Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2026:1511

ECLI:NL:GHAMS:2026:1511 Gerechtshof Amsterdam , 02-06-2026 / 200.366.715/01
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Partijen en procesverloop

  • Appellante: [de moeder] te [plaats A], bijgestaan door mr. G. Kartal (Rotterdam).
  • Geïntimeerde en incidenteel appellant: [de vader] te [plaats A], bijgestaan door mr. T.A. Bruins (Aerdenhout).
  • Adviserende partij: Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem (vertegenwoordigd door V.A.S. Regout).
  • Zakenummer hof: 200.366.715/01; uitspraak meervoudige familiekamer d.d. 2 juni 2026 (mrs. F. Kleefmann, M.T. Hoogland, J. van Zaane).

Feiten en eerdere beslissingen

  • Uit de relatie van partijen is in 2014 de minderjarige [minderjarige] geboren; ouders hebben gezamenlijk gezag. Na het uiteengaan heeft [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Rechterlijk bepaalde zorgregeling (beschikking 25 juni 2025): afwisselend verblijf bij vader in blokken (o.a. eens in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school; in de tussenliggende week van maandag na school tot dinsdag naar school) en specifieke verdeling van vakantieweken.
  • Voorlopig kort geding-vonnis 22 januari 2026: moeder veroordeeld tot nakoming van die zorgregeling; dwangsom € 500 per dag (max. € 10.000); vader toestemming gegeven voor reizen met het kind en moeder verplicht een reisdocument te overhandigen.
  • Voorzieningsrechter 19 februari 2026 (bestreden beslissing): stelde dat [minderjarige] voor 19 feb 2026 14:45 tot maandag 2 maart 2026 aan vader wordt toevertrouwd; handhaafde verder het vonnis van 22 januari 2026 met aanvullende bepaling dat de ouder die het kind heeft het kind naar de andere ouder brengt als school dat niet doet; verhoogde de dwangsom naar € 1.500 per dag met een maximum van € 100.000; machtigde inzet van politie/sterke arm ter tenuitvoerlegging. De moeder ging in hoger beroep tegen (in hoofdzaak) de verhoging van de dwangsom; de vader voerde incidenteel appel (o.a. uitbreiding/definitieve toewijzing toevertrouwing en middelen van uitvoering).

Geschil in hoger beroep

  • Kern van het hoger beroep van de moeder: vernietiging of matiging van de verhoging van de dwangsom (€ 1.500 p/dag, max. € 100.000). Zij betoogt disproportionaliteit, risico op toename spanning en schadelijke druk op [minderjarige], en gebrek aan nieuwe feiten die een aanscherping rechtvaardigen.
  • Standpunt vader (incidenteel): handhaving en versterking van executiemogelijkheden; vordering tot (voorlopige) toevertrouwing aan hem wegens zorgen over functioneren van de moeder.

Beoordeling en motivering hof

  • Algemene uitgangspunten: nakoming van door rechter vastgestelde zorgregelingen kan met dwangsommen worden afgedwongen, zeker bij eerdere niet-naleving. Tegelijk kunnen dwangsommen contra-indicaties hebben wanneer oplegging strijdig is met zwaarwegende belangen van het kind.
  • Raad: gaf aan dat [minderjarige] stress ondervindt door het ouderconflict; oorzaak blokkade rond overnachtingen bij vader is onduidelijk; onbekend of moeder druk uitoefent; voorlopig beschermingsonderzoek gestart moet worden; afdwingen (dwangsom, politie) is niet in het belang van het kind.
  • Hofweging: gelet op het belang van [minderjarige] en de onzekerheid over oorzaken van de weigering om bij de vader te overnachten, zou een verhoogde dwangsom de spanningen en druk op het kind verder vergroten. Oplegging van een hoge dwangsom op dit moment is daarom niet passend; het hof prefereert rust en een nieuwe start zonder financieel/administratieve druk die het kind kan belasten. De grief van de moeder tegen de verhoging van de dwangsom slaagt; het bestreden deel van de beslissing wordt vernietigd (voor zover het de dwangsom betreft).
  • Ten aanzien van het incidentele appel van de vader: onvoldoende feiten om (voorlopige) toevertrouwing aan vader op langere termijn toe te wijzen; toewijzing zou leiden tot ingrijpende verandering en onrust terwijl rust gewenst is; eerdere inzet van de sterke arm had negatieve uitwerking op het kind. Machtiging tot inzet van politie of lijfsdwang acht het hof niet passend; bovendien had de voorzieningenrechter reeds bepaalde bevoegdheden toegekend waartegen geen grief was gericht. Grieven van de vader falen.
  • Proceskosten: wegens slagen van de moeder inzake de dwangsom en de familierechtelijke aard van het geschil compenseert het hof de kosten: ieder draagt eigen kosten; eerdere proceskostenveroordeling in eerste aanleg blijft in stand omdat daartegen geen grief was gericht.

