastgesteld hebben wat de omvang van de vorderingen van partijen in de nalatenschap van de moeder is en dat [appellant] (als executeur en/of erfgenaam) onrechtmatig heeft gehandeld door gelden aan de nalatenschap te onttrekken, met veroordeling van [appellant] tot schadevergoeding (met rente en kosten). Dit betreft de vordering in conventie.

[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft op zijn beurt (in reconventie) gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording, op straffe van een dwangsom, met compensatie van de proceskosten.

2.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 10 januari 2024

in conventie:

  • voor recht verklaard dat de vordering van zowel [geïntimeerden] als [appellant] in de nalatenschap van moeder wordt vastgesteld op een bedrag van € 88.750;

  • voor recht verklaard dat [appellant] ten onrechte een bedrag van € 54.752,48 (waarvan € 9.014,- aan huursommen) heeft onttrokken aan de nalatenschap (van vader, toevoeging hof) en [appellant] veroordeeld tot het vergoeden van het bedrag van € 54.752,48 aan de nalatenschap, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum rechtshandeling tot de datum van de voldoening;

  • de wijze van verdeling van de nalatenschap aldus gelast dat vanuit het saldo van de nalatenschap van € 131.324,68 aan [geïntimeerde2] toekomt een bedrag van € 466,67 (2/3 deel uitvaartkosten) en een bedrag van € 11.708.- (erfbelasting), waarna het resterende saldo van € 131.324,68 min € 466,67 min € 11.708.- = € 119.150,- dient te worden verdeeld onder de erfgenamen in die zin dat ieder 1/3 deel ontvangt, zijnde een bedrag van € 39.716,67 en

in reconventie:

de vordering afgewezen.

[appellant] is (in conventie en in reconventie) veroordeeld in 2/3 deel van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] en in de nakosten. Dit vonnis is met betrekking tot de proceskostenveroordeling en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4 [appellant] is het niet eens met dit vonnis van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft ook een incidentele vordering tot schorsing van de onmiddellijke werking van het vonnis ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 3 september 2024 de incidentele vordering van [appellant] afgewezen.

2.5 De vordering van [appellant] in principaal hoger beroep leek zich te beperken tot de toewijzing door de rechtbank van de vorderingen in conventie van [geïntimeerden] In de memorie van grieven (onder 1.7 en 5.7) lijkt [appellant] echter ook te willen opkomen tegen de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie. Een en ander is op de mondelinge behandeling aan de orde gesteld en daar is gebleken dat [appellant] inderdaad ook beoogt de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie aan het hof voor te leggen. [geïntimeerden] heeft zich daar niet tegen verzet. Gelet op het voorgaande vordert [appellant] in principaal hoger beroep:

a. het vonnis van de rechtbank te vernietigen;

b. [geïntimeerden] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vorderingen te verklaren, althans om die vorderingen af te wijzen;

c. [geïntimeerden] te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] een bedrag van € 3.179,26 te betalen, ten titel van terugbetaling van de ten onrechte aan [geïntimeerden] betaalde proceskostenvergoeding in eerste aanleg en een bedrag van € 22.633,37, ten titel van vergoeding van het bedrag dat [appellant] [geïntimeerden] in juni 2024 heeft betaald op het vonnis waarvan hoger beroep,

in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de 15e dag na die waarop ten deze arrest wordt gewezen tot en met de dag der algehele voldoening zowel in het incident als in de hoofd(appel)zaak;

d. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te veroordelen om op straffe van een dwangsom op verifieerbare wijze inzichtelijk te maken wat er na aftrek van verkoop- en leveringskosten en aflossing van de hypothecaire schuld resteerde van de verkooprijs van een geheel dan wel gedeeltelijk tot de nalatenschap van de vader van partijen toebehorende woning aan [adres1] te [plaats1] , subsidiair om rekening en verantwoording af te leggen over de periode van de datum van overlijden op 29 april 2019 tot het moment dat vonnis werd gewezen; en

e. [geïntimeerden] te veroordelen aan [appellant] alle proceskosten ter vergoeden, gemaakt in eerste aanleg, hoger beroep en in het incident tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis te betalen binnen 14 dagen na de dag waarop arrest wordt gewezen en te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 6:119 BW over de som van die kosten met ingang van de 15e dag na die waarop arrest wordt gewezen tot en met de dag der algehele voldoening.

