Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5663

ECLI:NL:GHARL:2026:5663 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-09-2026 / 200.371.974
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en procedure De zaak betreft een geschil over een voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige]. Appellante is [appellante] (de moeder) uit [woonplaats1], bijgestaan door mr. M.F.J. Martens. Geïntimeerde is [geïntimeerde] (de vader) uit [woonplaats2], bijgestaan door mr. L.M. Bakker. Beide partijen stelden hoger beroep in tegen het vonnis van de voorzieningenrechter (rechtbank Gelderland, 10 juli 2026). Het hof behandelde het geschil in kort geding en deed arrestandwoord op 1 september 2026.

Essentie van het geschil Twistpunten waren (1) of de voorlopige zorgregeling moest worden opgeschort totdat het hof definitief besliste, en (2) of de aan de moeder opgelegde dwangsom diende te worden vernietigd of juist verhoogd.

Vastgestelde voorlopige zorgregeling Het hof had op 30 juni 2026 de volgende zorgregeling vastgelegd:

  • In de ene week verblijft [de minderjarige] bij de vader van vrijdag 15:30 tot zondag 18:00; de vader haalt haar op vrijdag 15:30 bij de moeder; de moeder zorgt dat [de minderjarige] zondag 18:00 bij de vader wordt opgehaald.
  • In de andere week verblijft [de minderjarige] bij de vader van zondag 09:00 tot zondag 18:00; de moeder brengt het kind zondag 09:00 naar de vader en de vader brengt [de minderjarige] zondagmiddag om 18:00 terug naar de moeder.

Standpunten van partijen De moeder voerde dat op 21 juni 2026 een incident had plaatsgevonden bij de terugbrenging door de vader naar de opa (mz) waardoor zij de regeling niet veilig kon nakomen: de vader zou haar vader met de dood hebben bedreigd, zij zou een noodknop hebben en geen contact mogen hebben via een hulpverleningsstichting, en haar vader (opa mz) weigerde nog te brengen/halen vanwege het gedrag van de vader. Hulpverlening had dringend begeleiding bij overdracht geadviseerd maar die begeleiding was niet beschikbaar. De moeder stelde dat deze feiten meewogen en dat nakoming niet van haar kon worden gevergd.

De vader erkende dat er spanningen zijn maar gaf een tegengestelde lezing van het incident (opa mz zou agressief zijn geweest). Hij stelde dat de omgang goed verloopt, dat de moeder herhaaldelijk zonder goede reden omgang heeft gestopt en dat verslagen van contact de goede gang van zaken onderbouwen. Hij verzocht tevens om verhoging van de dwangsom omdat een hogere financiële prikkel naleving bevordert.

Beoordeling door het hof Spoedeisend belang: het hof constateerde dat beide partijen een spoedeisend belang hebben, omdat de reguliere regeling na de vakantie hervat moet worden.

Belang van het kind: het hof zette voorop dat het belang van [de minderjarige] cruciaal is (artikel 3 lid 1 IVRK). Continuïteit van contact met de vader is belangrijk voor haar identiteitsontwikkeling. Zowel moeder als vader waren het erover eens dat de omgang zelf goed verloopt.

Weerlegging van moederlijke stelling: het hof vond de door de moeder aangedragen argumenten onvoldoende overtuigend. Enerzijds stelde zij dat opa niet meer wilde vervoeren; anderzijds had zij bij de mondelinge behandeling verklaard dat het brengen en halen tijdens de zomervakantie met hulp van de opa’s (mz en vz) was doorgegaan, hetgeen door de vader werd bevestigd. Het hof benadrukte dat “zorg dragen” voor het vervoer enkel ziet op het aandeel van de moeder en dat dit ook door een andere voor moeder en kind vertrouwde persoon zou kunnen worden gedaan. De verschillende lezing van het incident op 21 juni (moeder: bedreiging door vader; vader: agressie door opa) veranderde daar niets aan: spanningen rond overdrachten waren reeds bekend bij de vaststelling van de regeling en vormen geen reden tot stopzetting.