Beslissing

  • Het hof vernietigt de bestreden beslissing van 19 februari 2026 voor zover daarin de verhoging van de dwangsom is bepaald (onder 2.3).
  • De rest van de bestreden beslissing blijft in stand; het meer of anders gevorderde in hoger beroep wordt afgewezen.
  • Kosten in hoger beroep: eigen kosten ieder.
  • Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:5663
Civiel recht
02-09-2026 93% soortgelijk
Partijen en procedure De zaak betreft een geschil over een voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige]. Appellante is [appellante] (de moeder) uit [woonplaats1], bijgestaan door mr. M.F.J. Martens. Geïntimeerde is [geïntimeerde] (de vader)...
ECLI:NL:GHAMS:2026:1512
Civiel recht > Personen- en familierecht
02-06-2026 92% soortgelijk
Partijen en aard van het geschil De zaak betreft een geschil tussen [de moeder] (appellante, bijgestaan door mr. G. Kartal) en [de vader] (geïntimeerde, bijgestaan door mr. T.A. Bruins) over de zorg-...
ECLI:NL:GHARL:2025:6416
Civiel recht
16-10-2025 90% soortgelijk
Partijen en procedure Appellant is de vader ([appellant], advocaat mr. M. Erkens te Den Haag). Geïntimeerde is de moeder ([geïntimeerde], advocaat mr. C.W. van Weert te Assen). Het hof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden,...
ECLI:NL:GHAMS:2025:3004
Civiel recht > Personen- en familierecht
10-11-2025 89% soortgelijk
Partijen [de moeder] (wonende te [plaats A]) en [de vader] (wonende te [plaats B]) zijn gezamenlijke gezagdragers over [minderjarige] (geb. 2015). [minderjarige] woont hoofdzakelijk bij de moeder. Het geschil betrof de sinds...
ECLI:NL:GHARL:2026:2683
Civiel recht > Personen- en familierecht
30-04-2026 89% soortgelijk
Partijen en procedure De verzoekster (hier: de moeder), wonende te [woonplaats1], en de verweerder (hier: de vader), wonende te [woonplaats2], [land1], zijn de ouders van twee minderjarigen: [de minderjarige1] (geboren 2020) en...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen vonnis in kort geding. Vordering nakoming zorgregeling, geblokkeerde omgang, hof legt geen dwangsommen op.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.366.715/01

zaaknummer rechtbank: C/15/374674/KG ZA 26-68

arrest van de meervoudige familiekamer van 2 juni 2026 in de zaak van

[de moeder]

wonend te [plaats A] , appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. G. Kartal, te Rotterdam

tegen

[de vader] , wonend te [plaats A] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, advocaat: mr. T.A. Bruins te Aerdenhout.

In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem, hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] en over de vraag of de moeder dwangsommen moet betalen aan de vader. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de zorgregeling waarin [minderjarige] in de oneven weken van maandag tot dinsdag en van vrijdag tot maandag bij de vader verblijft moet worden nageleefd. Als de zorgregeling niet wordt nageleefd moet de moeder een dwangsom betalen. De moeder is het niet mee eens met de dwangsom. De vader wil dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.

2.2 De moeder is bij dagvaarding van 9 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de voorzieningenrechter) van 19 februari 2026 (hierna: de bestreden beslissing), in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.

2.3 De appeldagvaarding van de moeder bevat de grieven, met daarbij producties.

2.4 Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens verandering van eis, met producties 1 t/m 23 van de zijde van de vader;
  • producties 24 t/m 28 van de zijde van de vader.

2.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 april 2026, tezamen met de mondelinge behandeling in na te noemen zaak met zaaknummer 200.366.615.01. Hierbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier met [minderjarige] gesproken. Van dit gesprek heeft de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling een samenvatting gegeven.

2.6 Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

3.1 De voorzieningenrechter heeft in bestreden beslissing onder 1.1 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.

3.2 Partijen hebben een relatie gehad tot het voorjaar van 2024. Uit die relatie is [in] 2014 de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.3 [minderjarige] heeft sinds het uiteengaan van de partijen haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 10 februari 2025 is een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld.