2.6 [geïntimeerden] voert verweer in principaal hoger beroep en vraagt de vorderingen van [appellant] af te wijzen. [geïntimeerden] is op zijn beurt in hoger beroep gekomen (incidenteel hoger beroep) en vordert:

het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 10 januari 2024 gedeeltelijk te vernietigen en het vonnis te wijzigen c.q. aan te vullen, in die zin dat het hof bepaalt dat het resterende saldo van de nalatenschap € 17.267,96 (€ 11.708 + € 4.559,96 + € 1.000) hoger is dan het door de rechtbank berekend bedrag ofwel € 143.566,01.

[geïntimeerden] vordert voorts veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] [appellant] voert verweer in incidenteel hoger beroep.

3 Het oordeel van het hof

in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep

3.1 Het hof stelt voorop dat partijen niet hebben gegriefd tegen de het gelasten van de wijze van verdeling door de rechtbank. De grieven, zowel in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep zien slechts op de door de rechtbank daarbij tot uitgangspunt genomen bedragen. Het hof komt na beoordeling van de grieven en het verweer daartegen tot bedragen die (enigszins) afwijken van de bedragen die de rechtbank heeft vastgesteld en zal op basis van de afwijkende bedragen, na gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank, de wijze van verdeling gelasten. Het hof zal hierna de grieven en het daartegen gevoerde verweer behandelen. |Omdat de grieven in principaal hoger beroep nogal door elkaar lopen houdt het hof voor de overzichtelijkheid de door de rechtbank in het bestreden vonnis gekozen volgorde van behandeling van de vorderingen van partijen aan, waarbij het hof ook de door de rechtbank beoordeelde vorderingen vermeldt waartegen niet is gegriefd.

In conventie vordering A: verklaring voor recht

3.2 De rechtbank heeft op vordering van [geïntimeerden] voor recht verklaard dat de vordering van zowel [geïntimeerden] als [appellant] in de nalatenschap van de moeder wordt vastgesteld op een bedrag van € 88.750,-. Daartegen is niet gegriefd, zodat het bestreden vonnis op dit onderdeel in stand blijft.

In conventie vordering B: informatie

3.3 De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] om [appellant] te veroordelen alle informatie te verstrekken die nodig is om de omvang van de nalatenschap van erflater op de datum van zijn overlijden vast te stellen en de informatie die nodig is om tot een verdeling te komen afgewezen. De rechtbank heeft die vordering afgewezen omdat [appellant] niet kan worden veroordeeld tot overlegging van stukken waarover hij niet beschikt. Daartegen is niet gegriefd, zodat het bestreden vonnis op dit onderdeel in stand blijft.

In conventie vordering C: rekening en verantwoording

3.4 De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] om [appellant] in zijn hoedanigheid van executeur te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording afgewezen, omdat [appellant] daartoe inmiddels voldoende gelegenheid heeft gehad en een veroordeling daarom, volgens de rechtbank, weinig zinvol is. Daartegen is niet gegriefd, zodat het bestreden vonnis op dit onderdeel in stand blijft.