Afweging en beslissing over voortzetting: na belangenafweging vond het hof dat het belang van het kind en van de vader bij voortgang van de regeling zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij tijdelijke stopzetting. De beslissing van de voorzieningenrechter dat de moeder de regeling moet nakomen bleef dan ook in stand.

Dwangsom Het hof oordeelde dat verhoging van de dwangsom gerechtvaardigd is wegens de behoefte aan een doeltreffende prikkel voor naleving. De dwangsom werd vastgesteld op € 250 per keer dat de moeder de voorlopige zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 18.750 (in plaats van de door de voorzieningenrechter eerder opgelegde € 100 per keer, max € 7.500).

Proceskosten Het hof veroordeelde de moeder in de proceskosten van het principaal hoger beroep van de vader: € 373 griffierecht en € 2.580 aan advocaatkosten (2 procespunten x tarief II à € 1.290). De proceskosten in het incidenteel hoger beroep werden gecompenseerd (ieder draagt eigen kosten). De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Slotsom Het hof bekrachtigde het vonnis van 10 juli 2026 voor zover het gaat om nakoming van de voorlopige zorgregeling, verhoogde de dwangsom zoals hiervoor vermeld, veroordeelde de moeder in de proceskosten van het principaal hoger beroep en compenseerde de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2026:1511
Civiel recht
02-06-2026 93% soortgelijk
Partijen en procesverloop - Appellante: [de moeder] te [plaats A], bijgestaan door mr. G. Kartal (Rotterdam). - Geïntimeerde en incidenteel appellant: [de vader] te [plaats A], bijgestaan door mr. T.A. Bruins (Aerdenhout)....
ECLI:NL:GHAMS:2026:1512
Civiel recht > Personen- en familierecht
02-06-2026 93% soortgelijk
Partijen en aard van het geschil De zaak betreft een geschil tussen [de moeder] (appellante, bijgestaan door mr. G. Kartal) en [de vader] (geïntimeerde, bijgestaan door mr. T.A. Bruins) over de zorg-...
ECLI:NL:GHARL:2025:6416
Civiel recht
16-10-2025 91% soortgelijk
Partijen en procedure Appellant is de vader ([appellant], advocaat mr. M. Erkens te Den Haag). Geïntimeerde is de moeder ([geïntimeerde], advocaat mr. C.W. van Weert te Assen). Het hof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden,...
ECLI:NL:GHAMS:2025:3004
Civiel recht > Personen- en familierecht
10-11-2025 91% soortgelijk
Partijen [de moeder] (wonende te [plaats A]) en [de vader] (wonende te [plaats B]) zijn gezamenlijke gezagdragers over [minderjarige] (geb. 2015). [minderjarige] woont hoofdzakelijk bij de moeder. Het geschil betrof de sinds...
ECLI:NL:GHARL:2026:4408
Civiel recht
07-07-2026 91% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem), civiele kamer, zaaknrs. hof 200.367.608 / rechtbank Midden‑Nederland 605847, arrest 7 juli 2026. Partijen: [de moeder] (adv. mr. G.A.P. Avontuur) en [de vader] (adv. mr. V.A.P.B. Lingg). Partijen...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding: nakoming voorlopige zorgregeling door moeder, verhoging dwangsom in hoger beroep, en veroordeling moeder in de proceskosten bij de rechtbank en in hoger beroep.

Uitspraak

**GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN **

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.371.974 zaaknummer rechtbank Gelderland 469073

over de zorgregeling voor **[de minderjarige] **( [de minderjarige] )

**arrest in kort geding van 1 september 2026 **

in de zaak van

[appellante] (de moeder) die woont in [woonplaats1] (gemeente [gemeentenaam] ) advocaat: mr. M.F.J. Martens

en

[geïtimeerde] (de vader), die woont in [woonplaats2] , advocaat: mr. L.M. Bakker.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1. De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 10 juli 2026 tussen de vader en de moeder heeft uitgesproken.

1.2. Ook de vader heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover dit de hoogte van de dwangsom betreft.

1.3. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de spoeddagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van antwoord in hoger beroep met een incidenteel hoger beroep.