3.4 Bij beschikking van 25 juni 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), de volgende zorgregeling vastgesteld:

  • [minderjarige] verblijft eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de tussenliggende week van maandag uit school tot dinsdag naar school bij de vader;
  • [minderjarige] verblijft de even jaren gedurende de 1e week van de kerstvakantie, meivakantie, de 1e, de 2e en de 4e week van de zomervakantie en in de oneven jaren gedurende, de herfstvakantie, de 2e week van de kerstvakantie, de 3e, de 5e en de 6e week van de zomervakantie bij de vader.

3.5 Bij kort geding vonnis van 22 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter tussen partijen in conventie en reconventie:

  • de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, zoals bepaald bij beschikking van de rechtbank van 25 juni 2025;
  • een regeling inzake de verdeling van de vakantie- en feestdagen vastgesteld;
  • aan de vader, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verleend om met [minderjarige] te reizen naar Oostenrijk en te verblijven in [plaats] in de periode van 21 tot en met 27 februari 2026;
  • bepaald dat de moeder een geldig reisdocument van [minderjarige] aan de vader moet geven ten behoeve van de voorjaarsvakantie 2026;
  • en de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500.- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000.- is bereikt. De voorzieningenrechter heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij eigen kosten draagt. De moeder heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Dit hoger beroep is bij het hof in behandeling onder zaaknummer 200.365.615.01. Het hof doet in beide zaken op dezelfde dag uitspraak.

4 De vorderingen en de bestreden uitspraak

De vorderingen in eerste aanleg

4.1 Bij de voorzieningenrechter heeft de vader gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vader en de moeder te verplichten [minderjarige] aan de vader af te geven, hetgeen ook betekent dat een ieder, dan wel iedere organisatie gehouden is om [minderjarige] op eerste verzoek af te geven aan de vader, dan wel aan een door de vader aan te wijzen vertegenwoordiger en:

  • primair: de moeder in de gelegenheid te stellen bij bijvoorbeeld ZIJN of een andere organisatie [minderjarige] in het kader van begeleide omgang te zien;
  • subsidiair: als zorgregeling tijdelijk vast te stellen dat [minderjarige] in alle schoolweken van dinsdag uit school tot vrijdag naar school bij de moeder verblijft;
  • meer subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] vanaf donderdag 19 februari 2026 14:45 uur tot en met maandag 2 maart 2026 naar school bij de vader verblijft; II. zowel bij toewijzing van de voorlopige toevertrouwing als bij instandhouding van de in het vonnis van 22 januari 2026 bepaalde regeling, aan de bepaalde zorgregeling toe te voegen dat de ouder waarbij [minderjarige] verblijft, [minderjarige] naar de andere ouder brengt indien er geen school is;
  • de in de beslissing van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 opgelegde dwangsom te verhogen naar € 1.500.- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder niet aan de in 6.1 tot en met 6.4 van de in dat vonnis bepaalde regeling voldoet dan wel de door de voorzieningenrechter te bepalen voorlopige toevertrouwing/uitbreiding van de zorgregeling) tot een maximum van € 250.000.-;
  • de vader te machtigen de beslissingen van het hiervoor gevorderde als ook het bij vonnis van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 bepaalde, zo nodig ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
  • deze beslissing en het vonnis van de voorzieningenrechter van van 22 januari 2026 uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, in die zin dat indien de moeder niet meewerkt na betekening haar veertien dagen lijfsdwang mag worden opgelegd; III. te bepalen dat het door de moeder nog af te geven paspoort bij de vader in beheer zal blijven en de vader gehouden is het aan de moeder over te dragen voor een buitenlandse vakantie met [minderjarige] waarna het paspoort weer in het beheer van de vader komt; IV. de vader vervangende toestemming te verlenen om in de vakanties volgens de zorgregeling met [minderjarige] naar het buitenland te reizen, mits de vader de moeder daarover vooraf over heeft geïnformeerd; V. de vader vervangende toestemming te geven om [minderjarige] in te schrijven op zeven middelbare scholen; en de moeder te veroordelen in de proceskosten.

4.2 De moeder heeft mondeling verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen.

Bestreden vonnis

4.3 De voorzieningenrechter heeft in de bestreden beslissing van 19 februari 2026, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover in de onderhavige procedure van belang, (samengevat)

  • bepaald dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vader voor de periode vanaf 19 februari 2026 14.45 uur tot maandagochtend 2 maart 2026 naar school,
  • bepaald dat voor het overige het vonnis van 22 januari 2026 in stand blijft waarbij aan de bepaling ten aanzien van de zorgregeling wordt toegevoegd dat de ouder bij wie [minderjarige] verblijft [minderjarige] naar de andere ouder brengt indien het via school niet kan,
  • de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.500.- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de 2.1 van de bestreden beslissing of de in 6.1 tot en met 6.4 van het vonnis van 22 januari 2026 voldoet, tot een maximum van € 100.000.- is bereikt
  • de vader gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van de beslissing te bewerkstelligen, indien de moeder in gebreke blijft aan het in 2.1 van de beslissing bepaalde of de in 6.1 tot en met 6.4 van het vonnis van 22 januari 2026 bepaalde te voldoen.