In conventie vordering D: huursommen en onttrekkingen

3.5 [geïntimeerden] vorderde – voor zover hier van belang – bij de rechtbank een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig huursommen aan zich heeft laten uitbetalen die aan de nalatenschap toekomen ten bedrage van € 18.012 (verhuur [adres2] ) en voorts aan de ervenrekening een bedrag van € 55.700 heeft onttrokken, met veroordeling van [appellant] om de daardoor door de nalatenschap geleden schade, in totaal € 73.712, aan de nalatenschap te vergoeden. Deze vordering tot schadevergoeding was een subsidiaire, de primaire vordering strekte tot verbeurdverklaring van dat bedrag aan [geïntimeerden] Tegen de afwijzing van de primaire vordering is niet gegriefd. De rechtbank heeft de subsidiaire vordering toegewezen tot een bedrag van € 9.015 (verhuur [adres2] ) en € 54.752,48 voor wat betreft de overige onttrekkingen, daaronder begrepen de huursommen voor [adres3] . De rechtbank kwam tot dat laatste bedrag op basis van een door de heer [naam1] , administrateur, opgesteld overzicht dat [appellant] zelf heeft overgelegd. Uit dat overzicht blijkt, volgens de rechtbank, dat [appellant] in de periode 2019 tot 2021 € 55.700 aan de nalatenschap heeft onttrokken. Op dat bedrag brengt de rechtbank in mindering een termijn van de premie voor de opstalverzekering (€ 47,52) en een nota van [naam1] (€ 400) die [appellant] heeft voldaan en een bedrag dat [appellant] aan de boedel heeft terugbetaald (€ 500). Die betalingen werden door [appellant] met schriftelijke stukken onderbouwd. De overige vorderingen die [appellant] stelde te hebben op de nalatenschap uit hoofde van door hem (ook aan zijn vader) voorgeschoten kosten heeft de rechtbank afgewezen omdat zij slechts met een eigen verklaring van [appellant] en niet met verifieerbare stukken waren onderbouwd.

3.6 Het hof stelt voorop dat [appellant] niet grieft tegen de door de rechtbank vastgestelde onttrekking ter zake van de verhuur [adres2] en tegen de berekening door de rechtbank op basis van het overzicht van [naam1] .

[geïntimeerden] grieft evenmin tegen de door de rechtbank gehanteerde systematiek maar wel (Grief III [geïntimeerden] ) tegen het bedrag van € 55.700 dat voor de overige onttrekkingen tot uitgangspunt is genomen: dat bedrag moet volgens [geïntimeerden] € 56.700 zijn, omdat uit het (ook in het vonnis opgenomen) overzicht blijkt dat in 2019 door [appellant] € 56.700 in plaats van € 55.700 is onttrokken. Het hof overweegt dat narekening leert dat over het jaar 2019 inderdaad een bedrag van € 1.000 niet in de berekening van de rechtbank is meegenomen, zodat het hof hierna zal uitgaan van een bedrag aan onttrekkingen van € 56.700. Grief III van [geïntimeerden] slaagt.

3.7 Met zijn Grieven 1 tot en met 5 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hij een bedrag van € 54.752,48 aan de nalatenschap dient te vergoeden. Deze grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, komen erop neer dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de vorderingen die [appellant] heeft op de nalatenschap. Die vorderingen vinden hun grondslag in:

  • de kosten voor de verhuur van panden die [appellant] heeft voldaan (Grief 1);
  • zijn aandeel in huurinkomsten van de woningen die hij samen met zijn vader (€ 25.468) en na diens overlijden samen met de boedel (€ 12.840,00) verhuurde over de periode 2016 tot en met 2020 (Grief 2);
  • de terugbetaling door [appellant] aan de huurder van de woning aan de [adres2] te [plaats1] ) van de borg van € 340,00 (Grief 2);
  • [appellant] heeft niet slechts eenmaal maar 20 keer de premie voor de opstalverzekering voldaan zodat hij geen recht heeft op € 47,52, maar op € 950,40 (Grief 4). Grief 5 heeft geen zelfstandige betekenis, zij komt er, net als de grieven 1 tot en met 4 - kort gezegd - op neer dat de rechtbank vanwege de familiebanden tussen partijen met deze vorderingen rekening had moeten houden ook al heeft [appellant] deze vorderingen niet onderbouwd.