2 De kern van de zaak

2.1. In deze zaak gaat het om de vragen

  • of een voorlopige zorgregeling moet worden opgeschort totdat het hof daarover definitief heeft beslist, en
  • of de door de voorzieningenrechter aan de moeder opgelegde dwangsom tot nakoming van de voorlopige zorgregeling voor vernietiging in aanmerking komt of juist verhoogd moet worden.

2.2. De vader heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd om de moeder te veroordelen mee te werken aan de volgende, door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde, zorgregeling:

[de minderjarige] verblijft bij de vader:

 in de ene week van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag om 15.30 uur bij de moeder ophaalt en de moeder ervoor zorgt dat [de minderjarige] op zondag om 18.00 uur wordt opgehaald bij de vader;  in de andere week van zondag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder verantwoordelijk is voor het brengen van [de minderjarige] naar de vader, zodat [de minderjarige] om 9.00 uur bij de vader is, en de vader [de minderjarige] in de middag weer terug brengt, zodat [de minderjarige] om 18.00 uur bij de moeder is.

2.3. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter een dwangsom aan de moeder heeft opgelegd van € 100 per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 7.500. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.

2.4. Het hof zal beslissen dat

  • de beslissing van de voorzieningenrechter over nakoming van de voorlopige zorgregeling door de moeder blijft staan, en
  • de dwangsom voor iedere dag dat de moeder de voorlopige zorgregeling niet nakomt wordt verhoogd naar € 250 per keer, met een maximum van € 18.750.

Het hof licht dat hierna toe.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Standpunten

3.1. De moeder stelt dat de situatie op 21 juni 2026 bij het terugbrengen van [de minderjarige] door de vader naar opa (van moederszijde (mz)) zodanig uit de hand is gelopen dat de moeder de voorlopige zorgregeling door toedoen van de vader niet meer kan nakomen: de moeder kan [de minderjarige] zelf niet brengen of halen omdat de vader haar met de dood heeft bedreigd en zij een noodknop heeft waardoor zij (van [stichting] ) geen contact met de vader mag hebben. En haar vader wil het brengen en halen niet meer voor zijn rekening nemen gelet op het gedrag van de vader op 21 juni jl.. [de minderjarige] komt daardoor volgens de moeder in een zeer bedreigende situatie. Het hof heeft bij de vaststelling van de voorlopige zorgregeling dit incident niet meegewogen; de mondelinge behandeling vond op 11 juni 2026 plaats. De hulpverlening heeft dringend geadviseerd om begeleiding bij de overdracht, maar die hulp is niet te krijgen. De moeder vindt dat de voorzieningenrechter deze zwaarwegende argumenten van de moeder niet heeft meegenomen.

3.2. De vader is het eens met de beslissing van de voorzieningenrechter. De moeder heeft de omgang tussen hem en [de minderjarige] al vaak stopgezet en zij vindt volgens de vader steeds weer excuses om dat te doen. Daar is, aldus de vader, geen enkele reden voor, want het contact tussen hem en [de minderjarige] verloopt goed. De vader heeft verslagen van de omgangscontacten met [de minderjarige] overgelegd. Over het incident op 21 juni 2026 heeft de vader een andere lezing dan de moeder. Volgens de vader was opa (mz) in het bijzijn van [de minderjarige] agressief tegen hem, niet andersom. De vader vindt, tot slot, verhoging van de dwangsom noodzakelijk, want sinds de voorzieningenrechter een dwangsom heeft verbonden aan nakoming van de zorgregeling, komt de moeder de regeling na. Hoe hoger de financiële prikkel, hier groter de kans dat de moeder de zorgregeling nakomt.

Spoedeisend belang

3.3. Omdat de reguliere voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige] na de vakantie moet worden hervat hebben en houden beide partijen een spoedeisend belang bij een beslissing over de wijze waarop deze zorgregeling moet worden uitgevoerd.

Voorlopige zorgregeling

3.4. Het belang van [de minderjarige] vormt in dit geval een eerste overweging (artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK)). Het is voor een gezonde identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat zij contact met haar vader heeft en dat dit contact niet zomaar verbroken wordt.