De vorderingen in hoger beroep

4.4 De moeder concludeert dat het hof de bestreden beslissing vernietigt, uitsluitend voor zover in het dictum onder 2.3 de dwangsom is bepaald op € 1.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder niet aan de in artikel 2.1 van de bestreden beslissing of de in 6.1 tot en met 6.4 van de in het vonnis van 22 januari 2026 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt althans de dwangsom en het maximum daarvan matigt tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

4.5 De vader concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de moeder. De vader vordert in incidenteel appel, met veroordeling van de moeder in de proceskosten: I. [minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vader en de moeder te verplichten [minderjarige] aan de vader af te geven, hetgeen ook betekent dat een ieder, dan wel iedere organisatie gehouden is om [minderjarige] op eerste verzoek af te geven aan de vader, dan wel aan een door de vader aan te wijzen vertegenwoordiger en:

  • primair: de moeder in de gelegenheid te stellen bij bijvoorbeeld ZIJN of een andere organisatie [minderjarige] in het kader van begeleide omgang te zien;
  • subsidiair: als zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder tijdelijk vast te stellen dat [minderjarige] in alle schoolweken en alle vakantieweken wanneer [minderjarige] bij de moeder zou zijn, van dinsdag uit school, dan wel in vakanties vanaf 8:30 uur, tot vrijdag naar school bij de moeder verblijft, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen regeling; in alle gevallen geldt de toevertrouwing totdat in een binnen één week na het arrest te starten bodemprocedure is beslist; II. de vader te machtigen de beslissingen van het hiervoor gevorderde alsook de in eerste aanleg toegewezen vorderingen, zo nodig ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, in die zin dat indien de moeder niet meewerkt, na betekening haar veertien dagen lijfsdwang mag worden opgelegd.

5 De beoordeling

Dwangsom

Standpunten van partijen

5.1 Het hoger beroep van de moeder ziet uitsluitend op (de verhoging van) de opgelegde dwangsommen. Zij voert hiertoe drie grieven aan. Deze grieven zien op de verhoging van de dwangsom naar € 1.500.- per dag of gedeelte daarvan en het bepaalde maximum van € 100.000.-. Volgens de moeder is de dwangsom disproportioneel en in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd. Zij is van mening dat ten onrechte onvoldoende gewicht is toegekend aan het gegeven dat een verhoogde dwangsom en een verhoogd maximum in deze zaak feitelijk druk op [minderjarige] legt en daarmee de zorgregeling juist kan frustreren. Door de forse verhogingen kunnen de spanningen tussen partijen oplopen en dat is niet in het belang van [minderjarige] . Na het eerste vonnis van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 tot aan de bestreden beslissing (de tweede uitspraak) is slechts korte tijd verstreken en hebben zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voorgedaan. Daarom valt niet in te zien waarom de eerder bepaalde dwangsom en het daaraan verbonden maximum aanzienlijk verzwaard moest worden. De verhoging heeft mogelijk verstrekkende (financiële) gevolgen voor de moeder en dus indirect voor [minderjarige] en is bovendien onvoldoende gemotiveerd door de voorzieningen rechter.

5.2 De vader concludeert tot afwijzing van de grieven van de moeder en voert verweer, waarop hierna waar nodig zal worden ingegaan.

De raad

5.3 De raad heeft ter zitting, voor zover hier van belang, aangegeven dat vast staat dat [minderjarige] stress ervaart als gevolg van het conflict tussen de ouders. Momenteel is er geen zicht op de oorzaken die ten grondslag liggen aan de redenen waarom de overnachtingen bij de vader voor [minderjarige] moeilijk zijn. Ook is niet duidelijk of de moeder bewust of onbewust druk op [minderjarige] uitoefent. Evenmin is duidelijk of overnachtingen schadelijk voor haar zijn. Het door de raad te starten beschermingsonderzoek zal hierover mogelijk meer duidelijkheid kunnen verschaffen. In de tussentijd is het van belang om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] en de druk op haar te verminderen. Het afdwingen van overnachtingen, bijvoorbeeld door inzet van de politie of het opleggen van dwangsommen, is niet in haar belang.