3.8 De Grieven 1 tot en met 5 falen. Ook in hoger beroep heeft [appellant] het bestaan en/of de hoogte van zijn te verrekenen vorderingen op geen enkele wijze onderbouwd. [appellant] beroept zich erop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er ook kosten moeten worden gemaakt bij de verhuur van panden (Grief 1). [appellant] stelt dat niet is gebleken dat [geïntimeerden] die kosten heeft voldaan zodat vaststaat dat hij ze heeft voldaan. Hij overlegt echter geen enkel stuk waaruit blijkt dat hij dergelijke kosten heeft voldaan of dat dergelijke kosten zelfs maar zijn gemaakt. Dat had wel op zijn weg gelegen. Ook is te weinig de enkele stelling dat uit de gerealiseerde verkoopprijzen kan worden afgeleid dat er op de onderhoudstoestand van de verkochte woningen kennelijk niets viel af te dingen en dat gesteld noch gebleken is dat de woningen voor minder dan de marktwaarde van in goede staat verkerende woningen zijn verkocht. Bovendien ligt het niet op de weg van [geïntimeerden] om aan te tonen dat er geen onderhoud is gepleegd aan de woningen als [appellant] zich beroept op het rechtsgevolg van door hem (vermeend) gedane uitgaven voor dat onderhoud.

[appellant] heeft evenmin gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij recht nog heeft op een deel van huurinkomsten (Grief 2), voor zover dat niet blijkt uit het overzicht van [naam1] (voor zover die wel uit dat overzicht blijken heeft de rechtbank die meegenomen en daar is niet tegen gegriefd). Weliswaar heeft [appellant] (eerst) bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep kopieën van bankafschriften overgelegd (Productie 16, Betaalbewijzen (…)) maar deze productie kent slechts ongenummerde pagina’s en is bovendien dermate omvangrijk dat van het hof niet kan worden verlangd dat het daarin gaat grasduinen om de juistheid van stellingen van [appellant] op dit punt te controleren. Van [appellant] had daarentegen mogen worden verwacht dat hij een en ander op ordelijke en overzichtelijke wijze inzichtelijk had gemaakt onder verwijzing naar de vindplaatsen van de stukken die zijn stellingen onderbouwen. [appellant] biedt in de memorie van grieven bewijs aan van het bestaan van die vordering door middel van het overleggen van een via e-mail verzonden brief van zijn advocaat aan die van [geïntimeerden] op 23 december 2021 waarin daarvan al gemotiveerd en gespecificeerd melding zou worden gemaakt. Dat aanbod passeert het hof: [appellant] dient alle stukken die tot bewijs van de door aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zo mogelijk bij memorie van grieven maar in ieder geval in een zo vroeg mogelijk stadium in de procedure te overleggen. [appellant] heeft niet toegelicht waarom een e-mail uit december 2021 die hij zo wezenlijk acht voor het slagen van zijn vorderingen niet direct bij memorie van grieven dan wel in ieder geval voorafgaand aan de mondelinge behandeling kon worden overgelegd. Met Grief 3 betoogt [appellant] dat [geïntimeerden] zijn recht heeft verwerkt om bonnetjes te vragen van de uitgaven die [appellant] heeft gedaan, nu partijen lang hebben samen gewerkt en [geïntimeerden] nooit over het ontbreken van die bonnetjes heeft geklaagd. Bovendien moet volgens [appellant] in het licht van de familieverhoudingen minder waarde worden gehecht aan het ontbreken van administratie dan in zakelijk verhoudingen. Het hof volstaat met de constatering dat de stellingen in Grief 3 geen steun vinden in de wet. Wat betreft de door [appellant] gestelde betaling van 20 termijnen premie opstalverzekering (Grief 4) geldt eveneens dat die betaling niet is onderbouwd. [appellant] heeft slechts een (1) factuur overgelegd ten bedrage van € 47,52, twintig betalingsbewijzen ontbreken. Weliswaar heeft [appellant] ook ten aanzien van deze stelling (eerst) bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep kopieën van bankafschriften overgelegd (Productie 14, Betaalbewijzen (…) verzekeringspremies) maar ten aanzien van deze productie geldt hetgeen hiervoor ten aanzien van Productie 16 is overwogen. Datzelfde geldt voor de bij diezelfde akte overgelegde Productie 15 (Betaalbewijzen (…) [naam2] ), waar het hof nog aan toevoegt dat niet duidelijk wordt bij welke stelling van [appellant] deze productie betrokken zou moeten worden.