3.5. De moeder heeft naar het oordeel van het hof voor haar standpunt dat haar mogelijkheden om het halen en brengen van [de minderjarige] op een verantwoorde manier te regelen zijn uitgeput, onvoldoende overtuigende argumenten gegeven. Zo stelt de moeder aan de ene kant dat haar vader niet meer bereid is het halen en brengen voor zijn rekening te nemen. Aan de andere kant heeft de moeder op de mondelinge behandeling verteld dat met hulp van de opa’s (mz en vz) het brengen en halen tijdens de zomervakantie is doorgegaan. De vader heeft dat bevestigd. De moeder gaat er ook aan voorbij dat, als zij zelf niet voor het vervoer van [de minderjarige] kan of wil zorgdragen, de overdrachten niet alleen met begeleiding van de opa’s kunnen plaatvinden: de moeder dient alleen ‘zorg te dragen’ voor haar aandeel in het brengen en halen en dat zou dus ook door een andere voor haar en [de minderjarige] vertrouwde persoon kunnen gebeuren.

3.6. Over het incident op 21 juni 2026 lopen de lezingen van de moeder en de vader uiteen: volgens de moeder was de vader agressief tegen haar vader en heeft hij haar vader met de dood bedreigd. De vader ontkent dat en zegt dat opa (mz) juist agressief tegen hem was. Hoe dan ook, dit soort spanningen rondom de overdrachtsmomenten waren al bekend bij het vaststellen voor de voorlopige zorgregeling op 30 juni 2026 en vormen voor het hof dan ook geen aanleiding voor het stopzetten van deze regeling.

3.7. Het hof vindt dan ook, na afweging van de betrokken belangen, dat het belang dat [de minderjarige] en de vader hebben bij voortzetting van de voorlopige zorgregeling, zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij een (tijdelijke) stopzetting daarvan. Bij deze afweging heeft het hof ook betrokken dat de moeder en de vader het er over eens zijn dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] op zichzelf goed verloopt.

Dwangsom

3.8. Het hof ziet in hetgeen besproken is op de mondelinge behandeling aanleiding om de vordering van de vader om de dwangsom te verhogen, gedeeltelijk toe te wijzen. De moeder blijft volharden in haar idee dat uitvoering van de zorgregeling van haar niet kan worden gevergd en het hof deelt de zorg van de vader dat zonder een afdoende financiële prikkel de kans bestaat dat er geen regelmatig contact zal kunnen zijn tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof zal de dwangsom daarom voor de toekomst verhogen naar € 250 voor elke keer dat zij de voorlopige zorgregeling niet nakomt en de dwangsom maximeren op € 18.750.

Proceskostenveroordeling

3.9. De vader heeft ook gevraagd om de moeder te veroordelen in de kosten van zowel de procedure bij de voorzieningenrechter als deze procedure. Het hof zal de moeder veroordelen in de kosten van haar (principaal) hoger beroep omdat zij daarin in het ongelijk wordt gesteld. Het hof wijzigt niets aan de proceskostenveroordeling bij de voorzieningenrechter omdat de vader niet heeft uitgelegd waarom de beslissing om die kosten te compenseren niet juist is. Het hof zal ook de kosten in het door de vader ingestelde (incidenteel) hoger beroep compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt omdat de vader daarin geen kostenveroordeling heeft gevraagd.

De conclusie

3.10. Het hoger beroep van de moeder slaagt niet. Het hoger beroep van de vader slaagt voor een deel. Omdat de moeder in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de moeder tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

4.1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 10 juli 2026 met nummer 453681 voor zover dit de nakoming van de door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling betreft

4.2. vult dit vonnis in zoverre aan dat de dwangsom met ingang van de datum van dit arrest bepaald wordt op € 250 voor elke keer dat zij de door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 18.750

4.3. veroordeelt de moeder in het principaal hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van de vader: € 373 aan griffierecht € 2.580 aan salaris van de advocaat (2 procespunten x tarief II, € 1.290)

4.4 compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep

4.5. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

4.6. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. E. de Boer, J.U.M. van der Werff en P.B. Kamminga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.