De beoordeling

5.4 Het hof overweegt als volgt. Het hof merkt allereerst op dat door partijen uitvoering dient te worden gegeven aan een door de rechter bepaalde zorgregeling. Het opleggen van een dwangsom kan daarbij een passend middel zijn om nakoming te bevorderen, met name indien is gebleken dat één van de partijen zich in het verleden niet of onvoldoende aan de regeling heeft gehouden. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd met zwaarwegende belangen van het kind is om dwangsommen op te leggen. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Met de raad is het hof van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat de spanningen niet verder oplopen en dat de druk op haar zoveel mogelijk wordt weggenomen. Het op dit moment opleggen van een dwangsom zal daarom niet in het belang van [minderjarige] zijn. Daarbij overweegt het hof verder dat de oorzaak van de blokkade ten aanzien van de overnachtingen bij de vader bij [minderjarige] nu nog niet duidelijk is en dat ook daardoor een dwangsom op dit moment niet passend is. Het hof spreekt de hoop uit dat nu er geen dwangsom wordt verbonden aan de zorgregeling dit kan zorgen voor rust en een nieuwe start. Het hof gaat er bovendien vanuit dat de moeder haar volledige medewerking verleent aan een juiste uitvoering van de door het hof te bepalen zorgregeling. De grieven van de moeder slagen en de bestreden beslissing zal in zoverre worden vernietigd.

Incidenteel hoger beroep

Standpunten van partijen

5.5 De vader heeft in incidenteel hoger beroep, onder meer, gevorderd dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd en heeft hiertoe een grief aangevoerd. Volgens de vader heeft de voorzieningenrechter ten onrechte zijn vordering om [minderjarige] ook na de voorjaarsvakantie aan hem toe te vertrouwen, alsook de veroordeling tot lijfdwang, afgewezen. Hiertoe voert de vader aan dat hij zich zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder. De moeder geeft [minderjarige] geen emotionele toestemming naar de vader te gaan en houdt haar vaak thuis van school waardoor [minderjarige] zich niet goed kan ontwikkelen. De vader is goed in staat de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Verder is de vader van mening dat de moeder veroordeeld moet worden in de proceskosten.

5.6 De moeder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling

5.7 Het hof ziet in hetgeen de vader in dit hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te beslissen dan de voorzieningenrechter met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] aan de vader, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de verhouding tussen de ouders wordt gekenmerkt door strijd en wederzijds wantrouwen. Er zijn spanningen over de uitvoering van de zorgregeling en [minderjarige] zit klem tussen de ouders. Inmiddels heeft deze situatie ertoe geleid dat de raad een beschermingsonderzoek zal gaan doen. Uit het dossier blijkt echter niet dat er op dit moment grote zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder thuis. Bovendien is toevertrouwing van [minderjarige] aan de vader niet in haar belang omdat dit tot een ingrijpende verandering en tot onrust zal leiden terwijl het juist belangrijk is dat er nu een periode van rust komt waarin naar een zorgregeling met overnachtingen kan worden toegewerkt. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen gronden om in het kader van deze kort gedingprocedure de door de vader gevorderde (voorlopige) toevertrouwing van [minderjarige] aan de vader toe te wijzen, zodat de grief faalt.

5.8 Ten aanzien van de vordering van de vader om hem te machtigen de nakoming met behulp van de sterke arm te laten plaatsvinden, oordeelt het hof dat hij daarbij geen belang heeft, nu deze bevoegdheid reeds door de voorzieningenrechter is toegewezen en de moeder daartegen geen grief heeft gericht. Ook deze vordering wordt afgewezen. Ten overvloede merkt het hof op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eerdere inzet van de sterke arm een zeer negatieve impact op [minderjarige] heeft gehad en geeft het hof de vader het dringende advies hiervan in het belang van [minderjarige] geen gebruik te maken. Verder acht het hof uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang niet passend. Een dergelijke maatregel werkt escalerend en is niet in het belang van [minderjarige] , temeer nu de druk en spanningen voor [minderjarige] juist moeten worden weggenomen. De grief van de vader, voor zover deze hierop zag, slaagt evenmin en de vordering wordt daarom afgewezen.

5.9 Ten aanzien van de door de vader gevorderde proceskosten overweegt het hof als volgt. Nu de grieven van de moeder slagen en gelet op de familierechtelijke aard van het geschil, ziet het hof geen aanleiding de moeder in de proceskosten van dit hoger beroep te veroordelen maar zal het de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof merkt daarbij op dat tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg geen grief is gericht, zodat die veroordeling in stand blijft.

6 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 19 februari 2026, ten aanzien van het onder 2.3 bepaalde;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Kleefmann, M.T. Hoogland en J. van Zaane en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.