In conventie vordering E: voorschotten

3.9 De rechtbank heeft de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] € 120.000, althans € 50.000 meer dan [geïntimeerden] aan voorschotten heeft gehad op de te verdelen nalatenschap afgewezen omdat een en ander als tussen partijen was rechtgetrokken. Daartegen is niet gegriefd.

In conventie vordering F: verdeling

3.10 Zowel [appellant] als [geïntimeerden] hebben gegriefd tegen de wijze waarop de rechtbank de verdeling heeft gelast. Het hof zal eerst de grieven van [appellant] (Grieven 6 en 8) bespreken en daarna die van [geïntimeerden] (Grieven I en II). Daarna zal het hof de wijze van verdeling gelasten.

3.11 Met Grief 6 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hem geen executeursloon toekomt omdat hij als executeur geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en tot op heden niet inzichtelijk heeft kunnen maken welke gelden er terecht zijn onttrokken aan de nalatenschap. Daarbij komt dat [appellant] de administratie aan de heer [naam1] uit handen heeft gegeven en de kosten daarvan al in mindering op de nalatenschap komen, aldus de rechtbank. Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over, maakt ze tot de zijne en voegt daar aan toe dat ook in hoger beroep [appellant] niet in staat is gebleken om een ordelijk overzicht te presenteren van het verloop van de afwikkeling van de nalatenschap. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is ook gebleken dat [appellant] zijn werkzaamheden nog steeds niet heeft afgerond, zodat hem ook op die grond geen loon toekomt. Grief 6 faalt.

3.12 Grief 8 ziet op de toekenning door de rechtbank van een bedrag van € 700 aan [geïntimeerde2] ter zake van door haar voorgeschoten uitvaartkosten. [appellant] betoogt in dat verband dat niet [geïntimeerde2] , maar hij de uitvaart heeft betaald, althans delen daarvan. Hij verwijst daarvoor naar opnames van contant geld en stelt dat hij thuis ook nog € 1800 contant had liggen. In totaal zou hij € 5.000 (contant) hebben betaald. [appellant] heeft zijn stelling (ook) op dit punt op geen enkele wijze onderbouwd: hij heeft niet aangetoond, bijvoorbeeld met facturen welk kosten hij contant zou hebben voldaan. Bovendien sluit betaling van een deel van de kosten van de uitvaart door [appellant] niet uit dat [geïntimeerde2] ook een deel van die kosten heeft voldaan. Wat betreft het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde2] de ‘veertigste dag’ na de uitvaart heeft betaald en dat die niet tot de uitvaart mag worden gerekend, overweegt het hof dat dat betoog evenmin is onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden bij de verdeling in aanmerking genomen dat de door [geïntimeerde2] betaalde kosten in mindering komen op het actief van de nalatenschap. Omdat [geïntimeerde2] uit eigen vermogen een schuld van de nalatenschap heeft betaald krijgt zij niet een bedrag van € 466,67 (2/3 deel van € 700) terug, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, maar het gehele bedrag van € 700. Grief 8 faalt.

3.13 In Grief I stelt [geïntimeerden] dat de rechtbank in haar berekening ten onrechte de erfbelasting van € 11.708 tweemaal in aftrek heeft gebracht op het actief van de nalatenschap, te weten onder rechtsoverweging 5.19 bij de berekening van het resterende deel van de nalatenschap en onder rechtsoverweging 5.23 bij de berekening van het aan [geïntimeerde2] toekomende deel.

[appellant] stelt ter verweer tegen deze grief dat van een reken- of denkfout aan de kant van de rechtbank geen sprake is. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] miskennen volgens hem dat wat er verder ook zij van de erfbelasting die [geïntimeerde2] betalen moest, de aan [geïntimeerde1] opgelegde aanslag wel uit de nalatenschap betaald is. Dat is dan een bedrag dat in mindering strekt op wat er verder nog te verdelen overbleef, aldus [appellant] . Dat verweer van [appellant] is onvoldoende gemotiveerd. Het is niet met stukken onderbouwd en dat had toch zeker van een executeur mogen worden verwacht. Bovendien is het weinig geloofwaardig nu [appellant] in zijn conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie onder 1.9.1 stelde (het hof corrigeert geen spelfouten in citaten):

“Op 25 april 2021 heeft [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] via e-mail laten weten dat hij de aan hen opgelegde aanslag erfbelasting via de ervenrekening zou betalen. Nadat hij de aanslag voor zichzelf en [geïntimeerde1] had betaald, kreeg hij te horen dat [geïntimeerde2] zelf al had

betaald.”

De erfbelasting die [appellant] voor zichzelf en voor [geïntimeerde1] van de ervenrekening voldeed is betaald ten laste van de nalatenschap, de erfbelasting van [geïntimeerde2] heeft zij betaald uit haar eigen vermogen. Het hof zal met het oog op de verdeling het saldo van de nalatenschap hierna fictief verhogen met de erfbelasting die voor [appellant] en [geïntimeerde1] is betaald en vervolgens bepalen hoe dat saldo moet worden verdeeld. De methode die de rechtbank heeft gekozen is niet correct, omdat daardoor twee keer met de erfbelasting van [geïntimeerde2] wordt gerekend. Dat is een keer te veel. Dat betekent dat Grief I van [geïntimeerden] slaagt.

3.14 Grief II van [geïntimeerden] slaagt eveneens. [geïntimeerden] komt met die grief op tegen de vermindering door de rechtbank van het saldo van de nalatenschap met een bedrag van € 4.559,96. De totstandkoming van dat bedrag is niet uit de overwegingen van de rechtbank af te leiden, aldus [geïntimeerden] [appellant] voert weliswaar verweer, maar kan de totstandkoming van dat bedrag ook niet verklaren. Nu uit het vonnis en uit de stukken en verklaringen van partijen het bedrag van € 4.559,96 niet is te herleiden en geen van partijen zegt welk bedrag dan wel in mindering dient te worden gebracht, is het hof van oordeel dat geen extra bedrag in mindering behoort te worden gebracht op het saldo van de nalatenschap.

3.15 Het hof zal, gelet op het voorgaande, de verdeling van de nalatenschap als volgt vaststellen. Het saldo van de nalatenschap bedraagt € 150.240,16, te vermeerderen met de ter zake van de overige onttrekkingen door [appellant] (€ 56.700) door [geïntimeerden] gevorderde wettelijke rente. Die rente wordt door het hof pro memorie (P.M.) gesteld. Aan [geïntimeerde2] moet door de nalatenschap nog het bedrag van € 700 worden betaald. Het aldus resterende saldo van € 149.540,16 (+ P.M.) wordt fictief vermeerderd met € 23.416 (2 x € 11.708) tot en bedrag van € 172.956,16. In een staffel ziet dat er als volgt uit:

  • saldo ervenrekening€ 844,03
  • saldo kwartaalkredietrekening€ 19.091,24
  • depot notaris€ 64.590,89
  • onttrekking [adres2] door [appellant]€ 9.014,00
  • overige onttrekkingen door [appellant] , te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente(P.M.)€ 56.700,00 + P.M.

Subtotaal€ 150.240,16 + P.M. min:

  • de uitvaartkosten betaald door [geïntimeerde2]€ 700,00

Subtotaal€ 149.540,16 + P.M. plus (fictief):

  • de uit de nalatenschap betaalde erfbelasting€ 23.416,00

Totaal te verdelen:€ 172.956,16 + P.M.

3.16. Hiervan komt toe aan [geïntimeerde2] het een/derde deel te vermeerderen met het een/derde deel van de wettelijke rente over de overige onttrekkingen. Ook aan [geïntimeerde1] en [appellant] komt elk toe het een/derde deel te vermeerderen met het een/derde deel van de wettelijke rente verschuldigd over de overige onttrekkingen, maar hun bedragen worden verminderd met € 11.708 vanwege de uit de nalatenschap voor hen voorgeschoten erfbelasting. Afgerond krijg [geïntimeerde2] € 57.652,06, te vermeerderen met het een/derde deel van de wettelijke rente verschuldigd over de overige onttrekkingen en krijgen [appellant] en [geïntimeerde1] elk nog € 45.944,05 te vermeerderen met het een/derde deel van de wettelijke rente verschuldigd over de overige onttrekkingen. Bij de afronding neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde2] lang op de terugbetaling van de door haar voorgeschoten € 700 heeft moeten wachten.

In reconventie: de door [appellant] gevorderde rekening en verantwoording

3.17 Met Grief 7 richt [appellant] zich tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering [geïntimeerden] te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen (al dan niet in de zin van art. 4:151 BW) over de periode vanaf datum overlijden (29 april 2019) tot het moment dat het vonnis wordt gewezen op straffe van een dwangsom. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er in dit geval geen juridische grondslag is voor het afleggen van rekening en verantwoording door de erfgenamen, omdat die niet het beheer over de nalatenschap hebben gehad. Grief 7 faalt.

In conventie en in reconventie: Proceskosten

3.18 [appellant] betoogt in Grief 9 dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld om het twee/derde deel van de proceskosten voor zijn rekening te nemen en aan [geïntimeerden] te vergoeden. [geïntimeerden] voert daartegen verweer, maar heeft in incidenteel hoger beroep niet gevorderd om [appellant] in alle proceskosten te veroordelen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand dient te blijven. Grief 9 faalt.

3.19 Er is niet althans niet voldoende concreet en specifiek bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een andere conclusie leiden.

De conclusie

3.20 Het principaal hoger beroep slaagt niet; het incidenteel hoger beroep wel. Het hof zal onderdelen 6.2 en 6.3. van het vonnis van de rechtbank van 10 januari 2024 vernietigen en voor recht verklaren dat [appellant] aan de nalatenschap heeft onttrokken € 56.700 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum rechtshandeling tot de datum van voldoening en de wijze van verdeling van de nalatenschap gelasten als hiervoor onder 3.16 overwogen. Het hof zal dat vonnis voor het overige bekrachtigen.

3.21 Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] In het arrest in van 3 september 2024 zijn de incidentele vorderingen van [appellant] afgewezen, maar is de beslissing over de proceskosten van die procedure aangehouden tot het onderhavige arrest. [appellant] zal ook in de kosten van die procedure aan de zijde van [geïntimeerden] worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

  • griffierecht€ 349
  • salaris advocaat€ 8.232 (1 + 2,5 = 3,5 punt x appeltarief IV ad € 2.352 per punt).

4 De beslissing

Het hof:

In principaal en in incidenteel hoger beroep

4.1 vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2024 voor zover het de beslissingen onder 6.2. (verklaring voor recht) en 6.3. (wijze van verdeling) betreft en opnieuw rechtdoende:

4.2 verklaart voor recht dat [appellant] (naast huursommen voor de [adres2] ten belope van € 9.014) € 56.700 aan de nalatenschap heeft onttrokken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum rechtshandeling tot de datum van voldoening

4.3 gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap aldus dat uit het saldo van de nalatenschap aan [geïntimeerde2] € 700 wordt betaald en dat het resterende saldo van € 149.540,16 te vermeerderen met de wettelijke rente over de overige onttrekkingen vanaf datum rechtshandeling tot de datum van voldoening dient te worden verdeeld onder partijen in die zin dat [geïntimeerde2] daarvan € 57.652,06 en [geïntimeerde1] en [appellant] elk € 45.944.05 ontvangen, welke bedragen voor elk van partijen worden vermeerderd met het een/derde deel van de wettelijke rente die [appellant] aan de nalatenschap is verschuldigd over de overige onttrekkingen van € 56.700 vanaf datum rechtshandeling tot de datum van voldoening

4.4 bekrachtigt het vonnis voor het overige

4.5 veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] en stelt die kosten vast op € 349 (griffierecht) te vermeerderen met € 8.232 (salaris advocaat)

4.6 wijst hetgeen anders of meer is gevorderd af

4.7 verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, J.H. Lieber en M.E.L. Klein en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.